Jac. P. Thijsse (1865-1945) was wat we tegenwoordig een BN’er zouden noemen. In een tijd zonder televisie en internet verkreeg de onderwijzer landelijke bekendheid als bevlogen pleitbezorger van de natuur. Hij wilde alle Nederlanders – jong en oud – stimuleren om de flora en fauna te ontdekken, of dat nou in een natuurgebied of in het lokale park was. Deze boodschap verspreidde hij door middel van boeken, columns in kranten en artikelen in tijdschriften, maar het grootste bereik verkreeg hij met de Verkade-albums, waarvan er tussen 1906 en 1938 achttien met zijn medewerking verschenen.
In Meester in het paradijs vertelt Dik van der Meulen (1963) over hoe Thijsse zich van jonge natuurliefhebber ontwikkelde tot Nederlands invloedrijkste natuurbeschermer. Zelf was Van der Meulen vijftien toen hij in een antiekboekhandel een gehavend exemplaar van Het vogeljaar (1903) van Thijsse kocht. Hij noemt het een van zijn beste aankopen. “Ik las het in één ruk uit en heb het daarna talloze malen geraadpleegd”, legt hij uit.
Het is meer dan een eeuw oud en nog altijd het beste Nederlandse natuurboek dat ik ken.

Thorbecke van het landschap
Voor Van der Meulen is Jac. P. Thijsse een grootheid. “Thijsse was de Thorbecke van het landschap”, zo vergelijkt hij hem in zijn inleiding met de negentiende-eeuwse liberale staatsman. “Zoals Thorbecke aan de basis stond van de parlementaire democratie in Nederland, zo heeft Thijsse hier de natuurbescherming uitgevonden.” De auteur nuanceert dat de natuurbescherming ook zonder Thijsse wel tot ontwikkeling zou zijn gekomen, “maar het zou allemaal later zijn gebeurd en het zou er nu allemaal een beetje anders hebben uitgezien.”
Behalve dat hij het levensverhaal van zijn hoofdpersoon vertelt, treedt de schrijver ook in zijn voetsporen. Hij noemt zijn boek “een dubbelbiografie”: van Thijsse én van het Nederlandse landschap. De auteur reisde namelijk net als Thijsse door het land, per trein, op de fiets en te voet, om een representatieve doorsnede van de Nederlandse natuur te schetsen. Daarbij gebruikte hij teksten van Thijsse als gids en stelde hij zich de vraag: wat is er veranderd ten opzichte van toen?
Bulderende plaatsmajoor
In het biografische deel beschrijft Van der Meulen dat Thijsse al jong geboeid raakte door de natuur. Thijsse bracht zijn jongste jaren tussen 1868 en 1873 door in Grave, waar zijn vader indertijd als beroepsmilitair was gestationeerd. Zijn belangstelling voor de natuur ontstond hier in de bloementuintjes die hij en zijn broers met hun moeder verzorgden. En ook tijdens het vissen en wandelen met zijn vader, die hem “de vogelnestjes aanwees in de meidoornhaag, alleen echter met het trouwens overbodige verbod, ze uit te halen.” Op de stadswallen bewonderde de jonge Thijsse gouden kevers, bontgekleurde vlinders en bloemen in allerlei kleuren, ook al moest hij oppassen hier niet weggestuurd te worden door “de bulderende plaatsmajoor” op zijn bruine paard.

Onderwijzer
Na afronding van de middelbare school ging Thijsse studeren aan de kweekschool in de Amsterdamse binnenstad, waar hij voor het eerst echt les kreeg over de natuur. Een van zijn docenten nam hem en zijn medestudenten mee de natuur in, onder andere die van het Nieuwe Diep, een meer in Amsterdam-Oost. Hier kwam Thijsse in zijn studententijd ook graag op eigen houtje. “Het wemelde er van de slangen en orchideeën”, schreef hij later, “en ik had er in het berkenbosch een schuilplaats gebouwd, waar ik op Woensdag- en Zaterdagmiddag en op vacantiedagen zelfs heen toog met mijn studieboeken, Ik viel er ook wel eens in slaap.”

Tweemanschap
Van der Meulen beschrijft hoe Thijsse al voor 1900 bekend werd als natuureducator. Met zijn vriend en collega-onderwijzer Eli Heimans (1861-1914) schreef hij acht populaire natuurboeken, richtte hij een natuurtijdschrift op en publiceerde hij de eerste Nederlandse geïllustreerde flora. Samen stonden ze ook aan de wieg van de tegenwoordig nog steeds actieve Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten.
Niet voor niets zijn ze de geschiedenis ingegaan als het tweemanschap dat aan de basis stond van de Nederlandse natuurbeweging…
…concludeert de auteur over het duo. Zelf beschouwde de bescheiden Thijsse overigens Frederik Willem van Eeden (1829-1901) als de ware grondlegger. Deze botanicus was ruim dertig jaar lang redacteur van de Flora Batava, een overzicht van wilde planten in de Lage Landen.
De naam van het tijdschrift dat Heimans en Thijsse in 1896 oprichtten, was De Levende Natuur. Met lezersvragen en toegankelijke teksten was het gericht op een bredere doelgroep dan alleen vakbiologen en andere deskundigen. Volgens Van der Meulen was “Ga naar buiten!” de belangrijkste boodschap van het blad. “Beperk je niet tot wat anderen over de natuur hebben geschreven,” zo verklaart hij,,,
…maar ga zelf op onderzoek uit. Hoe beeldend en bloemrijk sommigen de wereld der planten en dieren ook met woorden en afbeeldingen wisten te vatten, de echte levende natuur was altijd rijker.
In 1899 brachten Thijsse en Heimans hun Geïllustreerde Flora van Nederland uit, “een baanbrekend werk” aldus Van der Meulen. Het was niet het eerste Nederlandstalige boek om planten mee te determineren, maar wel het meest toegankelijke en bruikbare. De illustraties maakten het de gebruiker extra makkelijk. Om een plant te kunnen herkennen was het niet langer nodig om allerlei vaktermen te beheersen; elke belangstellende moest ermee uit de voeten kunnen, want de natuur was volgens de schrijvers van iedereen.

Natuurmonumenten
De oprichting van Natuurmonumenten kwam voort uit het omstreden plan uit 1904 van de gemeente Amsterdam om het Naardermeer te gebruiken als stortplaats. Er was indertijd al veel natuur in Nederland verloren gegaan: in 1870 was het laatste oerbos verdwenen, het Beekbergerwoud in Gelderland. Frederik Willem van Eeden had in 1880 het ontgonnen terrein bezocht en het verlies betreurd. In het voorjaar van 1897 bezocht zijn zoon, de schrijver Frederik van Eeden, het Naardermeer, vergezeld door Heimans en Thijsse. Ze zagen er lepelaars met jongen, en nesten van onder andere sterntjes, kokmeeuwen en purperreigers. Thijsse kwam al sinds zijn jeugd graag in het gebied en kwam in opstand toen de Amsterdamse plannen bekend raakten. In zijn column in Algemeen Handelsblad hield Thijsse een hartstochtelijk betoog voor natuurbehoud. Hij schreef:
Er wordt tegenwoordig veel gedaan voor het behoud van monumenten van kunst en geschiedenis. De tijd breekt nu aan dat dezelfde zorg zich uitstrekt tot de natuur zelve, dat er middelen worden gevonden om te verkrijgen het behoud van belangrijke ‘natuurhistorische landschappen’.

Succesvolle marketingcampagne
In 1906 verscheen ook het eerste Verkade-album dat Thijsse schreef. Het was het begin van een lange en succesvolle reeks, waarin de Nederlandse natuur en het landschap centraal stonden. De albums moesten worden gevuld met plaatjes die bijgesloten zaten bij producten van koekfabrikant Verkade. Met meer dan twee miljoen verkochte albums was het een succesvolle marketingcampagne, die sterk bijdroeg aan het natuurbesef van Nederlanders. Van der Meulen schrijft: “Met de ontbijtkoek drong de natuur woningen binnen waar voorheen nooit iemand had stilgestaan bij het zingen van de lijster en het uitlopen van de hazelaar.”
De albums hebben volgens de schrijver niet alleen verzamelwaarde, maar kunnen volgens hem ook “als richtsnoer dienen bij toekomstige pogingen tot natuurherstel”, omdat Thijsse hierin dieren en planten beschreef die tegenwoordig zeldzaam of helemaal verdwenen zijn.
Schijnbare alledaagsheid
Zowel in de albums als in zijn andere publicaties hanteerde Thijsse een zeer toegankelijke schrijfstijl. Hij putte vaak uit persoonlijke ervaringen en schreef met net zoveel enthousiasme over veelvoorkomende dieren en planten als over de zeldzame soorten. “Schijnbare alledaagsheid” was volgens Van der Meulen het handelsmerk van Thijsse. “De natuur rondom zijn huis weerspiegelde deze gewoonheid, en daar pasten roodborstjes beter in dan paradijsvogels.” Thijsse werd gedreven door de overtuiging dat de natuur belangrijk was voor de mens. Hij noemde haar “een levenskracht voor het heele volk, voor de volksgezondheid, de volkskracht, opvoeding en moraal”.

Bezettingsjaren
Al sinds de jaren twintig pleitte Thijsse voor een volwaardige natuurbeschermingswet, maar die kwam er pas in 1966 en maakte hij dus niet meer mee. Toen Nederland in 1940 werd bezet door Duitsland roken hij en gelijkgestemden een kans, want de bezetter stond positief tegenover natuurbescherming. In Duitsland zelf hadden de nazi’s vooruitstrevende wetgeving op dit gebied ingevoerd. Niet dat Thijsse een nazi-sympathisant of collaborateur was, maar Van der Meulen concludeert wel dat hij “bereid [was] toe te geven aan de wensen van de bezetter.” Zo schreef hij zich in 1943 in bij de door de door bezetter gecontroleerde Kultuurkamer en leidde hij eens een vertrouweling van rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart rond in Thijsse’s Hof, de naar hem genoemde en in 1925 geopende heemtuin in zijn woonplaats Bloemendaal.
Van der Meulen schetst een genuanceerd beeld van zijn hoofdpersoon in bezettingstijd. Hij benadrukt dat Thijsse weliswaar kansen zag voor de natuur toen de nazi’s het Nederlandse bestuur overnamen, maar dat hij tegelijkertijd niets moest hebben van hoe de Joden werden behandeld. Hij zette zich persoonlijk in om Jacob Heimans (1889-1978), de zoon van zijn in 1914 overleden Joodse vriend, en zijn gezin te redden. In brieven beklaagde de inmiddels oude Thijsse zich bovendien over misdragingen van Duitse militairen, de vordering van fietsen en invallen in huizen.
Gedurende de bezettingsjaren ging Thijsse’s gezondheid hard achteruit. Op 8 januari 1945, dus nog voor de bevrijding, overleed hij op 79-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hartkwaal.
Biodiversiteit onder druk
Net als Thijsse altijd deed, zo heeft Van der Meulen in zijn boek ook zijn persoonlijke ervaringen en anekdotes verwerkt. Met enige ironie vertelt hij over de reizen die hij maakte door het land in de voetsporen van zijn hoofdpersoon. In Grave maakte hij bijvoorbeeld een babbeltje met een man die sierplanten kweekt. Die vertelde hem dat hij dit doet zonder bestrijdingsmiddelen, want dat is beter voor de natuur. Tegelijkertijd beschuldigt hij natuurbeschermingsorganisaties ervan de landbouwsector tegen te werken. Van Thijsse heeft hij nog nooit gehoord. In een paar regels laat de schrijver zien hoe ambivalent veel Nederlanders tegen natuurbescherming aankijken.

Vooral op het platteland constateert de auteur dat de natuur enorm is verschraald. Thijsse erkende het weidelandschap nog als een gebied met grote natuurwaarde, maar ruilverkaveling en overbemesting hebben daar grote verandering in gebracht. Tijdens een wandeling in het landbouwgebied tussen Muiden en Muiderberg constateert Van der Meulen dat de grutto’s, tureluurs en kieviten die Thijsse waarnam, niet meer aanwezig zijn. “Met de kieviten zijn ook veenpluis, vergeet-mij-nietje, zonnedauw en orchis verdwenen”, concludeert hij somber. Ook elders in het polderlandschap neemt hij dezelfde ontwikkeling waar.
De biodiversiteit in het weidelandschap mag dan sterk onder druk staan, Van der Meulen is niet alleen maar negatief over de stand van de natuur in Nederland. Op verschillende locaties is hij enthousiaster over de soortenrijkdom die hij aantreft. Ook in die zin volgt hij Thijsse, die altijd oog bleef houden voor het positieve en meer geloofde in samenwerking dan in het tegen elkaar opzetten van mensen.
Pleidooi

Van der Meulen sluit zijn meeslepende biografie af met een pleidooi om mensen weer de natuur in te krijgen. Modern wetenschappelijk onderzoek toont immers aan dat dit goed is voor lichaam en geest, zoals Thijsse al ruim honderd jaar geleden verkondigde. Volgens Van der Meulen hebben we “een nieuwe Thijsse nodig” om de natuur weer onder de aandacht te krijgen van de massa, maar met dit boek levert de schrijver hieraan zelf een verdienstelijke bijdrage. Iedereen zal na het lezen van dit boek en het bekijken van de prachtige illustraties de aansporing voelen om naar buiten te gaan.
Hendrik Uittien – Botanicus in oorlogstijd
De Nederlandse natuur door de eeuwen heen
Het bizarre rijkeluishuwelijk van Louise Six en Frans Blaauw
De Hitler-eiken van het Olympisch Stadion
Hans Olink brengt ode aan ‘zijn’ Ardennen