Wie in Burlington House in Londen met de lift afdaalt naar een ondergronds complex komt op de plek waar een collectie wordt bewaard van een achttiende-eeuwse wetenschapper wiens werk van blijvende invloed op de biologie is geweest. De ondergrondse Strong Room is voorzien van een veiligheidskluis waarin temperatuur en vochtigheid nauwelijks aan schommelingen onderhevig zijn. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de versterkte ruimte zelfs voor Duitse bommen onaantastbaar. Opgeborgen in laden bevinden zich hier originele manuscripten van de Zweedse wetenschapper Carl Linnaeus (1707-1778) en door hem verzamelde specimens van planten en insecten.
Het in 2025 met de Pulitzer Prize onderscheiden boek Al wat leeft is een dubbelbiografie over de Zweed en zijn Franse collega en tijdgenoot Georges-Louis Leclerc de Buffon (1707-1788). De auteur is de Amerikaan Jason Roberts die aan de universiteit van Californië een graad in de literatuur behaalde en ooit werkte als softwareontwikkelaar bij Apple. Daarna publiceerde hij boeken en artikelen over soft- en hardware. Zijn eerste boek over de wetenschapsgeschiedenis, A Sense of the World (2006), gaat over de Britse blinde avonturier James Holman (1786-1857). De oorspronkelijke Engelstalige versie van Al wat leeft, getiteld Every Living Thing, verscheen in 2024.
Jongere jaren
Linnaeus en Buffon hebben elkaar nooit ontmoet en onderhielden zelfs geen schriftelijk contact met elkaar. Dat terwijl ze bezig waren met een vergelijkbare missie: het vastleggen van al het leven op aarde. Voordat Roberts begint aan het verklaren van de tegenstrijdige visies van de mannen op de natuur, beschrijft hij eerst hun pad richting succes. Deze paden verschillen behoorlijk, want terwijl Linnaeus met een dominee als vader van relatief bescheiden afkomst was, erfde Buffon, die geboren werd als Georges-Louis Leclerc, op jonge leeftijd een fortuin van zijn oom die belastinginner was voor de graaf van Savoye. Door het bezit van een landgoed bij het dorp Buffon mocht hij zich ook graaf noemen. Anders dan zijn vader, die als ambtenaar zoutbelasting inde, koos Buffon voor een carrière in de wetenschap. Hij verwierf grote faam als directeur van de Jardin du Roi, de botanische tuin van de Franse koning in Parijs.

Zijn blik was vol van planten, maar zijn maag was meestal pijnlijk leeg.
Linnaeus studeerde af als arts aan de universiteit van Harderwijk, maar zou in zijn leven slechts één patiënt behandelen. Het was de bestudering van de natuur waar hij zich levenslang aan wijdde. In 1741 werd hij benoemd tot professor aan de universiteit van Uppsala.

Scala Naturae
Na zijn hoofdpersonen te hebben geïntroduceerd, legt Roberts uit dat begin achttiende eeuw de ideeën over de natuur nog behoorlijk primitief waren. Er werd geloof gehecht aan het bestaan van de bernicla of eendenmosselboom waarin vruchten hingen die in ganzen veranderden. De barmometz is een ander voorbeeld en bestond volgens de overlevering uit een lam dat aan de steel van een plant groeide. De natuur werd nog bekeken vanuit het concept van de scala naturae, later de Grote Keten van het Bestaan genoemd. Onderaan de keten stonden de mineralen en bovenaan de mensheid, dan de engelen en uiteindelijk God. Dieren en planten werden gerangschikt naar hun vermeende machtspositie: de olifant of leeuw was koning van de dieren, de eik koning van de planten.
Botanische kamasoetra
Linnaeus kwam in 1730 met het idee voor een nieuw systeem om planten te classificeren. Eerder werd dit gedaan op grond van onder meer de geografische locatie waar planten groeiden, maar de Zweed baseerde zijn systeem op de voortplanting. Roberts schrijft:
Dat er bij planten geen keurig onderscheid tussen de seksen bestond, was voor Linnaeus geen bezwaar, maar een kans. ‘Ja, de liefde maakt zich meester van de plant zelf, van wie de mannen en vrouwen,’ vervolgde hij, ‘en zelfs de hermafrodieten hun huwelijk vieren.’ Hij betoogde dat planten geen strikte, louter mannelijke en vrouwelijke geslachtsdelen hadden, maar uiteenlopende combinaties van beide, en aan een spectrum aan seksualiteit deden. Dat bundelde hij tot een botanische kamasoetra.

Binomiale nomenclatuur
Naast planten wilde Linnaeus ook andere levensvormen, zoals dieren, classificeren. “In totaal zouden het er tussen de 20.450 soorten zijn,” schrijft Roberts, “waarvan de overgrote meerderheid al tot op zekere hoogte was geïdentificeerd en beschreven.” Zijn bevindingen verwerkte Linnaeus in Systema Naturae (1735) waarin hij drie rijken onderscheidde: mineralen, planten en dieren. Na de rijken volgden klassen, ordes, genera en soorten. In Species Plantarum (1753), dat als onderdeel van de Systema Naturae de plantenwereld beschreef, voorzag hij 5.940 planten van een dubbele naam. De naam van elke soort bestond uit twee Latijnse namen, de genusnaam gevolgd door de soortnaam. Een voorbeeld is de Linnaea borealis, het linnaeusklokje. Deze binomiale nomenclatuur werd al snel door andere botanici geaccepteerd en vormt tegenwoordig nog altijd de basis van de soortenaanduiding, niet alleen van planten maar ook van andere organismen.

Verschillende door Linnaeus vastgestelde namen behoren nog steeds tot ons vocabulaire. Zo introduceerde hij de term ‘fauna’, als metgezel van de flora, en bedacht hij de naam ‘cactus’ voor de orde van stekelige planten. Andere voorbeelden die Roberts noemt in zijn boek zijn: absint, azalea, amaryllis, tangare en boa constrictor. “Het waren bijna dichterlijke taalhandelingen die in de namen zelf waren gevat”, schrijft Roberts.
Linnaeus, een liefhebber van chocola, noemde de cacaoplant Theobroma cacao, of ‘eten van de goden’.
Histoire Naturelle
Histoire Naturelle, Générale et Particulière was het meesterwerk van Buffon. Tijdens zijn leven werden er zesendertig delen gepubliceerd, met onder andere zoogdieren, vogels en mineralen als onderwerp. Oorspronkelijk was het ook zijn bedoeling om planten, amfibieën, vissen, weekdieren en insecten te behandelen, maar daar kwam hij in de ruim veertig jaar dat hij werkte aan de Histoire niet toe.

Geduldig observeren, alleen nu en dan een blik van onder de sluier opvangen, was nederig makend, maar voor Buffon was dat de enige keuze. De natuur was onpeilbaar, extreem complex – misschien niet door de mens te bevatten […]. Als je de natuur in keurige categorieën indeelde, dan ontkende je de inherente onderlinge samenhang van het leven.

Kabinet der Medicijnen
Onderdeel van de Jardin du Roi, waarvan Buffon directeur was, was het Kabinet der Medicijnen dat volgens Roberts bestond uit een “ratjetoe aan voorwerpen […], van kostbare edelstenen tot gedroogde planten en allerlei dieren, opgezet of drijvend in alcohol”. Bij het catalogiseren van de collectie zag Buffon het niet zitten om de classificatiemethode van Linnaeus toe te passen. “Alle systematische benaderingen van de natuur waren gebrekkig,” zo citeert de schrijver uit een brief die de Fransman aan een vriend schreef, “maar van alle methoden is die van Linnaeus de minst verstandige en meest monstrueuze.” Dat bijvoorbeeld oesters werden ingedeeld bij de wormen en zeekreeften bij de insecten wees Buffon af, net als dat honden, katten, vleermuizen en egels in dezelfde orde (Ferae, wild dier) zaten als leeuwen en tijgers.
Racisme
Robert toont ook aan hoe diametraal verschillend de kijk van Linnaeus en Buffon op de mens was. Linnaeus deelde deze in vier categorieën in: Homo sapiens americans, -europaeus, -asiaticus en -afer. Homo sapiens europaeus omschreef hij als: “Blond, golvend haar, Blauwe ogen. Zachtaardig, schrander, inventief.” Homo sapiens afer daarentegen werd door hem beschreven als: “Stompe neus. Dikke lippen. […] Sluw, traag, onverschillig.”
Roberts benadrukt het racistische karakter van deze uitleg waar Linnaeus zijn hele leven achter bleef staan en schrijft:
Het afbakenen van de ene groep als ‘geleid door wetten’ en een andere als ‘geleid door grillen’ kan alleen maar een schaamteloze verklaring van superioriteit zijn.

Buffon vond de vier door Linnaeus vastgestelde variëteiten van de mens volgens Roberts “een fout van de hoogste orde”. Hij beschouwde het afschilderen van zwarte mensen als een minderwaardig excuus voor de slavernij waar hij een uitgesproken tegenstander van was. “Hun leed is om te huilen”, zo citeert Roberts de Fransman.
Zijn ze niet al ellendig genoeg omdat ze tot slaven zijn gemaakt; omdat ze worden gedwongen om altijd te werken zonder ook maar de geringste vruchten van hun arbeid te plukken, zonder te worden misbruikt, afgeranseld en als beesten te worden behandeld?
De Fransman vermoedde ook dat de beschaving eerst in Azië was ontstaan en niet via de Grieken en Romeinen in Europa was ontstaan zoals toentertijd algemeen werd aangenomen.
Vrouwen

Ecosysteem
Ook al legde Linnaeus een belangrijke basis voor de biologie en is zijn naam tegenwoordig bekender dan die van zijn Franse collega, in zijn boek laat Roberts zien dat Buffon zijn tijd ver vooruit was. Op zijn landgoed in Montbard plantte hij bijvoorbeeld bomen van dezelfde soort in verschillende soorten grond om hun ontwikkeling in een tijdsbestek van veertig jaar zorgvuldig te volgen. De auteur haalt de Franse historicus Jacques Roger aan die hierover schrijft:
Buffon is hier heel oorspronkelijk. Hij was de eerste die een bos niet als een verzameling bomen zag, maar als een op zichzelf staande eenheid, een geheel waarbinnen de individuen specifieke betrekkingen onderhielden en op elkaar inwerkten; kortom, als iets wat een voorloper was van wat tegenwoordig ecosysteem wordt genoemd.
Onuitputtelijke aarde
Buffon waarschuwde ook al vroeg dat de grondstoffen van de aarde niet onuitputtelijk waren. In zijn essay De la Terre Végétale schreef hij:
De productiecapaciteit van de natuur is zo groot dat de hoeveelheid plantaardige humus overal zou blijven toenemen, als we de aarde niet plunderen en uitputten met onze voorgenomen uitbating ervan, die bijna altijd buitensporig is.
Robert legt uit dat dit een godslasterlijke gedachte was, want hiermee werd de door God gegeven “hoorn des overvloeds” als ontoereikend gezien. Nog erger vanuit het perspectief van het christelijk geloof was dat Buffon concludeerde dat de wereld niet in een keer was geschapen, zoals in de Bijbel staat geschreven, maar dat dit een geleidelijk proces was geweest. Een anonieme recensent beschouwde Histoire Naturelle als ketterij, dat zowel schade toebracht aan God als aan de koning aan wie het was opgedragen.
De Franse wetenschapper ontdekte ook dat soorten niet onveranderlijk waren. Soorten veranderden in de loop der tijd van vorm door zich aan hun omgeving aan te passen. Hoewel de term evolutie toentertijd nog niet de huidige betekenis had, vormden Buffons ideeën wel een voorloper van de later door Darwin geformuleerde evolutietheorie. Linnaeus daarentegen was een creationist en geloofde dat fossielen door God in de grond waren gestopt.

Microben
Buffon wees ook op het bestaan van “een oneindige hoeveelheid organische deeltjes”, waarmee hij doelde op de microben die alleen waarneembaar waren met een microscoop. Linnaeus moest niets weten van het microscopisch kleine. Roberts schrijft:
Hij voerde het af naar het rijk van de Animalia, de orde Vermes (wormen), een genus dat hij Chaos noemde en voor de goede orde een enkele soortaanduiding met dezelfde naam: Chaos chaos.
Intellectuele erfenis
Beide hoofdpersonen stierven voorafgaand aan de Franse revolutie, maar in zijn boek beschrijft Roberts wel hoe er tijdens en na die periode werd omgegaan met hun intellectuele erfenis. Ten tijde van de Franse revolutie en de republiek werd Linnaeus in Frankrijk vereerd en Buffon, vanwege zijn verbintenis met het koningshuis, veracht. “Het ontbreken van hoogdravende taal en het goed te begrijpen classificatiesysteem werden verdedigd als model voor de democratisering van het denken”, schrijft Roberts. Erkenning voor Buffon was er later wel van Charles Darwin. In een addendum bij de vierde editie van Over het ontstaan van de soorten (eerste editie in 1859), noemde hij Buffon…
…de eerste auteur […], in de moderne tijd, die [het ontstaan van de soorten] op wetenschappelijke wijze heeft behandeld.

Herwaardering
Ook al is Roberts kritisch op het racistische en vrouwonvriendelijke gedachtegoed van Linnaeus, een afrekening met hem of een bom onder zijn reputatie is Al wat leeft niet. De Zweed was een man van zijn tijd en zijn wetenschappelijke erfenis legde de basis voor het werk van latere wetenschappers. Niet voor niets wordt zijn nalatenschap in Londen veilig ondergronds bewaard. Roberts weet een fascinerend beeld te schetsen van Linnaeus’ markante persoonlijkheid en van zijn groei van kleine naar grote botanicus.

De auteur weet wetenschappelijke onderwerpen duidelijk uit te leggen. Hij houdt de aandacht van de lezer erbij door de wetenschappelijke feiten af te wisselen met vermakelijke historische anekdotes, fraaie citaten en interessante biologische wetenswaardigheden. Alleen in de laatste hoofdstukken, die zich afspelen in de tijd na het overlijden van de twee hoofdpersonen, raak je als lezer wat overspoeld door de vele namen van de wetenschappers die in de voetsporen van Linnaeus en Buffon tot nieuwere inzichten kwamen. Echter, in het slot brengt de schrijver de wetenschap van de achttiende en eenentwintigste eeuw meesterlijk samen. Het boek is voorzien van vele illustraties, eindnoten en een bronnenlijst. Ook het vertaalwerk van Edzard Krol verdient een pluim, evenals het fraaie ontwerp van omslag en binnenwerk.

Carolus Linnaeus (1707-1778) – Zweedse arts en plantkundige
De ontdekking van de natuur
De oorsprong der soorten – On the Origin of Species
Alfred Russel Wallace, die andere evolutiegeleerde
Charles Darwin – Vader van de evolutietheorie