Romeins massagraf in Kroatië werpt nieuw licht op crisis van het rijk in de derde eeuw

8 minuten leestijd
Enkele van de gevonden skeletten
Enkele van de gevonden skeletten (PLOS ONE, CC BY 4.0 - Mario Novak)

Onlangs kwamen nieuwe, lugubere sporen aan het licht uit een van de meest onrustige periodes van de Romeinse geschiedenis. In 2011 ontdekten archeologen tijdens opgravingen nabij de universiteitsbibliotheek van het Kroatische Osijek een massagraf met zeven intacte skeletten. Onlangs verscheen het wetenschappelijk rapport over de analyse van deze menselijke resten.

Het interdisciplinaire onderzoeksteam dat aan dit project werkte, concludeert dat het de lichamen betreft van zeven Romeinse soldaten, die waarschijnlijk in het jaar 260 om het leven kwamen in een veldslag nabij de toenmalige nederzetting Mursa. In deze slecht gedocumenteerde periode bevond het Romeinse rijk zich op haar toenmalige dieptepunt, wat deze macabere menselijke restanten des te intrigerender maakt.

Het forensisch onderzoek

2025 lijkt een bijzonder jaar te worden voor nieuwe ontdekkingen over het Romeinse Rijk. Eerder ontdekten onderzoekers in Engeland voor het eerst het graf van een dierenvechter die door een leeuw werd gedood. Nu kunnen we daar andere beenderenanalyse aan toevoegen uit ruwweg dezelfde periode. De specimens werden aangetroffen in een opgedroogde waterput die als geimproviseerde laatste rustplaats diende voor de overledenen. Het wetenschappelijk team voerde hier verscheidene analyses op toe, gaande van (C14) koolstofdatering, tot bio-archeologische analyse van isotopen en DNA.

Alle zeven waren mannen – vier tussen 18 en 35 jaar en drie tussen 36 en 50. Allemaal waren ze bovengemiddeld groot naar de normen van die tijd, met een gemiddelde lengte van 172,5 cm. Het genomenonderzoek van vier skeletten toont aan dat geen van hen verwantschap vertoont met de bevolking van de Romeinse nederzetting waar ze achtergelaten werden. Een van hem kwam uit de Levant, maar een andere zelfs uit gebieden ten noorden van de Donau en Zwarte Zee. Bovendien vertoonden ze allemaal sporen van zowel genezen maar ook fatale verwondingen, opgelopen door wapens zoals speren, pijlpunten en zelfs een lang zwaard.

Alles wijst erop dat deze mannen als soldaten in het Romeinse leger dienden en voortijdig sneuvelden tijdens gevechten. Uit de koolstofdatering blijkt dat hun resten vermoedelijk dateren uit de tweede helft van de derde eeuw. Dit kan netjes gekoppeld worden aan een sestertius van keizer Hostilianus die oorspronkelijk gemunt was in de Balkanstad Viminacium in het jaar 251. De ligging van Mursa maakt het verder verleidelijk om het lot van deze soldaten te verbinden met de veldslag die daar in 260 plaatsvond. Het was juist in die tijd dat het Romeinse Rijk op instorten leek te staan.

Het reliëf in Naqsh-e Rostam
Het reliëf in Naqsh-e Rostam (CC BY-SA 4.0 – Diego Delso – wiki)

Rome gaat ‘rock bottom’

Hoe erg het in deze periode gesteld was met het Romeinse Rijk, kan treffend geïllustreerd worden met een monumentaal beeldhouwwerk. We kunnen Naqsh-e Rostam vandaag de dag nog steeds bezoeken in het huidige Zuid-Iran, op slechts een paar kilometer afstand van Persepolis, de voormalige hoofdstad van de eerste dynastie van het oude Perzië. Toeschouwers kunnen hun blik laten vallen op de torenhoge figuur van een Perzische vorst te paard.

Portret van Postumus op een gouden aureus uit 268.
Portret van Postumus op een gouden aureus uit 268.
Eén hand van de Koning der Koningen rust zachtjes op het gevest van zijn zwaard. Terwijl hij zijn andere hand naar voren strekt, zien we drie figuren rond zijn paard staan. Hier zien we de Perzische vorst Sapor I overwinningen vieren op niet minder dan drie verschillende Romeinse keizers. De belangrijkste was echter die over Valerianus nabij Edessa in 259, waarbij hij erin slaagde deze keizer levend gevangen te nemen. Wat er daarna met Valerianus gebeurd is valt niet meer te achterhalen, vanwege compleet tegenstrijdige overleveringen. Maar een feit staat als een paal boven water: voor de allereerste keer was een keizer gegijzeld en meegenomen naar vijandelijk grondgebied om nooit meer terug te keren.Dat was een zware klap voor het rijk, dat op het randje van uiteenvallen stond. Tegen 260 had de veldheer Postumus zichzelf tot keizer nabij Keulen uitgeroepen en claim gelegd op de Britse, Gallische en Spaanse provincies.

Na de nederlaag tegen de Perzen was het rijk in de Levant inmiddels dusdanig verzwakt dat Palmyra eigenhandig de oostelijke provincies ging verdedigen. In naam bleven de lokale Palmyreense heersers trouw aan Rome, waarvoor ze ook beloond werden met pronkende titels, die echter niet konden verhullen dat zij het voortaan zelf voor het zeggen hadden in de regio. Het gevolg was dat Gallienus, de zoon en medekeizer van Valerianus, het verzwakte centrale rijk overeind moest zien te houden, terwijl plundertochten in de Balkan door nieuwe noordelijke gemeenschappen het gebied verder ontwrichtten. Diverse mannen riepen zich daarop tot keizer uit, waarbij op het dieptepunt Gallienus’ gezag soms niet verder reikte dan Italië, Dalmatië en Noord-Afrika. Ondertussen laaiden om de paar jaar nieuwe epidemieën op, sinds de zogenoemde pest van Cyprianus rond 250. Geen wonder dat veel mensen geloofden dat de traditionele goden hen verlaten hadden en zich nu wenden tot nieuwe cultussen, zoals die van Mithras of het christendom.

Anatomie van een rijkscrisis

Een systeemschok van dergelijke omvang komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. De voorgaande decennia waren er reeds signalen van slijtage. Symptomatisch hiervoor was de positie van het keizerschap zelf. Sinds 235 was geen enkele keizer erin geslaagd een dynastie op te bouwen. De meeste dragers van het purper regeerden amper vijf jaar, alvorens ze gewelddadig ten val kwamen.

Enerzijds nam de druk van buitenaf toe, met de opkomst van de nieuwe Perzische Sassanidische dynastie en de vorming van allianties onder ‘barbaarse’ volken in Europa, zoals de Alamannen, Goten en Franken. Beiden waren een natuurlijke respons na twee eeuwen van Romeins imperialisme en hardhandige inmenging op hun territorium. Anderzijds vormden niet buitenlandse vijanden, maar binnenlandse rivalen het grootste gevaar voor het gezag – en vaak ook voor het leven – van elke keizer. Wanneer een keizer teveel tijd doorbracht aan één front, zoals bijvoorbeeld in Mesopotamië tegen de Perzen, dan riskeerde hij een ander te verwaarlozen. Wanneer dan de lokale gouverneur van pakweg de grenszone aan de Rijn geconfronteerd werd met grootschalige plundertochten van nieuwe gemeenschappen zoals de Franken, dan kon deze vaak moeilijk de druk weerstaan om zelf een greep naar het purper te doen om de zaken te redden. Geen enkele keizer liet het toe dat iemand zijn positie zomaar overnam, wat dus betekende dat zo’n greep naar de macht vrijwel altijd tot burgeroorlog leidde.

Deze politieke labiliteit kreeg bovendien een katalysator in de vorm van de eerder vermelde pest van Cyprianus. Het is bijzonder ingewikkeld om te bepalen wat de demografische impact hiervan moet zijn geweest. Maar zelfs een voorzichtige schatting van een verlies van ‘slechts’ 10 tot 20 procent van de bevolking zou voor elke premoderne samenleving een ramp zijn geweest. Een dergelijk verlies aan mensenlevens betekende op korte termijn zowel minder rekruten voor het leger als minder belastingbetalers om dat leger te bekostigen.

Vanuit dat perspectief kunnen we ook de vondst van de skeletten bij Mursa beter begrijpen.

Sarmaten op de Zuil van Trajanus
Sarmaten op de Zuil van Trajanus (CC BY-SA 4.0 – Conrad Cichorius – wiki)
In de loop van de derde eeuw groeide de Balkan voor het rijk uit tot een cruciale schakel tussen Oost en West. Het is geen toeval dat het leeuwendeel van de burgeroorlogen hier op het slagveld werden beslecht. Bij het nieuws dat Valerianus gevangen was genomen, kwam de gouverneur van de Pannonische provincies in opstand. Deze Ingenuus was recentelijk aangesteld door Gallienus zelf om de regio te vrijwaren van plundertochten door Sarmaten, een nomadengroepering die oorspronkelijk afkomstig was uit het steppegebieden in de huidige Oekraïne.

Zodra hij echter het nieuws vernam dat de Perzen Valerianus verslagen en gegijzeld hadden, maakte Ingenuus van de chaos gebruik om zichzelf tot keizer uit te roepen. Een getalenteerde cavalerieaanvoerder van Gallienus kon Ingenuus’ rebellie echter in de kiem smoren nabij Mursa.

Wat het graf ons leert

De halve eeuw tussen het einde van de Severische dynastie en de aanstelling van Diocletianus (235-284) staat voor het Romeinse Rijk in de wetenschappelijke literatuur traditioneel geboekstaafd als “de crisis van de derde eeuw”. In het moderne onderzoek is dat beeld de laatste decennia bijgesteld. Zo had bijvoorbeeld niet elke regio evenzeer te lijden onder krijgsgeweld (emblematisch zijn Engeland, Spanje en Noord-Afrika). Desalniettemin was het derde kwart van die eeuw, waarin we het massagraf dateren, wel degelijk een periode van rampspoed. Deze periode is echter bijzonder problematisch om te bestuderen gezien de overgeleverde bronnen. Zeker wat geschreven eigentijdse geschiedenissen betreft, is het bijzonder pover gesteld en moeten we ons behelpen met fragmentair bewaarde overleveringen en summiere samenvattingen uit de volgende eeuw. Kan het massagraf van Mursa ons dan nog iets nieuws leren over deze onrustige periode?

Een van de gevonden skeletten
PLOS ONE, CC BY 4.0 – Mario Novak

Net als het skelet van de dierenvechter uit Brittannië vormt ook deze vondst eerst en vooral tastbaar bewijs van de chaos die in die tijd heerste. Het feit dat de mannen in kwestie geen traditionele laatste rustplaats kregen, maar gewoon gedumpt werden in een opgedroogde waterput spreekt boekdelen. Dit zal waarschijnlijk slechts het topje van de spreekwoordelijke ijsberg zijn, aangezien in dergelijke burgeroorlogen vaak duizenden mannen het leven lieten. Als we bedenken dat dit ook een tijd van epidemieën was, wordt duidelijk waarom massagraven en brandstapels na het krijgsgeweld nodig waren om grootschalige ziekte-uitbraken te voorkomen. Het is bovendien slechts de tweede keer ooit dat we een dergelijk specifiek geïmproviseerd graf voor Romeinse soldaten vinden, na dat uit het Noord-Nederlandse Velsen I.

De gemiddelde lengte van de skeletten illustreert bovendien treffend de standaarden die verwacht werden van rekruten, zoals we onder meer kunnen lezen in het militaire handboek van de schrijver Vegetius. Tevens geeft de isotopenanalyse ons inzicht in het dieet van soldaten. De mannen uit Mursa consumeerden voornamelijk granen (tarwe en gierst) en groenten, aangevuld met slechts een beetje vlees en nog minder vis. Maar de belangrijkste meerwaarde van deze skeletten toont de veranderende samenstelling van troepen in deze periode aan.

Groot beeld van Shapor I, uitgehouwen in een stalagmiet in een grot in Zuid-Iran — één van de bekendste overgebleven sculpturen uit de Sassanidische periode
Groot beeld van Shapor I, uitgehouwen in een stalagmiet in een grot in Zuid-Iran — één van de bekendste overgebleven sculpturen uit de Sassanidische periode (CC BY-SA 4.0 – Hadi – wiki)
Zoals eerder opgemerkt was een van de soldaten oorspronkelijk afkomstig uit gebieden ten noorden van het Imperium. In de traditionele bronnen zou hij dus als ‘barbaar’ geklasseerd zijn. Dergelijke rekruteringen kennen we ook uit andere bronnen. Zo leren latere teksten ons dat Franken in het leger dienden van keizers die er ten noordwesten van de Alpen hun eigen regime op nahielden. Zelfs de Perzische vorst Sapor I liet in zijn monumentale inscriptie bij Naqsh-e Rostam optekenen dat hij de ‘Germaanse en Gotische’ hulptroepen overwonnen had van zijn Romeinse tegenstrevers (overigens een zoveelste illustratie dat de Goten niet als Germanen beschouwd werden ongeacht hun taal).

De Balkangebieden waren in deze periode eerder geteisterd door zowel Goten als Sarmaten, maar individuen van beiden zouden ook gerekruteerd worden als keizerlijke soldaten. Zelfs als we niet met 100 procent zekerheid kunnen aantonen dat de zeven soldaten aan hun einde kwamen tijdens de usurpatie van Ingenuus in 260, tonen ze treffend de veranderende samenstelling aan van het Romeinse leger. In een periode waarin Romeins burgerrecht geen voorwaarde meer was om te dienen, een pandemie lelijk huis hield onder de bevolking, en meerdere mannen in het Imperium een greep naar de macht deden, was er meer nood dan ooit aan mankracht, waar men die ook kon vinden.

Al sinds haar vroege geschiedenis als republiek maakte Rome gebruik van strijdkrachten van buiten haar eigen gemeenschap. Zonder dergelijke socii (bondgenoten) had het nooit een Mediterraan wereldrijk kunnen stichten. De man die gedumpt werd in de put van Mursa had het nooit kunnen bevroeden. Maar lotgenoten van hem zouden een steunpilaar worden voor de transformatie van het Vroege naar het Laat-Romeinse rijk.

×