Morele dilemma’s van vier broers in oorlogstijd: ‘Laten we over iets anders beginnen’

10 minuten leestijd
De vier broers, detail van de boekcover
De vier broers, detail van de boekcover

Op basis van een grote hoeveelheid bewaard gebleven brieven heb ik de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar lotgevallen van mijn vader en zijn drie broers uit de periode van het opkomende nationaalsocialisme, de Tweede Wereldoorlog en de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Die brieven geven een indringend beeld van vier broers met uiteenlopende politieke opvattingen, die in verschillende omstandigheden moeten overleven en daarbij ingrijpende morele keuzes moeten maken – keuzes die bepalen wie ze de rest van hun leven zullen zijn. Vier broers ook die elkaar ondanks alle verschillen niet willen loslaten.

De vier broers

Harry, geboren in 1917, was de oudste. Hij was op zijn zestiende lid geworden van de NSB, maar zegde dat lidmaatschap op in 1939, aan de vooravond van de mobilisatie. Hij vocht aan de Grebbelinie tegen de Duitsers. In de oorlog schreef hij als journalist foute artikelen en in foute kranten. Na de bevrijding zat hij zonder vorm van proces negen maanden gevangen in interneringskamp Vianda bij Hoek van Holland.

Theo, mijn vader, werd geboren 1920. Hij maakte de Duitse inval mee als dienstplichtige in Haarlem. In 1940 werd hij lid van de Nederlandse Unie. In 1943 weigerde hij een loyaliteitsverklaring te tekenen. Daardoor kreeg hij geen onmisbaarheidsverklaring en moest hij net als zovelen in krijgsgevangenschap. Als krijgsgevangene maakte hij in een lazaret het bombardement op Dresden mee, waar hij leerde dat de mens (en in het bijzonder hijzelf) geneigd is tot het kwade.

Hans, geboren in 1923, was een jongen die op het kleinseminarie geleerd had zich aan te passen en te zwijgen. Hij moest voor de Arbeitseinsatz naar Delmenhorst bij Bremen, waar hij werd tewerkgesteld in een vliegtuigfabriek. Na de bevrijding wist hij net als Theo op eigen gelegenheid terug te keren naar Nederland. Hij meldde zich als oorlogsvrijwilliger voor Indië, maar werd in Rotterdam bij de kantinedienst geplaatst.

Remi werd geboren in 1926. Hij was net als zijn oudste broer een idealist die onder de indruk was van het nationaalsocialisme en niets moest hebben van de geallieerden, die zijn woonplaats Nijmegen bombardeerden. In 1947 ging hij als oorlogsvrijwilliger naar Indië. Hij zou niet naar Nederland terugkeren.

De lotgevallen van deze vier broers tegen de achtergrond van de oorlog vormen een fascinerend en dramatisch verhaal. Ze hebben zich op verschillende manieren verhouden tot de vijand en rechtvaardigen zich hiervoor in hun brieven.

Rechtvaardiging

Rechtvaardiging van je gedrag in de oorlog is in de geschiedenis van de naoorlogse jaren een belangrijk thema. De grote lijn is duidelijk: verzetsstrijders waren helden van wie het heldendom moest worden erkend; oorlogsmisdadigers en collaborateurs waren misdadigers die moesten worden gestraft. Maar wie trok de lijn en waar?

Niet iedereen had ‘in het verzet gezeten’, maar iedereen had dingen gedaan die deugden: onderduikers in huis gehad, zinvol geweld gepleegd, een radio of een fiets niet ingeleverd. Niet iedereen had oorlogsmisdaden begaan of gecollaboreerd, maar iedereen had wel iets gedaan wat in de ogen van anderen niet deugde: geld verdiend aan mensen in nood, met een Duitser naar bed geweest, de kachel gestookt met een houten brugleuning, eten gekocht op de zwarte markt of anderszins het hoofd boven water gehouden ten koste van een ander. Velen voelden de noodzaak in eigen kring of in het openbaar hun gedrag te rechtvaardigen en soms ook anderen de schuld te geven van wat was misgegaan.

Harry rechtvaardigt zijn handelwijze in de oorlog

Rotterdam is zojuist bevrijd. Harry, die weet dat hij elk moment wegens collaboratie kan worden opgepakt, schrijft een brief aan zijn broers. Die brief gaat niet alleen over de opofferingen die hij zich in het laatste oorlogsjaar voor zijn broers en de rest van de familie heeft getroost, maar ook over zijn geestelijke ineenstorting. Die was…

…eveneens een gevolg van de tijdsomstandigheden. Geen van mijn familieleden weet hoe groot idealist ik immer ben geweest. (…) Na de septemberdagen heb ik al mijn idealen één voor één zien verdwijnen. Met inspanning van alle krachten, met dagen en nachten lange arbeid, maar bovenal zonder kuiperijen of protectie had ik mij een mooie toekomst bevochten. (…) Ik ging tot de ‘vooraanstaande’ journalisten behoren, herhaaldelijk werden mijn artikelen op de radio geciteerd, Blokzijl besprak er enkele voor honderdduizenden luisteraars, vele mooie aanbiedingen heeft men mij gedaan, waaronder verschillende voor hoofdredacteur van belangrijke bladen. Dat alles heb ik verloren. Mijn salaris kelderde tot op een derde (juist toen alles tienvoudig duurder werd), de journalistiek zal ik moeten verlaten, de journalistiek waaraan ik met hart en ziel ben verknocht. (…)

Gebroken zijn alle idealen, weg zijn alle illusies. Terwijl ik altijd heb gehandeld en geschreven met het belang van volk en vaderland voor ogen, en duizenden lezers moeten dat kunnen getuigen. Vandaag of morgen komt men mij halen om als misdadiger te worden opgesloten, terwijl ik naar niets anders heb gestreefd dan in de moeilijkste tijd voor ons volk en vaderland er het beste van te maken.

Theo en Hans rechtvaardigen zich voor hun gedwongen verblijf in Duitsland

En ze kwamen Harry halen. Hij zat al in het interneringskamp toen Theo en Hans terugkwamen naar Nederland. Daar werden ze allesbehalve hartelijk ontvangen. Voormalige krijgsgevangenen en tewerkgestelden kregen het verwijt dat ze hadden bijgedragen aan de Duitse oorlogsmachine, terwijl ze zich daar ook aan hadden kunnen onttrekken. Ze hadden het in Duitsland ook nog eens beter gehad dan de thuisblijvers, vooral die in het westen van het land.

In de verzetskranten Trouw en Het Parool van 9 juni 1945 werd in een hoofdartikel heftig geprotesteerd tegen het extra rantsoen dat verstrekt werd aan militairen en vooral aan diegenen die te laf waren geweest om onder te duiken en zich in krijgsgevangenschap hadden begeven.

Zij hielpen de vijand diens wapenen smeden. Nu komen zij terug op hoog opgeladen auto’s en worden ze door de bevolking toegejuicht. Die hulde is misplaatst. Laat ons volk juichen over degenen die weigerden zich te melden en zijn ondergedoken.

Dat liet Theo niet over zijn kant gaan. In een ingezonden brief van acht kantjes schreef hij hoe pijnlijk het was ‘bij de eindelijke, dikwijls onverhoopte terugkeer in het vaderland artikelen van dergelijke strekking te moeten lezen’. Van vrijwilligheid was geen sprake geweest. De meesten die gehoor hadden gegeven aan de oproep om zich in krijgsgevangenschap te begeven hadden dat gedaan omdat ze geen Ausweis konden krijgen of kopen, omdat ze geen onderduikadres konden vinden en omdat ze niet in de positie waren om zonder salaris en distributiebescheiden zichzelf en hun gezin te onderhouden.

De krijgsgevangenen hadden geen verraad gepleegd aan de Nederlandse zaak door de vijand te dienen; dat was een valse beschuldiging. De vijand had van de Hollandse krijgsgevangenen vooral last en narigheid gehad. Het leven van de krijgsgevangenen was bepaald geen lolletje geweest. ‘Niets is zo afmattend en slopend als het leven achter prikkeldraad met overal posten om je heen met geweer en bajonet.’ En er was geen sprake van dat ze zich hadden onttrokken aan het verzet van het Nederlandse volk.

We hebben ons altijd tegen elke denkbare Duitse maatregel verzet, ondanks poging tot uithongering, het ondermijnen van het moreel, het vernederen en kneedbaar maken. We zijn hard gebleven, hebben alles gedaan in onze macht om het Duitse oorlogspotentieel te drukken, hun soldaten te vergiftigen met propaganda, hun arbeid te saboteren. Wij hebben niet onze eer verloren, niet de waarde voor het vaderland, niet de trouw aan het vorstenhuis. Een rehabilitatie is op zijn plaats. Én als krijgsgevangene én nu in vrijheid was en ben ik en zovele anderen met mij een Nederlander, zijn Koningin en Volk “getrouw tot in den doet”.

De brief werd niet geplaatst, ook niet in verkorte vorm.

Theo protesteerde, maar Hans ging het debat uit de weg. Als het gesprek op de oorlog kwam vertelde hij het verhaal dat ze in Adelheide de sluitkoppen niet helemaal recht op de klinknagels sloegen als ze de beplating van de vliegtuigen aan het skelet moesten klinken. Onder zijn handen was geen vliegtuig uit de fabriek gekomen dat echt kon vliegen, beweerde hij. In feite was er geen industrie waar de tewerkgestelden en dwangarbeiders zo werden gecontroleerd als de wapenindustrie.

Remi verklaart zijn nazisympathieën en verontschuldigt zich ervoor

Tijdens zijn repatriëring had Theo van zijn Limburgse familie gehoord, dat Remi in de oorlog aan de verkeerde kant had gestaan: hij was in Nijmegen medewerker geweest van de Stormvlag, het blad van De Jeugdstorm. Dat was meer dan Theo kon verdragen. Hij liet zijn jongste broer via hun vader weten, dat hij hem niet meer tot de familie rekende. Dat kwam hard bij Remi aan. In een brief vroeg hij om begrip.

Ja, ik ben pro-Duits geweest, maar heus, na al wat we gehoord en gezien hebben na Duitslands capitulatie, ben ik dat allang niet meer. Moest er nog bijkomen, zal je zeggen. Doch Theo, misschien begrijp je niet hoe een ideaal je beet kan pakken en meesleuren als je jong bent, zodat je dingen denkt en doet waarvan je zelf niet weet dat ze slecht en minderwaardig zijn.

Altijd heb ik gedacht dat het nationaalsocialisme goed zou zijn voor ons Hollandje, vergeef me ook dat, want je weet welk verstand een zestien- à zeventienjarige jongen hebben kan. Tot Jansen [Hitler] heb ik me altijd aangetrokken gevoeld en heus, dat doe ik nu nog, dat wil ik je eerlijk en oprecht zeggen. Ik wil het zelf niet weten, probeer het uit me te bannen en denk dikwijls dat het me lukt. Doch soms betrap ik me zelf nog op het feit dat ik hem probeer vrij te spreken van alle kwaad en onmenselijkheid, dat ik mezelf wijs probeer te maken dat hij er niet van wist. Heus, Theo, wees daarom niet kwaad, het zal er wel uit gaan met de jaren. Ik doe daar tenminste al mijn best voor.

Dus Theo, vraag ik je nogmaals: waarom nog langer kwaad op mij? Ik heb me aangemeld als oorlogsvrijwilliger en volgende maand zou ik worden opgeroepen. Maar toen een paar dagen geleden de oorlog met Japan was afgelopen, heb ik me afgemeld. Heb ik dan niet voor mijn vaderland willen vechten? En als het je alleen maar gaat om mijn pro-Duits zijn van weleer, dan vraag ik je: waarom houd je nog van Harry en niet van mij?

Kort daarna nam Theo hem weer in genade aan. Het verbreken van de broederband ging hem uiteindelijk toch te ver. En op Remi’s vraag over Harry had hij geen goed antwoord.

Remi rechtvaardigt zich voor zijn deelname aan de contraterreur in Indië

Ook in de jaren na 1945 vochten Nederlandse militairen voor het vaderland. Eerst moesten ze Nederlands Indië bevrijden van de Japanners en daarna van de nationalisten en communisten. De bevelhebber van het leger, luitenant-generaal Spoor, noemde het in december 1947 in zijn kerstboodschap een strijd op christelijke grondslag.

Hij is en wordt gevoerd om normale toestanden te herstellen, om de bevolking veiligheid te geven tegen daden van terreur, mensenroof en moord. Het is de betekenis van het “licht om de kribbe” waarom wij in onze taak moeten volharden, totdat wij kunnen zeggen: onze taak is volbracht.

Maar de strijd op christelijke grondslag waar Spoor over sprak was in werkelijkheid een koloniale oorlog waarin stelselmatig extreem geweld werd gebruikt. Remi kwam midden in de contraterreur terecht. Hij was getuige van oorlogsmisdaden en deed eraan mee. In zijn brieven aan Theo probeerde hij zijn gedrag te rechtvaardigen en daar had hij alle aanleiding toe. Hij wees op de idealistische beweegredenen die alle oorlogsvrijwilligers deelden. Ze waren als militair naar Indië gegaan omdat de Javanen ontrouw waren aan de Nederlanders, omdat ze hun mensen vermoordden.

Een goed vaderlander sterft daarvoor, omdat er al duizenden voor gestorven zijn en voor dat doel is het verantwoord dat er aan de andere zijde doden vallen. Anders ware geen oorlog gerechtvaardigd!

Theo gaf geen cent voor de idealistische beweegredenen van oorlogsvrijwilligers, antwoordde hij. Hij had in krijgsgevangenschap geleerd, dat de mens door materialisme wordt bezield en pas iets onderneemt als hij er onmiddellijk voordeel mee kan behalen. Hij was alle idealen gaan wantrouwen. Wie voor een ideaal vocht was uiteindelijk bereid om geen enkel wapen onbeproefd te laten, om iedereen die dat ideaal niet deelde als een vijand te beschouwen en iedereen uit te schakelen die hem bij het nastreven van dat ideaal in de weg liep.

Remi was er niet blij mee, dat Theo met zijn nuchtere analyses zijn dromen en idealen probeerde te reduceren tot zelfbedrog en oplichterij, of op z’n best tot verre toekomstmuziek. Maar hij liet zich er niet door van de wijs brengen. Hij zou voor zijn idealen blijven vechten.

Vechten Theo, voor een doel, hoe licht en onbetekenend ook, voor een ideaal, dat een fout ideaal is, wat je zelf niet wilt en niet kunt weten, omdat je erin gelooft, voor dat ideaal vechten, totdat het bloed over je lijf loopt tot je hart er kapot van gaat. Meegolven op de deining die je zelf veroorzaakt, omhooggestuwd worden door je eigen golven en weer omlaag gesmeten, in de branding die je nog niet had verwacht.

In zijn brieven aan Remi kwam Theo steeds weer op de morele dilemma’s van de oorlog terug. Soldaten bleven moreel verantwoordelijk voor hun daden, ook als ze als collectief opereerden. Remi bestreed dat niet, maar als je oog in oog met de vijand stond had je aan dat besef niet zoveel. Dan kon je beter een soldaat zijn die op commando en op eigen initiatief handelde, vocht en stierf met zijn ideaal als drijfveer, dan een denker die eerst zijn morele positie analyseerde.

Maar op een dag was hij er klaar mee, met al dat gemoraliseer.

We gaan in onze brieven te veel langs elkaar heen, je begrijpt me, maar je begrijpt me niet goed. We komen zo niet verder, onze meningsverschillen worden alleen maar groter. Wat heeft het ook voor zin, in een alledaagse briefwisseling discussies op touw zetten over militarisme, persoonlijke moraal en nog zo wat onderwerpen. Daar zijn door anderen boeken over volgeschreven. Ik gooi hierbij het hele zaakje aan de kant. Laten we over iets anders beginnen. Ik zou wel met je willen debatteren over wat moeilijker is: liefde geven of liefde ontvangen.

Er kwamen nog een paar brieven, maar toen liet Remi niets meer van zich horen. Hij voelde zich verraden toen de Nederlandse regering eind 1949 de soevereiniteit overdroeg. Hij wilde doorvechten. Hij sloot zich aan bij Westerling en deed in januari 1950 mee met diens coup in Bandung. Daarna werd nooit meer wat van hem vernomen.

Laten we over iets anders beginnen
 
De morele dilemma’s van de vier broers zijn actueel

Het is een vast thema in familiegeschiedenissen geworden: tijdgenoten die zwijgen over de oorlog. Ze moesten zwijgen omdat herinneringen te zwaar wogen en konden zwijgen omdat hun betwistbare keuzes waren opgelost in het grote verhaal van de oorlog en hun rechtvaardigingen in een algemeen aanvaarde norm van goed en fout.

De vier broers rechtvaardigden zich voor keuzes die ze in de oorlog hadden gemaakt. Ze zochten naar erkenning van hun goede bedoelingen en wilden zonder de last van afkeuring of afwijzing verder. Na de vermissing van Remi, toen de verhoudingen waren gestabiliseerd, deden ze er het zwijgen toe. Geen van de vier broers had nog enige aanleiding om te zeggen: laten we over iets anders beginnen.

Interview met de auteur over zijn boek

Lees meer over

Tweede Wereldoorlog

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×