
Het einde van de achttiende eeuw stond in het teken van politieke twist. Patriotten streefden naar een radicale omwenteling en pleitten voor gelijkheid en democratie, Orangisten kozen voor stadhouder Willem V en wilden dat alles bij het oude bleef. Toen de strijd grimmiger werd en Willem V de patriotten in 1787 wist te verslaan, namen Aagje Deken en Betje Wolff, die voor het patriottisme hadden gekozen, net als veel andere patriotten de benen naar Frankrijk, wat hen hun hele kapitaal zou kosten dat ze met schrijven bij elkaar hadden verdiend (luister voor hun verhaal naar aflevering 9 van Historische Klassiekers).
Historische vrouwen als lichtend voorbeeld
Anna van der Horst (1735–1785) maakte de overwinning van Willem V niet mee, maar zou er voor in haar handen hebben geklapt. Ze was een orangiste en groeide uit tot een opvallende stem in de achttiende-eeuwse Nederlandse literatuur. Al vroeg verzette zij zich tegen de beperkingen die haar sekse werden opgelegd. Op zestienjarige leeftijd schreef ze een lijkdicht op de dood van stadhouder Willem IV.


Met Wolff onderhield ze spoedig na dit huldeblijk een intensieve correspondentie: in haar vond zij een enthousiaste bondgenoot. Beide auteurs weigerden zich in te laten perken door het idee dat vrouwen niet zouden kunnen of mogen leren. Wolff prees haar, net zoals ze haar vriendin Petronella de Timmerman had geprezen, als een “een genie van de allereêlste soort”. De vader van Van der Horst verbood dit contact echter vanwege Wolffs religieuze vrijzinnigheid (zij had zich tegen de preciezen in de kerk afgezet), waarna de vriendschap in het geheim werd voortgezet. Blijkbaar werd de relatie toch ontdekt: Van der Horst moest van haar vader verhuizen naar haar broer in Groningen en de correspondentie eindigde definitief.

Met de Bijbelse epe Debora sloot ze aan bij de eerder genoemde auteur Van Merken en bij Petronella Moens (die in aflevering 11 aan bod komt). Ook zij stelden vrouwelijke rolmodellen als Ruth, Esther en Debora centraal. Zo konden ze hun licht laten schijnen op vrouwelijk martelaarschap als leidend voorbeeld. Wellicht zelfs om te knipogen naar de heerschappij van Wilhelmina van Pruisen, de vrouw van stadhouder Willem V, die in de jaren zeventig en tachtig een stevig stempel op de Nederlandse politiek drukte en vond dat haar dochter recht had op dezelfde opvoeding als haar zoon.
Van der Horst mengde zich ook nog in het publieke, theologische debat. In 1770 publiceerde ze het pamflet De lievde van Jezus en zyne heilgezanten, wat felle reacties opriep omdat zij zich als vrouw in een theologische discussie durfde te begeven. Dat was immers een mannenzaak. En dat terwijl Sibylle van Griethuysen zich een eeuw eerder al eens openlijk met theologie had beziggehouden: Van der Horst was toch echt niet de eerste vrouw die dit deed. Juist daarom is de felheid van de reacties veelzeggend. Hoe dan ook, met haar werk zocht ze doelbewust de grenzen van haar tijd en wist die te verleggen voor de vrouwen na haar.
Blootleggen van morele inconsequenties
Ook Maria van Zuylekom (1759–1831) had een uitgesproken stem. Ze zou verschillende keren van politieke kleur verschieten: dan weer orangist, dan weer patriot, naar gelang het uitkwam of veilig was. Ze debuteerde bij de Haagse drukkersweduwe Catharina Dóll-Egges, een rasechte patriot die haar fonds bewust openstelde voor vrouwelijke auteurs. Deze drukker en boekverkoper gaf ook werk van Adriana van Overstraten, Petronella Moens en Maria Petronella Woesthoven uit. Met haar almanakken en tijdschriften droeg Dóll-Egges bij aan een publieke sfeer met ruimte voor vrouwen om hun politieke, morele en maatschappelijke kritiek te uiten.
Zo sprak Van Zuylekom, net als Maria Petronella Woesthoven en Petronella Moens, zich fel uit tegen het “Corsicaanse monster”, ofwel Napoleon, die in 1799 in Frankrijk de macht had gekaapt en zich al snel ontpopte tot een veroveraar: in 1806 maakte hij van de Nederlanden een bufferstaat, in 1810 marcheerde hij ons land binnen zonder veel weerstand te ondervinden.
Van Zuylekom en Moens maakten in hun teksten duidelijk dat vrouwen in oorlogstijd zoveel mogelijk een ondersteunende rol moesten vervullen voor de zonen en echtgenoten op het slagveld. Voor ons klinkt dat wat truttig, of in ieder geval weinig feministisch, maar destijds was het emancipatoir: juist het feit dat vrouwen verantwoordelijk waren als moeder en opvoeder, gaf hen een uitzonderlijke, machtige positie. Zij waren degenen die de bestuurders van de toekomst hun moraal bijbrachten, hun burgerzin. Pas in de negentiende eeuw kwam dit argument als een boomerang terug: vrouwen hoorden thuis te blijven, ze mochten niets anders meer dan moederen en voederen. Toen een einde van de heerschappij van Napoleon in zicht was, riep Van Zuylekom haar zusters op om mannen aan te moedigen ook de rest van het vaderland te bevrijden. Het was al vaderliefde wat de klok sloeg.
Toch zag zij wel dat vrouwen voor vrouwen moesten opkomen, een belang waarvoor in toenemende mate in de achttiende eeuw werd gevochten. Van Zuylekom deed dat met haar heldinnenbrieven. Neem de Leidse verzetsheldin Magdalena Moons, die ook in de tragedie Het beleg van Leiden van Lucretia Wilhelmina van Merken de hoofdrol had gespeeld. Van Zuylekom publiceert in een almanak een fictieve brief van Moons aan haar Spaanse aanbidder Francesco Valdez (1795) en bewijst daarmee hoe essentieel de invloed van een vrouw in de oorlog was. Aan het hoogste literaire genre, de tragedie, waagde Van Zuylekom zich overigens ook, al behoorden Van Merken en Juliana Cornelia de Lannoy tot de onomstreden top.
Zoals de meeste vrouwen had Van Zuylekom een groot oog voor onrecht in de maatschappij. In haar briefroman Ismene en Selinde (1792) behandelt zij slavernij in meerdere gedaanten: de trans-Atlantische slavernij op Curaçao, de Barbarijse slavernij in Noord-Afrika en het lijfeigenschap in Rusland. Opvallend is niet alleen dát zij deze thematiek aansnijdt, maar hoe ze dat doet: door de perspectieven te verschuiven en morele inconsistenties bloot te leggen. De verontwaardiging van haar christelijke, blanke personages over hun eigen slavernij contrasteert met de vanzelfsprekenheid waarmee ze de slavernij van anderen accepteren, van mensen van kleur.

De ware patriot vervloekt de slavernij,
Maar laat in denkenswijs zijn medeburgren vrij.
uit een almanak van Catharina Dóll-Egges, schrijver onbekend
De dichter als God op aard
Tot slot Maria Petronella Woesthoven (1760–1830). Zij kwam uit een heel ander milieu. Ze was – net als Juliana Cornelia de Lannoy – een dochter van een legerofficier en had door haar rijke afkomst ‘geluk’: ze kreeg goed onderwijs. Ze leerde Frans, Duits en Engels, geschiedenis, letterkunde en wiskunde van een hoogleraar, net als sterrenkunde. Dat had effect. Ze maakte naam als dichter en werd gevierd. Meerdere van haar gedichten ontvingen een bekroning van dichtgenootschappen, waarvan ze lid werd en waar ze ook, met ‘heldenmoed’, op de vergaderingen verscheen. Ze bezocht verschillende jaarvergaderingen en zat zelfs in een beoordelingscommissie, net als Anna van der Aar Sterke.

Woesthoven had contacten met belangrijke literatoren die de dienst uitmaakten. Zo was Willem Bilderdijk haar zwager. Ze beheerde een deel van zijn manuscripten toen hij na de Bataafse Omwenteling in ballingschap ging vanwege zijn orangisme en ze stuurde hem speelse raadsel- en rebusbrieven en corrigeerde zijn drukproeven.
Inhoudelijk beweegt Woesthovens poëzie zich vooral op het snijvlak van natuur, geloof, gevoel en rede. Ware dichtkunst, zo vond ze, berust niet op techniek, maar op gevoel, verbeelding en goddelijke inspiratie. “’t Gevoel-alléén doet dichters zingen,” stelt ze, want een echte dichter is iemand die “tijgers aan zijn snaar kan binden”. De dichter is voor haar een scheppend en bijna profetisch figuur, een “god op aard” die “Gods ontwerp” leest en in staat is “wereldstelsels” te verbeelden. Tegenover deze geïnspireerde dichter plaatst ze de oppervlakkige rijmer met rijmkunstjes, wiens werk zielloos blijft omdat het in een stramien van retorica gevangen zit.
Zo presenteert Woesthoven een visie op poëzie waarin emotie, verbeelding en religieuze bezieling samenkomen, een opvatting die net als het werk van Deken en Wolff vooruitwijst naar de romantiek, maar die tegelijk stevig geworteld is in de achttiende-eeuwse cultuur waarin zij schreef.
Deze drie schrijvers maken zichtbaar dat wie literatuur bedreef, het maatschappelijk debat stuurde en daarmee een positie koos. Dat dit in deze periode niet vrijblijvend was, laat zich het scherpst horen in het verhaal van Aagje Deken en Betje Wolff.
Religie als politiek statement in de Republiek: vrouwen aan het woord
Drie tijdgenoten van Tesselschade Roemers: Lubbers, Bourignon en Bruno
Drie tijdgenoten van Anna Bijns die je waarschijnlijk nog niet kende
Vrouwelijke schrijvers in de Republiek: van Anna Roemers tot Gesina Brit