De Khoikhoi: het vergeten fundament van de Kaap

14 minuten leestijd
Khoikhoi bouwen een hut Jan Caspar Philips, 1727 (Rijksmuseum)

Toen de Nederlanders in 1652 aan de Kaap aankwamen, troffen zij geen leeg landschap, maar een regio die al eeuwenlang werd gevormd door de Khoikhoi: veehouders die de kustvlakten beheersten en handelsnetwerken onderhielden die ouder waren dan elke Europese aanwezigheid. Toch werden zij later in koloniale geschiedschrijving weggezet als “primitief”.

Op 23 maart 2026 werd die vergeten geschiedenis opnieuw zichtbaar in Steinkopf, waar drieënzestig Khoikhoi‑ en San‑voorouders — in de negentiende en vroege twintigste eeuw uit hun graven gehaald en naar musea verscheept — eindelijk een waardige rustplaats kregen. De ceremonie, door president Cyril Ramaphosa omschreven als een correctie op praktijken “geworteld in racisme”, werd door betrokkenen gezien als meer dan een ritueel: een moment waarop een langere geschiedenis zichtbaar werd. Wie de vroege geschiedenis van de Kaap wil begrijpen, kan in feite niet om de Khoikhoi heen.

Een wereld vóór de VOC

Khoikhoi in traditionele kleding
Khoikhoi in traditionele kleding
Al zo’n tweeduizend jaar vóór de komst van de VOC vestigden herders zich in het zuidwesten van het huidige Zuid‑Afrika. Zij ontwikkelden een uitgesproken pastorale levenswijze, met kuddes als bron van rijkdom, status en politieke macht. De naam die zij zichzelf gaven — Khoikhoi, “mensen van mensen” — weerspiegelde hun eigen waardigheid en identiteit en werd later bewust gebruikt als tegenhanger van het koloniale label “Hottentot”, een term die voortkwam uit misverstanden over hun taal en inmiddels als beledigend wordt beschouwd.

Hun samenleving draaide om mobiliteit. Seizoensgebonden trekpatronen, lichte hutten en draagbare voorwerpen maakten die beweging mogelijk. De kustvlakten waren geen niemandsland, maar een door en door georganiseerd landschap waarin water, weidegrond en verwantschap de sociale orde bepaalden.

De San, jagers-verzamelaars die in kleinere, mobiele groepen leefden, vormden samen met de Khoikhoi de brede culturele familie die wij vandaag de dag “Khoisan” noemen, een term die pas in de twintigste eeuw werd gemunt, maar die verwijst naar eeuwenoude verwantschap. Beide groepen onderhielden handelscontacten met de Nama in het noorden en de Xhosa in het oosten. De komst van Europese schepen vanaf de zestiende eeuw betekende dan ook geen begin van handel, maar de uitbreiding van een bestaand systeem.

Hun kampementen weerspiegelden de centrale rol van vee binnen hun samenleving: een kraal voor het rundvee in het midden, daaromheen de hutten van het opperhoofd en zijn familie, en kleinere omheiningen voor schapen en geiten. Oorlogvoering draaide niet om territorium, maar om het veroveren van vee — vaak via hinderlagen en snelle verrassingsaanvallen. Deze logica bepaalde ook hun omgang met de Nederlanders: wie het vee controleerde, controleerde de relatie.

Jan van Riebeeck landt in Tafelbaai in 1652
Jan van Riebeeck landt in Tafelbaai in 1652 – Werk uit circa 1850 van Charles Bell.

Autshumato: diplomaat van de Tafelbaai

Al vóór de komst van de Nederlanders hadden de Khoikhoi ervaring met Europese schepen. Vanaf de late vijftiende eeuw deden Engelse en Portugese vaarders de Kaap regelmatig aan om water, voedsel en vee in te slaan. Zij vestigden zich niet aan de kust, maar dreven korte handelscontacten en voeren vervolgens verder. Voor de Khoikhoi waren Europese bezoekers daardoor geen onbekend fenomeen toen de VOC in 1652 een permanente post stichtte.

Jan van Riebeeck
Jan van Riebeeck
De komst van de VOC betekende voor het eerst een permanente Europese aanwezigheid aan de Kaap. De eerste groep waarmee de Nederlanders in 1652 in aanraking kwamen, waren de Goringhaikonas, door Jan van Riebeeck ook wel “Saldaniërs” of “Strandlopers” genoemd. Zij leefden vooral van visvangst en handel en waren strategisch gepositioneerd aan de Tafelbaai, waar Europese schepen al generaties lang aanlegden. Hun leider was Autshumato — door Nederlanders “Herry” of “Harry” genoemd — die in de orale tradities van de Kaap bekendstaat als een centrale figuur in de vroege contacten.

Volgens het Camissa Museum was Autshumato de eerste Zuid‑Afrikaan die Engels sprak, de eerste die een internationale reis maakte — naar Bantam op Java — en een opgeleide tolk in dienst van de Engelsen. Zijn kennis van Europese handel en diplomatie stelde hem in staat een tussenhandel op te zetten tussen passerende schepen en omliggende Khoikhoi‑stammen. Daarmee werd hij een belangrijke schakel in de eerste decennia van contact aan de Kaap.

Koloniale blikken en veranderende toon

De zeventiende‑eeuwse bronnen over de Khoikhoi zijn schaars en sterk gekleurd. Van Riebeeck beschreef de Goringhaicona op 10 april 1652 nog als “seer fraye ende fluxe mannen”, maar twee weken later als mensen met “magere lichamen ende hongerige buijcken”. Die omslag zegt vooral iets over de frustraties van de kolonisten, die vaste handel wilden afdwingen in een samenleving die haar eigen voorwaarden stelde.

Autshumato stond daarbij in het centrum van de spanningen. Hij was de poortwachter van de handel, de man die bepaalde wie toegang kreeg tot welke stam en tegen welke prijs. Voor de VOC was dat onacceptabel. Voor de Khoikhoi was het een logische voortzetting van hun eigen politieke economie.

Krotoa (Eva van Meerhoff)
Krotoa (Eva van Meerhoff), 1652
Ook Krotoa, Autshumato’s nichtje, werd een sleutelpersoon in de vroege Kaapse jaren. Als jonge vrouw in het huishouden van Van Riebeeck bewoog zij zich tussen twee werelden. Ze sprak meerdere talen, doorzag politieke gevoeligheden en voorkwam misverstanden die anders tot geweld hadden kunnen leiden. Waar Autshumato de handel stuurde, zorgde Krotoa voor stabiliteit, een rol die in koloniale bronnen vaak is onderschat. Haar rol laat zien hoezeer de vroege Kaap afhankelijk was van individuele tolken die de culturele en politieke kloof konden overbruggen.

Botsende economieën

De uitbreiding van de VOC‑post leidde al snel tot spanningen: land werd geclaimd, waterbronnen afgesloten en de mobiliteit van de Khoikhoi kwam onder druk. De Khoikhoi waren nomadische veehouders. Zij trokken van weide naar weide, afhankelijk van seizoenen en water. De uitbreiding van de VOC-post, en later van boerderijen en akkers, betekende dat vruchtbare graaslanden werden omgeploegd tot landbouwgrond. In Van Riebeecks dagregister lezen we hoe de relatie snel verslechterde: vee werd teruggehaald of gestolen, gewassen werden vernield en boeren werden soms verjaagd.

Van Riebeecks houding was vooral pragmatisch: hij streefde naar stabiliteit en handel en handelde doorgaans situationeel in plaats van ideologisch. Geweld was voor hem een middel, geen doel. Zijn omgang met de Khoikhoi varieerde per situatie en per stam: respect voor de machtige Cochoqua, wantrouwen tegenover de Kaapse groepen, en afhankelijkheid van tolken als Harry en Eva (Krotoa).

De koloniale aanwezigheid bedreigde direct de economische basis van de Khoikhoi en daarmee hun politieke macht. De komst van hekken, gewapende wachters en vaste nederzettingen botste met een samenleving die juist afhankelijk was van mobiliteit. Latere koloniale schrijvers beschreven deze conflicten als botsingen tussen ‘beschaving’ en ‘primitiviteit’. Historici wijzen er echter op dat de kern van de spanningen lag in twee verschillende economische systemen.

Hedendaags Robbeneiland, gezien vanaf de Tafelberg
Hedendaags Robbeneiland, gezien vanaf de Tafelberg (CC BY-SA 3.0 – PHParsons – wiki)

Autshumato’s verzet

In 1658 bereikte de spanning een hoogtepunt. Van Riebeeck beschuldigde Autshumato van diefstal en “verraad”, een beschuldiging die waarschijnlijk meer te maken had met politieke frustratie dan met een concreet misdrijf. Autshumato werd gearresteerd en naar Robbeneiland verbannen, waar hij onder zware omstandigheden gevangen werd gehouden.

Autshumato wist echter opnieuw invloed uit te oefenen. Hij wist te ontsnappen door met een groep volgelingen in een kleine boot de gevaarlijke overtocht naar het vasteland te maken. Het was een van de vroegst gedocumenteerde ontsnappingen uit de beruchte gevangenis, en hij werd gezien als iemand die zich verzette tegen VOC‑gezag.

Na zijn ontsnapping keerde hij terug naar het vasteland, waar hij opnieuw een rol speelde in de handel en diplomatie. Zijn positie was verzwakt, maar niet verdwenen. Tot zijn dood in 1663 bleef hij een invloedrijk figuur, een man die de logica van koloniale macht doorzag en probeerde te navigeren in een wereld die snel veranderde.

De Eerste Khoikhoi-oorlog (1659–1660)

Toen de handel met de Kaapse Khoikhoi vastliep, richtten de Nederlanders zich op de machtige Cochoqua in het noordwesten. Onder het gezag van de oude Oedasoa — en later de invloedrijke Gonnema — beschikten zij over grote kuddes en een sterkere politieke structuur. De verschuiving van handel naar deze inlandse stam ondermijnde de positie van de Kaapse Khoikhoi en droeg rechtstreeks bij aan de spanningen die in 1659 zouden escaleren.

Tussen 1657 en 1659 ontstond een economische patstelling rond de Kaap. De Kaapse Khoikhoi, aangevoerd door Harry en later Doman, blokkeerden de toegang tot vee en weidegronden. De kolonie, nog kwetsbaar en afhankelijk van lokale handel, raakte hierdoor in acute problemen. Van Riebeeck reageerde pragmatisch: hij zocht nieuwe handelsroutes, versterkte de verdediging en probeerde tegelijk de vrede te bewaren. De blokkade vormde de directe opmaat naar de eerste Khoi‑Nederlandse oorlog.

Khoikhoi bij een kraal met hun vee - Jan Caspar Philips, 1727
Khoikhoi bij een kraal met hun vee – Jan Caspar Philips, 1727 (Rijksmuseum)
In 1659 brak onder leiding van Doman de eerste Khoikhoi‑oorlog uit. Doman kende de zwakke plekken van de VOC: hun afhankelijkheid van ploegdieren en het falen van musketten in regenachtig weer. De Khoikhoi voerden een vorm van guerrillaoorlog die de kolonisten verraste: geïsoleerde boerderijen werden aangevallen, ossen geroofd en akkers vernield.

De oorlog eindigde niet door een VOC‑overwinning, maar door onderhandelingen. De Khoikhoi klaagden dat de Nederlanders “elke dag land innamen dat hen sinds onheuglijke tijden toebehoorde”, een waarschuwing die de VOC negeerde.

De Tweede Khoikhoi-oorlog (1673–1677)

Een generatie later laaide het conflict opnieuw op, ditmaal onder leiding van Gonnema, de kapitein van de machtige Cochoqua. De VOC beschuldigde hem van diefstal, maar Gonnema wist jarenlang stand te houden. Hij viel VOC-expedities aan, ontweek grote confrontaties en gebruikte zijn kennis van het terrein om de koloniale troepen te frustreren.

De VOC moest meerdere veldtochten organiseren, bondgenootschappen sluiten met rivaliserende Khoikhoi-groepen en zelfs soldaten uit Batavia laten komen. Pas na jaren van strijd werd Gonnema gedwongen tot vrede, maar hij bleef een leider met aanzien, en zijn volk bleef een factor van betekenis.

Een broos evenwicht

Na de vrede met Gonnema in 1677 leek er een nieuw evenwicht te ontstaan tussen de Khoikhoi en de VOC. De VOC erkende dat zij de Khoikhoi niet eenvoudig kon onderwerpen en ze afhankelijk bleven van de lokale arbeid, handel en kennis. De Khoikhoi daarentegen beseften dat de Nederlanders niet meer zouden vertrekken. Handel bleef mogelijk, maar vond steeds vaker plaats op voorwaarden die door de VOC werden bepaald en dat maakte het evenwicht broos.

De koloniale landbouw breidde zich uit, nieuwe boerderijen verrezen langs rivieren en valleien die eeuwenlang door Khoikhoi groepen waren gebruikt. De VOC begon bovendien systematisch gebruik te maken van Khoikhoi-arbeid. Sommige groepen sloten contracten om als veedrijvers of soldaten te werken, anderen raakten afhankelijk van loon in tabak, alcohol of kleding.

Deze ontwikkelingen leidden tot een situatie waarin de positie van de Khoikhoi geleidelijk verzwakte. De Khoikhoi bleven mobiel, maar hun bewegingsruimte werd kleiner. Zij bleven politiek georganiseerd, maar hun leiders moesten steeds vaker onderhandelen vanuit een positie van zwakte.

Begrafenis van een Khoikhoi - Jan Caspar Philips, 1727
Begrafenis van een Khoikhoi – Jan Caspar Philips, 1727 (Rijksmuseum)

Pokken: de catastrofe van 1713

De pokkenepidemie van 1713 was een ramp zonder precedent. Voor de Khoikhoi, die geen immuniteit hadden opgebouwd, betekende het virus een demografische instorting. Binnen maanden stierven hele dorpen uit; leiders verloren hun volgelingen en kuddes, families hun sociale vangnet. VOC‑archieven spreken van “ontelbare doden”. De epidemie vernietigde de sociale structuur waarop de pastorale samenleving was gebouwd. Sommige groepen verdwenen volledig uit de bronnen. Anderen vluchtten naar het binnenland, waar zij opnieuw werden getroffen door besmetting die zich via handelsroutes verspreidde.

De epidemie van 1713 was niet de laatste. Nieuwe uitbraken volgden in 1755 en 1767. Elke golf verzwakte de Khoikhoi verder, terwijl de koloniale bevolking bleef groeien. De demografische verhoudingen kantelden, en daarmee ook de machtsverhoudingen.

In de nasleep van de epidemieën ontstonden nieuwe gemeenschappen van Khoikhoi, ontsnapte tot slaaf gemaakten en andere overlevenden. Deze groepen — later aangeduid als “Bastaards”, “Goringhaicona” of “Griqua”, een historische term voor gemengde gemeenschappen — ontwikkelden een eigen identiteit, met mengtalen, vuurwapens en Europese kleding, maar met blijvende elementen van Khoikhoi‑cultuur. Zij waren tegelijk nuttig en lastig voor de VOC: inzetbaar als veedrijvers en soldaten, maar moeilijk te controleren.

De frontier schuift op

In de loop van de achttiende eeuw trokken steeds meer kolonisten — de zogeheten trekboeren — het binnenland in op zoek naar graasland. Zij vestigden zich langs rivieren en valleien die eeuwenlang door Khoikhoi waren gebruikt. De frontier was geen randgebied, maar een zone van voortdurende spanning. Boeren beschuldigden Khoikhoi van veediefstal; Khoikhoi klaagden dat boeren hun waterbronnen inpalmden. De VOC probeerde soms te bemiddelen, maar had niet genoeg mensen om de frontier effectief te controleren.

Khoikhoi die zijn akker bewerkt - Jan Caspar Philips, 1727
Khoikhoi die zijn akker bewerkt – Jan Caspar Philips, 1727

De frontier werd onrustig. Overvallen, vergeldingsacties en lokale conflicten volgden elkaar snel op. Sommige Khoikhoi-groepen sloten zich aan bij boeren als loonarbeiders of bondgenoten; anderen trokken zich terug in moeilijk bereikbare gebieden en bleven hun onafhankelijkheid verdedigen.

Verzet in de achttiende eeuw

Hoewel de Khoikhoi in de achttiende eeuw zwaar waren getroffen door ziekte en landverlies, verdwenen zij niet uit het koloniale landschap. Integendeel: zij bleven zich verzetten, soms openlijk, soms verborgen. In de jaren 1770 en 1780 waren er meerdere opstanden en gewapende confrontaties. Khoikhoi-leiders klaagden bij de VOC over mishandeling door boeren, over onrechtmatige landroof en over het feit dat hun kinderen als contractarbeiders werden vastgehouden.

Veel Khoikhoi zochten nieuwe bondgenootschappen, onder meer aan de oostgrens. Anderen vormden mobiele bendes die vee roofden van kolonisten — een praktijk die in koloniale bronnen vaak werd beschreven als diefstal, maar die door historici wordt geplaatst in de context van verlies van bestaansmiddelen.

De opstanden van 1799–1801

De jaren rond 1800 vormden een keerpunt. De VOC was verzwakt, de koloniale administratie wankelde en de frontier aan de oostgrens stond in brand. In deze context braken de Khoikhoi-opstanden van 1799 en 1801 uit — de grootste gewapende opstanden van Khoikhoi sinds de zeventiende eeuw. Deze opstanden waren geen spontane uitbarstingen, maar het resultaat van jarenlange frustratie. Khoikhoi-arbeiders klaagden over mishandeling door boeren, over het feit dat hun kinderen als contractarbeiders werden vastgehouden en over de voortdurende inperking van hun bewegingsvrijheid.

Toen de Britse overheersing in 1795 tijdelijk werd ingevoerd, zagen sommigen een kans om hun positie te verbeteren. In de oostelijke grensgebieden sloten Khoikhoi-groepen zich aan bij Xhosa-gemeenschappen. Samen vielen zij boerderijen aan, heroverden vee en daagden zij de koloniale orde uit. De opstanden werden uiteindelijk neergeslagen, maar zij toonden aan dat de Khoikhoi nog steeds in staat waren tot collectieve actie en dat zij hun onderwerping nooit volledig hadden geaccepteerd.

‘De komst van Europese schepen vanaf de zestiende eeuw betekende geen begin van handel, maar de uitbreiding van een bestaand systeem.’

Vrijheid op papier, afhankelijkheid in de praktijk

Toen de Britten in 1806 definitief de macht aan de Kaap overnamen, veranderde de juridische positie van de Khoikhoi. De Britten schaften de meest extreme vormen van contractarbeid af en voerden in 1828 de beroemde Ordinance 50 in, die Khoikhoi formeel gelijke burgerrechten gaf.

Op papier betekende dit dat zij vrij waren om te reizen, contracten te sluiten en land te bezitten. In de praktijk bleven zij echter afhankelijk van koloniale werkgevers, omdat zij nauwelijks toegang hadden tot land en middelen. De sociale en economische schade van de achttiende eeuw was te groot om met één wet te herstellen.

Veel Khoikhoi trokken naar missieposten, waar zij onderwijs kregen en een zekere bescherming vonden. Anderen sloten zich aan bij gemengde gemeenschappen zoals de Griqua, die in de negentiende eeuw een belangrijke rol zouden spelen in de politiek van het binnenland. Maar de traditionele Khoikhoi-samenleving — gebaseerd op kuddes, mobiliteit en autonome kapteins — was onherstelbaar veranderd.

Hoe de Khoikhoi uit de geschiedenis verdwenen

Saartjie Baartman, lithograaf uit 1815
Saartjie Baartman, lithograaf uit 1815
In de negentiende en twintigste eeuw werden de Khoikhoi steeds vaker voorgesteld als een “verdwenen volk”. Koloniale historici beweerden dat zij “uitstierven” of “opgingen in de gekleurde bevolking”, een narratief dat vooral diende om koloniale landroof te legitimeren. In werkelijkheid leefden hun nazaten voort in talloze gemeenschappen, van de Griqua‑staten tot stedelijke arbeiderswijken. Hun taal en culturele praktijken verdwenen niet, maar kregen nieuwe vormen.

Maar in de officiële geschiedschrijving werden zij gereduceerd tot voetnoten. De nadruk kwam te liggen op de “grote” conflicten tussen Europeanen en Bantu-sprekende volken. De oorlogen van Doman en Gonnema verdwenen uit het collectieve geheugen, net als de rol van Autshumato als diplomaat en politieke speler.

Het lot van Saartjie Baartman, een jonge Khoikhoi‑vrouw die in 1810 naar Europa werd gebracht en daar als curiositeit werd tentoongesteld, laat zien hoe diep de ontmenselijking van Khoikhoi‑lichamen in de Europese wetenschap was verankerd. Onder de naam “Hottentot Venus” werd zij in Londen en Parijs publiek geëxploiteerd, haar lichaam geobserveerd, gemeten en geclassificeerd door onderzoekers die meenden dat zij bewijs leverde voor raciale hiërarchieën. Na haar dood in 1815 werden haar resten bewaard in het Musée de l’Homme in Parijs, waar zij meer dan anderhalve eeuw bleven liggen. Pas in 2002 keerden haar stoffelijke resten terug naar Zuid‑Afrika, waar zij aan de Oost‑Kaap werd herbegraven.

Begraafplaats Saartjie Baartman
Begraafplaats Saartjie Baartman (CC BY-SA 4.0 – Albert~nlwiki – wiki)

Steinkopf 2026: waardigheid hersteld

Tegen deze achtergrond krijgt de repatriatie van 2026 een diepe betekenis. De drieënzestig voorouders die in Steinkopf werden herbegraven, waren niet zomaar individuen. Zij waren mensen die ooit deel uitmaakten van de gemeenschappen die de Kaap vormden, mensen die leefden in de wereld van Autshumato, Doman en Gonnema.

Dat hun lichamen in de negentiende en vroege twintigste eeuw uit hun graven werden gehaald en, net als Baartman, naar Europese musea werden verscheept, stond in het teken van koloniale machtsverhoudingen. Het was een voortzetting van dezelfde koloniale logica die hun land had afgenomen, hun politieke structuren had verzwakt en hun geschiedenis had gemarginaliseerd. De schedels en botten die in vitrines en opslagruimtes belandden, werden gebruikt om raciale theorieën te onderbouwen die de koloniale orde moesten legitimeren.

De herbegrafenis van 63 voorouders in Steinkopf in 2026 was meer dan een ritueel. De herbegrafenis werd door betrokkenen gezien als een herstel van waardigheid en als een symbolische terugkeer van een geschiedenis die lang is genegeerd. De lichamen die ooit naar Europese musea waren verscheept, keerden terug naar het land dat hun gemeenschappen eeuwenlang had gevormd. Daarmee werd niet alleen een reis afgesloten, maar ook een vergeten fundament zichtbaar gemaakt.

Reportage over de herbegrafenis in Steinkopf (2026)

Een vergeten fundament opnieuw zichtbaar

De repatriatie maakte zichtbaar dat de geschiedenis van de Khoikhoi geen verhaal is van een verdwenen volk, maar van gemeenschappen die zich aanpasten aan veranderende omstandigheden en in uiteenlopende vormen bleven bestaan. Van de eerste ontmoetingen met Europese schepen tot de opstanden aan het einde van de achttiende eeuw, en van de verwoestende pokkenepidemieën tot de opkomst van gemengde gemeenschappen, bewogen de Khoikhoi mee met een snel veranderende wereld. Hun geschiedenis speelde een belangrijke, maar lang onderbelichte rol in de ontwikkeling van de Kaapkolonie en daarmee in de vroege geschiedenis van Zuid‑Afrika, een rol die door de repatriatie opnieuw duidelijk naar voren kwam.

Bronnen en meer informatie

Bronnen
– Africanews, ‘Dignity restored’: Remains of 63 Khoisan people reburied in South Africa, https://www.africanews.com/2026/03/23/dignity-restored-remains-of-63-khoisan-people-reburied-in-south-africa/ (Geraadpleegd 1 mei 2026).
– Boonzaier, Emile., The Cape Herders: A History of the Khoikhoi of Southern Africa. Cape Town, Athens, OH: D. Philip; Ohio University Press 1997.
– Camissa Museum, Autshumao, https://camissamuseum.co.za/index.php/7-tributaries/1-cape-indigenous-africans/autshumao (Geraadpleegd 1 mei 2026).
– Isaac Schapera, The Khoisan Peoples of South Africa: Bushmen and Hottentots. London: Routledge & Kegan Paul, 1930.
– Jacops, W.Fbas Jan van Riebeeck en de Khoikhoi; een onderzoek naar de omgang van de eerste Nederlandse commandeur aan de Kaapkolonie met de inheemse Khoikhoi (1652-1662) (Bachelorscriptie aan de Universiteit Utrecht, 2015). https://studenttheses.uu.nl/handle/20.500.12932/20285
– Jan van Riebeeckmuseum
– Marks, Shula. “Khoisan Resistance to the Dutch in the Seventeenth and Eighteenth Centuries.” The Journal of African History 13, no. 1 (1972): 55–80. http://www.jstor.org/stable/180967.
– South African Government News Agency, Reburial of Khoi San ancestral remains opens path for healing https://www.sanews.gov.za/south-africa/reburial-khoi-san-ancestral-remains-opens-path-healing (Geraadpleegd 1 mei 2026).
– South Africa History Online, Establishment of the Cape and its impact on Khoikhoi and Dutch, https://sahistory.org.za/article/establishment-cape-and-its-impact-khoikhoi-and-dutch (Geraadpleegd 1 mei 2026).
– South Africa History Online, Khoisan, https://sahistory.org.za/article/khoisan (Geraadpleegd 1 mei 2026).
– Restitution Matters, South Africa reburies Khoisan remains returned from Europe and South Africa, https://restitutionmatters.org/news-item/south-africa-reburies-khoisan-remains-returned-from-europe-and-south-africa/ (Geraadpleegd 1 mei 2026).
– Wikipedia, Khoekhoe, https://en.wikipedia.org/wiki/Khoekhoe (Geraadpleegd 1 mei 2026).
– Wikipedia, Sarah Baartman, https://en.wikipedia.org/wiki/Sarah_Baartman (Geraadpleegd 1 mei 2026).

Meer informatie
– Jan van Riebeeckmuseum

×