Dierentuinen in de Tweede Wereldoorlog

11 minuten leestijd
Schuilkelder in het flamingoverblijf in Bristol Zoo in Clifton
Schuilkelder in het flamingoverblijf in Bristol Zoo in Clifton - IWM (HU 36140)

In mei 1938 kwamen Europese dierentuindirecteuren samen in Amsterdam voor de jaarlijkse conferentie van de International Union of Directors of Zoological Gardens (IUDZG). Gastheer was Artis-directeur Armand Sunier. De ongeveer vijftien bestuurders debatteerden over ontwikkelingen in hun werkgebied, luisterden naar een lezing en maakten uitstapjes naar Noordwijk en natuurgebied Naardermeer.

Terwijl de conferentiegangers spraken over de mond-en-klauwzeerepidemie waarmee Europa kampte, doemde er een veel grotere bedreiging op. Nog geen anderhalf jaar later brak namelijk de Tweede Wereldoorlog uit. De directeuren, onder wie ook Duitsers, kwamen aan verschillende kanten van het conflict te staan en moesten hun dierentuinen door een conflict zien te loodsen van een niet eerder vertoonde vernietiging.

Microkosmos

Zandzakken voor de apenkooi in London Zoo, 30 augustus 1939
Zandzakken voor de apenkooi in London Zoo, 30 augustus 1939 – IWM (HU 102732)
In het Engelstalige World War Zoos beschrijft John M. Kinder, die als directeur van Amerikaanse studies en geschiedenisprofessor is verbonden aan Oklahoma State University, hoe dierentuinen wereldwijd de oorlogsjaren doorstonden. De Tweede Wereldoorlog was volgens de auteur…

…meer dan alles ervoor en sindsdien […] een existentiële bedreiging voor de zoölogische instellingen wereldwijd.

Hij noemt bombardementen, vreemde overheersing en plundering door vijandelijke troepen als onderdelen hiervan. Echter, ook verder van het front en buiten bezet gebied kampten dierentuinen met grote problemen, zo laat de schrijver in zijn boek zien. Zo waren er de vraagstukken over wat te doen als voedselvoorraden slonken en welke dieren gedood konden worden om andere te sparen. En hadden dierentuinen in oorlogstijd überhaupt nog wel bestaansrecht?

Kinder schat dat in totaal 25.000 dierentuindieren de oorlog niet overleefden, wat volgens hem echter niet in verhouding staat tot de 70 miljoen menselijke slachtoffers of de dieren die elders stierven, zoals de miljoenen paarden die in militaire dienst omkwamen. Waarom het zinvol is om toch in de vorm van een boek aandacht te besteden aan de zoo’s in oorlogstijd, is omdat dierentuinen volgens Kinder een microkosmos waren van de steden waarin ze zich bevonden:

De geschiedenis van dierentuinen tijdens de Tweede Wereldoorlog herinnert ons eraan dat de trauma’s en ontreddering van de oorlog niet beperkt bleven tot het slagveld. Gebombardeerd, geplunderd, uitgehongerd, bezet: zelfs de stedelijke dierentuin kon niet ongeschonden aan het conflict ontsnappen.

Dierentuinen vormen in de woorden van de schrijver “een lens waardoorheen de opkomst van het nazisme, het morele drama van collaboratie en verzet en de drang om te herbouwen in de nasleep van apocalyptische destructie is te onderzoeken”.

Drie doelen

De auteur heeft zich drie doelen gesteld bij het schrijven van dit boek. In de eerste plaats wil hij de invloed categoriseren die de Tweede Wereldoorlog wereldwijd op dierentuinen en hun dieren had. Hij zoekt uit met welke problemen bestuurders en verzorgers te maken kregen en hoe deze werden opgelost. In de tweede plaats wil Kinder laten zien hoe er in dierentuinen met een hiërarchische blik naar de natuur werd gekeken, waarbij mensen boven dieren stonden en aan sommige dieren meer waarde werd toegekend dan aan andere. Ook al bezocht hij in zijn jonge jaren met veel plezier dierentuinen, de historicus is kritisch op het concept dierentuin, waarvan gevangenschap een onontkoombaar facet is.

Duitse antisemitische propagandaprent uit omstreeks 1926 met een stereotype Jood in een kooi in een dierentuin.
Duitse antisemitische propagandaprent uit omstreeks 1926 met een stereotype Jood in een kooi in een dierentuin. – Beeld: USHMM
Zijn derde doel is het belangrijkste en betreft het onderzoeken van de mens-dier-verhoudingen in een periode van maatschappelijk trauma. Terugkerende vraag is in hoeverre het voortbestaan van dierentuinen was gerechtvaardigd in een tijd dat miljoenen mensenlevens op het spel stonden.

Spaanse Burgeroorlog

Kinder begint met het beschrijven van de vooroorlogse periode waarin dierentuinen tijdens de crisis van de jaren 1930 wereldwijd kampten met financiële problemen. Hij legt daarna uit dat het lot van de dierentuinen in Madrid en Barcelona tijdens de Spaanse Burgeroorlog een voorproef was van wat andere zoo’s in Europa te wachten stond. In beide Spaanse steden werden dierentuindieren getroffen door bommen of stierven ze van uithongering. Na Franco’s overwinning resteerden in de zoo van Barcelona nog driehonderd uitgehongerde dieren, terwijl volgens sommige tellingen er in Madrid nog slechts vijfentwintig waren overgebleven, die allemaal op sterven na dood waren.

Schokkende verhalen

Toen de Tweede Wereldoorlog op 1 september 1939 uitbrak, sloot de Londense zoo voor het eerst in honderd jaar (afgezien van Kerstmis) de poorten, om deze na ongeveer twee weken te heropenen. Gedurende de tijd dat London Zoo dicht was, werden meer dan tweehonderd dieren gedood door stafleden, uit vrees dat ze tijdens bombardementen konden ontsnappen. Onder de slachtoffers die Kinder opsomt, zijn een Siberische tijger, zestien anaconda’s, drie leeuwenwelpen en vier wolven.

Waarom ook een grote alexanderparkiet, een lamantijn en twee evenmin gevaarlijke Amerikaanse stierkikkers werden afgemaakt, lijkt ook voor de schrijver een raadsel. Hij trekt de schokkende conclusie dat in de Londense dierentuin meer dieren werden gedood door de eigen verzorgers dan door Duitse bommen. Zulke preventieve maatregelen werden ook elders genomen, bijvoorbeeld in Ouwehands Dierenpark op de Grebbeberg in Rhenen waar directeur en oprichter Cor Ouwehand voorafgaand aan de Slag om de Grebbeberg de roofdieren doodschoot, omdat hij weinig vertrouwen had in de schietvaardigheid van de Nederlandse troepen.

Het lot van dierentuindieren was volgens Kinder afhankelijk van “hun nabijheid bij militaire doelen, de grillen van het weer, de willekeur van menselijke besluitvorming en de chaos die stedelijke oorlogsvoering zou gaan definiëren”. Wereldwijd verdwenen “de grenzen tussen ‘slagveld’ en ‘thuisfront’”, zo schrijft de Amerikaan, “zoo’s stonden gewoon in de weg – nevenschade van een totale oorlog”.

Duitse militairen in een kooi in de Antwerpse zoo.
Duitse militairen in een kooi in de Antwerpse zoo.

Het leverde schokkende verhalen op, zoals dat van een verzorger in de dierentuin van Dresden die na het geallieerde bombardement van 13 en 14 februari 1945 overal in de zoo gewonde en dode dieren aantrof, waaronder een olifantenkalf dat met ernstig buikletsel en met zijn poten in de lucht in een droge gracht lag en een gibbon die zijn handen had verloren en zijn bloederige stompen hulpeloos omhoog hield.

Voedseltekorten

Na bombardementen vormden voedseltekorten de grootste bedreiging voor dierentuinen. Zo was het voor San Diego Zoo onmogelijk om dagelijks de gebruikelijke ruim 200 kilogram aan vis te verkrijgen voor zeehonden, pinguïns en andere zeedieren. Dat had alles te maken met de duikboten die het zeeruim onveilig maakten. Het importeren van exotisch voedsel was voor dierentuinen wereldwijd eveneens praktisch onmogelijk, want waarom zouden scheepvaartbemanningen hun levens op het spel zetten voor het importeren van bananen voor hongerige apen?

Er moest worden gezocht naar vervangingen: zo werden op verschillende locaties ‘ersatz’-bananen gemaakt van zoete aardappelen vermengd met honing. In de Londense zoo werden pinguïns gevoed met “reepjes kattenvlees gedoopt in levertraan”. Wolven en vossen in Rome kregen brood gekookt in hambotten voorgeschoteld, terwijl de grote katten werden gevoed met “grote broden gedoopt in vers ossenbloed”, aangevuld met ezelvlees.

Bioscoopjournaal uit 1941 over vrouwelijke werknemers in Devon Zoo

Ladies Only

Niet alleen was er een tekort aan voedsel, dierentuinen kampten in oorlogstijd ook met personeelstekorten doordat mannelijke verzorgers werden opgeroepen in militaire dienst. Dit werd in verschillende dierentuinen opgevangen doordat vrouwen het werk van mannen overnamen. Kinder verwijst naar een filmjournaal van British Pathé uit oktober 1941 met als titel Ladies Only. Getoond wordt hoe nieuw aangenomen vrouwelijke stafleden in de dierentuin van Devon hun werk uitvoeren.

Dat vrouwenemancipatie nog niet al te serieus werd genomen, blijkt uit de grap van de mannelijke commentator: “Yes, they might not be able to keep a secret, but they can keep a flamingo.” Vrouwelijke verzorgers bleken qua plichtsgevoel niet onder te doen voor de mannen. Een verzorgster van Belfast Zoo ging zelfs zo ver om aan het eind van elke werkdag haar favoriete olifantenkalf mee naar huis te nemen, waar ze de dikhuid in haar ommuurde tuin beter kon beschermen tegen nachtelijke bombardementen.

Dieren redden

Ook elders gingen verzorgers ver om hun dieren te redden. Zo haalt de schrijver een verhaal aan van Jan Hooff, de zoon van de directeur van Burgers’ Zoo in Arnhem. Tijdens gevechten gedurende operatie Market Garden was een hyena door een granaatscherf zwaar gewond geraakt aan zijn onderkaak waardoor het dier niet zelfstandig kon eten. Jan voedde de aaseter daarom uit zijn hand met stukjes vlees. “Die hyena was dol op mij, omdat hij niet zelf kon eten. Hij wachtte elke dag op me”, zo haalt Kinder de directeurszoon aan. Toen in december 1944 Duitse soldaten dreigden de roofdieren te doden, hielden de Van Hooffs de executies tegen door voor de kooien van de wolven en beren te gaan staan. Op 2 april 1945, minder dan twee weken voor de bevrijding, verloor het dierenpark alsnog vele dieren bij een geallieerd luchtbombardement.

Bijzonder is ook het in het boek aangehaalde verhaal van nijlpaard ‘Beauty’. Het savannedier werd gedurende het bijna 900 dagen durende Beleg van Leningrad in leven gehouden door Yevdokia Dashina. Ondanks dat de vrouw zelf uitgehongerd was – er kwam nauwelijks nog voedsel de stad in –, haalde ze dagelijks vers water uit de rivier de Neva. Dat verwarmde ze boven een open vuur om er vervolgens het dier mee nat te maken zodat het niet uitdroogde. De vrouw voedde het nijlpaard met “een mix van gras, overgebleven plantaardige pulp, een paar schamele groenten en ongeveer dertig kilo van ‘gestoomd zaagsel’”.

Dankzij deze verzorging overleefde Beauty het beleg en groeide ze uit tot symbool van de onverzettelijkheid van de bevolking van Leningrad. Als reden voor de moeite die in de uitgehongerde stad werd gedaan om een nijlpaard in leven te houden, noemt de schrijver het medeleven van de burgers van de stad met de dierentuindieren die in hun lot deelden.

People first

Een nog groter gevaar voor dierentuinen dan bombardementen en honger was volgens Kinder irrelevantie: in oorlogssamenlevingen werd er vaak getwijfeld aan het nut van het in stand houden van dierentuinen, want waarom had deze vorm van vermaak nog bestaansrecht in een tijd waarin elke burger werd aangesproken op spaarzaamheid en opoffering voor het vaderland? Het achterliggende idee was dat oorlogssamenlevingen mensen voorop moest stellen – people first –, zo legt de auteur uit: “dieren, in het bijzonder degene die alleen voor vermaak werden gehouden, waren op zijn best een verre tweede”. Daarom haalden dierentuinen van alles uit de kast om hun nut in oorlogstijd te bewijzen. Ze vervulden hun patriottische rol door oorlogspropaganda te maken. Op 6 juni 1944, bijvoorbeeld, werd een giraffenkalf in de San Diego Zoo geboren dat de naam D-Day kreeg.

Een ander voorbeeld dat de auteur geeft, is het verhaal van pandabeer Ming uit de Londense zoo die zowel op posters en ander papierwerk als in bioscoopjournaal figureerde als symbool van Britse standvastigheid. Het dier werd een helm opgezet, kreeg de Union Jack in zijn klauwen gedrukt en vermaakte leden van de vrouwendivisie van het Royal Canadian Air Force.

Bioscoopjournaal uit 1940 over panda Ming in London Zoo

https://www.youtube.com/watch?v=8np4_dTXiEw

Tegengif en vermaak

Ook op andere manieren konden dierentuinen de oorlogsinspanningen steunen. Zo haalt de schrijver aan dat Philadelphia Zoo slangen molk om tegengif te produceren voor gebruik door Amerikaanse militairen die vochten in de Pacific waar dodelijke slangenbeten een gevaar vormden. Dierentuinen ontvingen in oorlogstijd ook nieuw publiek in de vorm van militairen. Zo vermaakten Duitse militairen zich in Artis en bezochten in Australië en Nieuw-Zeeland vele van de meer dan 1 miljoen Amerikanen die hier gestationeerd waren een dierentuin.

In Auckland Zoo droeg meer dan de helft van de zondagse bezoekers een Amerikaans uniform. Het kijken naar de dieren hield militairen bezig en leidde hen af van de zware beproevingen die hen te wachten stonden of die ze al hadden moeten doorstaan.

Duitse militairen voederen aan aapje in het monumentale Apenhuis. Eén van de bekendste onderduiksters van Artis was de joodse mevrouw Duif van de Brink. Oppasser Van Schalkwijk van het apenhuis: „Ze heeft hier vier jaar lang gezeten, tot het einde van de oorlog. Ze zat bijna altijd op het bankje van het apenhuis. 's Nachts was ze ook bij ons, dan had ze een slaapplaats in het wolvenhuis. 's Morgens kwam ze van het wolvenhuis naar het apenhuis voor haar natje en droogje. Op dat bankje bij de apen zat ze altijd met mensen, ook met Duitsers, te praten. Ze hebben haar altijd met rust gelaten, niet wetende dat het een jodin was". (foto Spaarnestad Photo)
Duitse militairen in Artis gedurende de bezettingstijd. (Spaarnestad – wiki)

Racisme en dictatuur

Kinder toont verder aan dat dierentuinen behalve locaties waren waar mensen afleiding konden vinden van de ellende, zelf soms ook onderdeel waren van het kwaad. Zo vierde in veel dierentuinen in Amerika het racisme hoogtij. Kinder schrijft dat Amerikaanse zoo’s “een gevecht [verbeeldden] tussen moderne beschaving – de plek waar mensen leeuwen tegenkomen in pulpromans en ijzeren kooien – en de ‘wildernis’, een wild, vijandig, onbekend gebied bewoond door exotische beesten en primitieve (lees: niet-witte) mensen”.

Afro-Amerikaanse bezoekers werden op verschillende manieren ontmoedigd om dierentuinen te bezoeken. Zo noemt de auteur het voorbeeld van Memphis Overton Park Zoo, waar een beleid van whites only werd gevoerd, behalve op dinsdagen. In Oklahoma City Zoo was het elke donderdag Negroes’ Day. Deze praktijken waren vergelijkbaar met de bordjes ‘verboden voor Joden’ die hingen bij dierentuiningangen in Duitsland en door de nazi’s bezette landen zoals Nederland.

Dierentuinen in nazi-Duitsland maakten onlosmakelijk deel uit van het dictatoriale regime. Kinder constateert dat geen enkele dierentuinbestuurder bezwaar maakte tegen het ingevoerde toegangsverbod voor Joden. Hij vertelt ook over Lutz Heck, directeur van de Berlijnse zoo, die in de verovering van Lebensraum in het oosten een kans zag om in Polen en Wit-Rusland, ten koste van de menselijke bewoners, een natuurreservaat in te richten vol “genetisch teruggefokte dieren uit Duitslands verleden”.

Jan Żabiński met een leeuw
Directeur Jan Żabiński van de dierentuin in Warschau. Samen met zijn vrouw Antonina hielp hij in oorlogstijd Joden ontsnappen uit handen van de nazi’s (CC BY-SA 4.0 – wiki – )
In nazi-Duitsland werden Joden als nog lager gezien dan dieren, wat zich bijvoorbeeld uitte in de aanleg van een kleine dierentuin bij vernietigingskamp Treblinka, waar de dieren goed werden verzorgd, terwijl ondertussen de Joden in gaskamers werden vermoord. In Artis en de zoo van Warschau daarentegen werden Joden en anderen die wilden ontsnappen aan de nazi’s juist geholpen door dierentuinbestuurders of -personeel. Zo laat Kinder zien dat ook dierentuinen zich binnen het spectrum van goed en fout en alles daartussen bewogen.

Concentratiekampen

Kinder ontkomt er niet aan om een vergelijking tussen concentratiekampen en dierentuinen te maken, maar doet dat genuanceerd, mede op basis van getuigenissen van de gevangenen zelf die zich vaak vergeleken met gekooide dieren. Dit was letterlijk het geval in Ueno Zoo in Tokyo, waar in het voorjaar van 1945 de neergehaalde Amerikaanse bommenwerpernavigator Ray ‘Hap’ Halloran naakt werd tentoongesteld in een kooi. In de dierentuin van Antwerpen werden in september 1944 door de geallieerden krijgsgevangen genomen Duitse soldaten tijdelijk ondergebracht in roofdierkooien.

Heropbouw

Na de oorlog moesten dierentuinen in oorlogsgebied weer heropgebouwd worden. Kinder schrijft dat twee Indische olifanten van Tierpark Hagenbeck in Hamburg werden ingezet om puinhopen in de stad op te ruimen. Het leverde mooie beelden op voor in het bioscoopjournaal, maar het herstel van zowel steden als dierentuinen zou vele jaren duren. Om elkaar te kunnen helpen, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van dieren die de lege verblijven moesten vullen, kwam in 1946 de internationale club van dierentuindirecteuren, de IUDZG, voor het eerste na de oorlog samen. Duitse leden waren vanaf 1950 pas weer welkom, het jaar erna werd ook een Japanse directeur toegelaten.

Oorlogen bleven ook na 1945 nog verschillende dierentuinen teisteren, ook in onze tijd. Kinder haalt bijvoorbeeld een bericht aan van Al Jazeera uit november 2023 dat meldt dat de grootste dierentuin van Gaza, waar ooit honderd diersoorten leefden, was “gereduceerd tot puin”.

Klimaatverandering

Kinder sluit zijn boeiende boek af met een conclusie die de lezer aan het denken moet zetten. De afgelopen jaren zijn dierentuinen zich vaker gaan presenteren als instellingen voor het behoud van diersoorten in een wereld waarin biodiversiteit rap afneemt. Kinder benadrukt dat dierentuinen alleen het uitsterven van diersoorten niet kunnen voorkomen, maar slechts fungeren als “metaforische laatste reddingslijn” voor bedreigde dieren. “De moderne dierentuin is de ark van de eenentwintigste eeuw”, zo citeert hij een dierentuindirecteur, om zelf in het slot van zijn boek juist op te roepen deze metafoor op te geven. Op knappe wijze verbindt hij de geschiedenis met het heden, waarin klimaatverandering een nieuwe bedreiging vormt voor de wereld én voor dierentuinen. Hij concludeert:

World War Zoos
 
Geconfronteerd met de bedreiging van catastrofale klimaatontwrichtingen heeft de wereld geen vloot van reddingsvlotten nodig bedoeld om geselecteerde soorten door een metaforische veertig dagen en veertig nachten van tumult te helpen. In plaats daarvan hebben we een strategie nodig om te overleven in een klimaat dat voor onbepaalde tijd veranderd is.

Of de fysieke en mentale stress die dieren ervaren in gevangenschap opwegen tegen de voordelen van dierentuinen is een vraagstuk waaraan Kinder een genuanceerde en goed onderbouwde bijdrage geeft met dit onderhoudend geschreven boek. Geïnteresseerden in de historie van dierentuinen en in dier-mens-relaties kunnen dit informatieve boek niet negeren. Voor de Nederlandse lezer is World War Zoos extra interessant vanwege de uitgebreide aandacht voor Nederlandse dierentuinen. Het boek is voorzien van een uitvoerige noten- en bronnenlijst en bevat verschillende fraaie foto’s en andere illustraties die de tekst ondersteunen. Een Nederlandse vertaling is voor zover bekend niet gepland.

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×