Komisch geleerd: leuke klassieke achternamen uit de 16e eeuw

4 minuten leestijd
Grafmonument van Johannes van Kerckhove (Polyander) in de Sint-Pieterskerk in Leiden
Grafmonument van Johannes van Kerckhove (Polyander) in de Sint-Pieterskerk in Leiden - Foto: Tom Dieusaert

In de Sint-Pieterskerk in Leiden kregen heel wat beroemdheden uit de zestiende en zeventiende eeuw hun laatste rustplaats. Dan denken we aan theoloog en diplomaat Filips van Marnix van Sint-Aldegonde en de plantkundigen Charles l’Ecluse en Rembert Dodoens. Moeten de meesten zich tevreden stellen met een afgesleten grafzerk of een gedenkplaat, de onbetwiste ster onder de in de eeuwigheid ontslapenen, is ongetwijfeld Johannes van Kerckhove, ook bekend als “Polyander”.

polyander
Polyander is de onbetwiste ster van de Sint-Pieterskerk te Leiden – Foto: Tom Dieusaert
In een vleugel van de grote Sint-Pieterskerk ligt hij een super-relaxte siësta te slapen, terwijl een koddige Rubensiaanse putto tranen met tuiten staat te huilen.

Het grafmonument is van de zeventiende-eeuwse Mechelse beeldhouwer Rombout Verhulst, die een patent had op dit soort grafmonumenten. Het beeld heeft dan ook een Zuid-Nederlandse flair die men niet meteen zou thuisbrengen in een calvinistische tempel. Deze Kerckhove jr. zelf was blijkbaar ook een flamboyante figuur met Gentse wortels. Hij was de zoon van een gelijknamige predikant die zich ook Polyander liet noemen. Wat mij vooral fascineerde, is hoe die man aan zijn naam was geraakt: Polyander staat voor ‘vele mannen’ in het Grieks, en waar liggen vele mannen? Op het kerkhof! Van de Kerckhove dus.

Je moet er maar opkomen, maar in de humanistische periode waar iedereen die zich een academisch niveau wilde aanmeten, was deze vergriekste achternaam blijkbaar een must. “Trek me uit de Vlaamse klei”, zong Raymond van het Groenewoud (Prasinodasus) en dan zie je meteen hoe dat een zekere Joost Lips uit Overijse niet met roepnaam ‘de Lippes’ bekend staat, maar als Justus Lipsius. Dat Joost in het Latijn ineens ook ‘rechtvaardig’ wordt, kwam goed uit voor deze beroemde classicus en neo-stoïcijn.

Een nauwe vriend van Lipsius, Abraham Wortels of Ortels heette dan weer Ortelius. De gemeenschappelijke vriendenkring van de twee bovengenoemden puilde verder uit van geleerde namen, want niet iedereen mocht zomaar iets tekenen in hun Liber Amicorum of het zestiende-eeuws poëziealbummetje, tenzij ze vlotjes in het Latijn, Grieks of Hebreeuws schreven.

Het Liber Amicorum van Ortelius

Dat Ortelius’ neef Jacob van Meteren, zijn middelbare niet had afgemaakt en geen Latijn machtig was, werd door de vingers gezien, maar toch tekende hij met Demetrius Antwerpianus, niet alleen een klassieke naam maar ook een verwijzing naar een Griekse godin. En een andere goede vriend van Van Meteren – Johan Rademacher uit Aken – werd Rotarius, zonder enig verband met een vandaag alom bekende serviceclub. Een vriend uit het netwerk van Ortelius, Korneel De Schrijver uit Aalst, transformeerde zich dan weer tot Cornelius Grapheus Scribonius.

Bonaventure de Smet of kortweg: Vulcanius
Bonaventure de Smet of kortweg: Vulcanius
En wat dacht u van de Brugse humanist Bonaventure de Smet. Toen deze professor werd in Leiden, ontpopte hij zich tot ‘Vulcanius’. Immers, de Smet is synoniem voor ‘smid’ (ter info: in het West-Vlaams wordt de ‘i’ als een ‘e’ uitgesproken) en Vulcanus was de goddelijke smid die de bliksems smeedde voor oppergod Jupiter.

Verder in het Liber Amicorum van Ortelius: Een zekere Paepe werd Papius, Jan van Gorp werd Goropius (Becanus) en de vaste vertaler van de drukkerij Plantin, Cornelis Kiliaan, nam zichzelf de naam aan van een Romeinse consul: Quilianus. Andere leuke namen uit die periode van de zestiende-eeuw: De Duitse geleerde uit Heidelberg Wilhelm Holzmann liet zich Guilielmus Xylander noemen, want ‘xylo’ betekent hout in het Grieks, getuige de woorden ‘xylografie’ of ‘xylofoon’. En als je Peter Van den Bergh heette, klonk Petrus Montanus toch ook een stuk eleganter.

Het mag allemaal in onze eenentwintigste-eeuwse oren wat pretentieus en pompeus klinken, maar deze classicistische namen hadden in de zestiende eeuw hun praktisch nut: Ze waren een stuk korter dan de echte namen en voor buitenlanders makkelijker uit te spreken en te onthouden, zeker in de academische wereld waar de lingua franca het Latijn was.

Jodocus Hondius
Het ex-libris van drukker Jodocus Hondius: Excusum sub cani vigilanti (‘Geschreven onder het waakzame oog van de hond’)

Cartografen

Niet alleen professoren aan de Leuvense of Leidse universiteit maten zich een klassieke naam aan: Ook zestiende-eeuwse predikanten en cartografen sprongen op de humanistische trein: zij werden immers ook als geleerde mannen beschouwd.

Jodocus Hondius met een van zijn beroemde globes
Jodocus Hondius met een van zijn beroemde globes
We denken op de eerste plaats aan het alter ego van ene Gerard de Creemer (‘kramer’ of ‘handelaar’) die bekend werd als Mercator. Een collega-cartograaf (en predikant) uit West-Vlaanderen had zo mogelijk een nog meer prozaïschere naam en dus werd Pieter Platevoet uit Dranouter, Petrus Plancius in Amsterdam. We kunnen er volledig inkomen dat een andere West-Vlaamse cartograaf (en drukker) Joost den Hondt, voor zijn professioneel imago liever als Jodocus Hondius door het leven ging. Hoewel deze Hondius nooit zijn achternaam zou verloochenen, want zijn winkel in de Kalverstraat te Amsterdam heette met een knipoog ‘In den wackeren Hond’.

Jodocus Hondius was overigens de zwager van een andere bekende kaartenmaker en graveur uit die periode: Pieter van de Keere (in het Frans: ‘de la Tour’ of in het Latijn: Kaerius) en ook familie van misschien nog de sympathiekste van de hoop: de West-Vlaamse cartograaf en theoloog uit Alveringem, Piet de Bert die zich simpelweg… Bertius liet noemen. Het moet niet altijd zo vergezocht zijn.

×