Zowel Alice’s Adventures in Wonderland en Through the Looking-Glass, and What Alice Found There werden geschreven door Lewis Carroll, respectievelijk in 1865 en 1871. Lewis Carroll is de schrijversnaam van Charles Lutwidge Dodgson (1832-1898), die niet alleen auteur maar ook docent wiskunde was aan Christ Church, de universiteit te Oxford. Daarnaast was hij ook diaken bij de Anglicaanse Kerk en fotograaf. Als fotograaf portretteerde hij vaak jonge kinderen, wat deel uitmaakt van het debat na zijn dood of hij een pedofiel zou geweest zijn.
Charles Lutwidge Dodgson zou niet gezegend geweest zijn met de beste gezondheid en zou mogelijks inspiratie uit eigen ervaringen geput hebben bij het schrijven van Alice haar avonturen. Sommige onderzoekers leggen daarbij een verband met het zogeheten ‘Alice in Wonderland-syndroom’. In 1955 werd die benaming voor het eerst gebruikt door psychiater John Todd, al werden kenmerken van het syndroom al in 1887 bij patiënten beschreven. Hierbij worden zintuiglijke vervormingen (metamorfopsieën) waargenomen, zoals het zien van objecten als vergroot of verkleind of het waarnemen van het lichaam als groter of kleiner.

Charles Lutwidge Dodgson als wiskundige
Als wiskundige hield Dodgson zich bezig met geometrie, matrices en logica. Hij schreef een verhandeling over de beweringen van de Griekse wiskundige Euclides, die rond 300 voor Christus leefde, en herschreef enkele van diens werken over geometrie voor schoolgaande jongeren. Daarnaast verdedigde hij de klassieke meetkunde en probeerde hij die populair te maken, in een periode waarin niet-euclidische geometrische technieken steeds meer in opkomst waren.
Enkele wiskundige boeken van Dodgsons hand zijn A Syllabus of Plain Algebraical Geometry en Euclid and His Modern Rivals. Daarnaast hield de Brit zich bezig met determinanten en vergelijkingen. Daarover publiceerde hij ook een boek, namelijk An Elementary Treatise of Determinants.

Deze woordpuzzels werden zeer populair en er werden dan ook een aantal boekjes gepubliceerd door Macmillan and co, zoals Doublets, A Word-Puzzle by Lewis Carroll (1879, Londen). Een voorbeeld van een doublet is de volgende, uit het hiervoor genoemde boek waarbij ‘head’ wordt getransformeerd naar ‘tail’:
heal
teal
tell
tall
TAIL
Alice in Wiskundeland
Charles Lutwidge Dodgson schreef niet zomaar verhaaltjes voor kinderen. Hij liet zich daarbij ook inspireren door zijn werk als wiskundige en de opkomst van de abstracte wiskunde in zijn Victoriaanse leefomgeving. De onzinnige logica in Alices avonturen zijn een uiting van de interesse van de auteur in mathematische logica en zijn werk op dat gebied. Wonderland wekt de indruk een chaotisch land te zijn, aangezien wiskundige bewerkingen als vermenigvuldigen, delen, optellen en aftrekken er geen voorspelbare uitkomsten lijken te hebben. Wel lijken andere abstracte wiskundige structuren bewaard te zijn gebleven.
In zijn fictiewerken zijn ook verschillende logische ‘grapjes’ terug te vinden. Voorbeelden hiervan zijn de spot die hij drijft met zogeheten quaternionen tijdens een theefeestje en de onthoofding van de Cheshire Cat. Alice’s Adventures in Wonderland was voor Dodgson waarschijnlijk ook een manier om kritiek te uiten op de wiskundige vernieuwingen die tijdens zijn leven opkwamen.

Een voorbeeld hiervan is de Mad Tea Party en de verwijzing naar quaternionen, een negentiende-eeuws wiskundig systeem om rotaties en bewegingen te beschrijven. Aan tafel zitten drie figuren: de Hoedenmaker, de Maartse Haas en de Zevenslaper. Zij stellen drie termen van een quaternion voor, terwijl het belangrijkste element ontbreekt: Tijd. Zonder Tijd kan het trio de tafel niet verlaten, aangezien het altijd theetijd is en de klok stilstaat. Daarom moeten de personages telkens opschuiven om uit een proper kopje en bord te kunnen eten en drinken. Alice kan hier niets aan veranderen, omdat zij geen buitenruimtelijk element zoals Tijd vertegenwoordigt. De voortdurende verschuiving rond de tafel symboliseert zo een oneindige rotatie in een vlak.

Daarnaast bestaan er ook meeteenheden, zoals een mijl, en kunnen de inwoners kwantitatief meten (hoewel je er een vraagteken bij kan plaatsen hoe goed ze hier in zijn, aangezien de Koningin op een bepaald moment beweert dat Alice waarschijnlijk bijna twee mijl groot is). Tenslotte beseffen de bewoners van Wonderland dat negatieve getallen geen hoeveelheden van tijd, ruimte, of meting kunnen weergeven. Er blijft dus een besef bestaan van hoe getallen zich tot elkaar verhouden en hoe ze op voorspelbare wijze kunnen worden toegepast in het dagelijkse, ietwat vreemde leven van Wonderland.
Doordat de denkwijze van Alice niet altijd overeenkomt met die van de inwoners van Wonderland, kreeg Dodgson de kans om woordspelingen, taalspelletjes en logica in zijn verhalen te verwerken. Hij is er uitstekend in geslaagd om Wonderland neer te zetten als een land vol nonsens, die weliswaar verklaard kan worden en uiteindelijk minder onlogisch blijkt dan op het eerste gezicht lijkt…
De onderliggende wiskundige redeneringen hoef je niet te kennen om van het verhaal te kunnen genieten: uiteindelijk blijft het vooral een sterk opgebouwde droom die Alice beleeft. Die tweede laag geeft haar avonturen in Wonderland echter wel een extra dimensie.
Alice Liddell, het meisje achter ‘Alice in Wonderland’
Het verhaal van Alan Turing
Fibonacci (ca. 1170-1250) – Italiaanse wiskundige
Het gebroken oog van Horus