Waar zou het idee om de Nederlandse bergsportvereniging op te richten ontstaan zijn? Op een zonnig terras met uitzicht op de besneeuwde bergtoppen in Zwitserland? In een berghut na een zware tocht? Of op een Alpentop na een lastige beklimming? Helaas, het was op een dansfeest in Leiden in 1902.

Met het oog op de groote uitbreiding, die in de laatste jaren de bergsport bij ons Hollanders heeft gekregen, getuige het groote aantal onzer landgenooten, die zich bij buitenlandsche vereenigingen als leden hebben doen inschrijven, is bij ondergeteekenden de vraag gerezen of door aaneensluiting de belangen van onzer landgenooten, beoefenaars van deze sport, zouden kunnen worden bevorderd.1
Op 24 mei 1902 werd in Leiden in De Vergulde Turk aan de Breestraat 84 de Nederlandsche Alpen-Vereeniging (N.A.V.) opgericht.2 Muller’s vader werd de eerste voorzitter, zij secretaris. Het was de bedoeling dat de vereniging zich als sectie zou verbinden met de Deutscher und Österreichischer Alpenverein.
Bij de oprichting had de vereniging eenentwintig leden en dat groeide binnen een jaar uit tot achtenzeventig. Nu, anno 2026, heeft de Koninklijke Nederlandse Klim- en Bergsportvereniging bijna 80.000 leden.3 Toch heel bijzonder, dat het initiatief voor de oprichting van deze vereniging, in die tijd, werd genomen door een jonge vrouw. Wie was deze Isabella Muller? Een korte biografische schets.
Van Groningen naar de Alpen
Isabella Francisca Muller was de dochter van Dorothea Petronella Bohn (1846-1930) en de hoogleraar geschiedenis prof. dr. Pieter Lodewijk Muller (1842-1904).4 Zij werd op 11 mei 1880 in Groningen geboren als tweede kind in het gezin, met een oudere en een jongere broer. Vader was toen werkzaam in Groningen, maar verhuisde in 1883 naar Leiden waar hij als hoogleraar werd aangesteld.
Muller vertelde zelf over hoe zij alpinist werd.5 Eind negentiende eeuw ging zij, met haar ouders op vakantie naar het Duitse Schwarzwald inclusief een uitstapje naar de watervallen van Schaffhaussen in Zwitserland. Het jaar daarop reisde ze naar Chamonix een maakte een traverse over de Glacier de Bossons. Laten beklom zij de Breithorn vanuit Zermatt. De volgende vakantie ging naar de Dolomieten waar zij kennismaakte met het rotsklimmen. Na deze ervaring besloot zij voor zichzelf:
Ik zocht voortaan tochten uit die alles opleverden: rotsen èn gletschers.6

‘Hier is de club – maar waar zijn de Alpen?’
Alpiniste
In 1902 maakte zij alleen een bergtoer vanuit Arolla. Hierover schreef zij het eerste artikel in de eerste uitgave van het tijdschrift van de vereniging Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging, met als titel ‘Van het Rhônedal naar Chamonix’.7 Zij reisde vanuit het Rhônedal in het Zwitserse Wallis naar Arolla. Ondertussen monsterde zij twee berggidsen aan die haar zouden begeleiden. Vanuit Arolla deden zij een beklimming van de Mont Blanc de Cheilon (3869 meter) via de westflank en de zuidwestgraat. Het was mooi weer en het liep allemaal prima. In de afdaling ging het bijna mis. Muller en de gidsen moesten over een precaire sneeuwbrug boven een gletsjerspleet. De eerste berggids deed dat voorzichtig kruipend en adviseerde Muller dat ook te doen. Die was eigenwijs en probeerde het lopend, waarbij zij direct door de sneeuwbrug zakte en aan het touw bungelde.

Helaas sloeg het weer om. Na een extra dag in de hut bleef het slecht. Daarom werd afgezien van een beklimming van de Aiguille d’Argentière en daalde het gezelschap af via de Col du Chardonnet richting Chamonix. In de beginjaren van haar carrière als alpinist, had ze de nodige problemen met haar kleding.
Over praktische knickerbockers droeg ik een zware lodenrok vol plooien, die afhing tot op de grond. Knoopjes en koordjes waren listig aangebracht om de rok tot voetvrij te verkorten. Dat was al een hele concessie van het fatsoen aan de sport. Nooit heb ik die rok meer gedragen. Ik trotseerde in het vervolg de gechoqueerde of nieuwsgierige blikken, die mij volgden als ik de bergen introk in mijn knickerbockers en kort jasje.8
In 1903 publiceerde Isabella Muller opnieuw over een beklimming. Ditmaal in de Mont Blanc-groep, namelijk van de Le Petit Dru, een markante rotspunt van 3795 meter hoog. Zij en haar gidsen startten vanuit Refuge du Montenvers, waar nu het spoorbaantje vanuit Chamonix, dat pas in 1909 in gebruik werd genomen, eindigt. Er ging nog een extra drager mee, voor hout en dekens. Er moest namelijk op een rotspartij in de Charpouagletsjer worden gebivakkeerd.
De beklimming door de rotsen van de Dru was een hele opgave; lastige, steile, soms overhangende rotsen, ook nog voor een deel verijsd. Even dreigden zij niet verder te kunnen, maar de berggidsen verenigden hun krachten en zij bereikten de top. Het artikel in Onze Eeuw is helder geschreven met prachtige impressies van het berglandschap.9 Een jaar eerder publiceerde zij een zeer uitgebreid artikel in hetzelfde blad over haar alpinistische avonduren in de zomer van 1901 in Wallis.10
In de gecombineerde jaargang 2 en 3 uit 1905 van de Mededeelingen schreef zij een artikel met als titel ‘Drie bergtochten van uit Salvan’.11 Naast de vlotte en toegankelijk pen waarmee zij schreef, stonden er nu ook prachtige foto’s van haar hand bij dit verhaal.
Zo reeg Isabella Muller in de begin jaren van de twintigste eeuw een indrukwekkende reeks, bepaald geen makkelijke bergtopen aan haar alpinistische palmares: Dent Blanche, Zinal Rothorn, traverse van de Barre des Ecrins, maar ze klom ook in Noorwegen.12

Mevrouw Damsté-Muller
Op 1 maart 1906 huwde Isabella Muller met de zes jaar oudere Henri Titus Damsté (1874-1955).13 Hij was de jongste van zeven kinderen uit een groot predikantsgezin. In Leiden bezocht Damsté de HBS. Hierna studeerde hij in Delft voor het examen voor hoge bestuursambtenaren in de Indische dienst. Eind 1894 vertrok hij naar Batavia. In 1896 werd hij te werk gesteld als aspirant-controleur en later als controleur in Sidjoendjoeng aan de westkust van Sumatra.14 In 1902 werd hij overgeplaatst naar Atjeh en in 1903 naar Zuid-Celebes. Gedwongen door ziekte keerde hij in 1905 voor een jaar verlof terug naar Nederland.

…dat Mejuffrouw J. F. Muller wegens aanstaand vertrek naar Indië ontslag had genomen als Secretaresse tegen 1 Januari a.s., welke taak zij sedert de oprichting der vereeniging met zooveel ijver en toewijding heeft bekleed.15
In de notulen van de volgende algemene vergadering op 22 februari 1906 lezen wij over de voorzitter: “Hij sprak den wensch uit, dat Mejufvrouw Muller, na haar huwelijk en vestiging in Indië, onze Vereeniging zou blijven gedenken en zoo mogelijk voor deze en hare publicaties werkzaam zou blijven. Reeds dadelijk ontvingen wij een blijk harer voortdurende belangstelling, door de plaatsing in onze bibliotheek van hare geheele Alpine-boekerij en kaartverzameling, om tot wederopvrage in bruikleen te verblijven. Voor deze welwillendheid zij HaarEdele ons aller dank gebracht.”16
In de periode van de Eerste Wereldoorlog verbleef het echtpaar in Nederland. In 1918 werd Damsté benoemd tot resident van Bali en Lombok, de hoogste rang in zijn loopbaan. In april 1923 ging hij met pensioen. Het echtpaar vestigde zich in Oegstgeest. Hier wijdde Damsté zich aan een enorme reeks wetenschappelijke publicaties over de cultuur en archeologie van Nederlands-Indië, het inheemse recht en het bestuur van de voormalige kolonie.17

Na vertrek naar Indië
Na haar vertrek bleef Isabella Damsté-Muller belangstellend lid van de vereniging. Als ze in Nederland was, bezocht ze de jaarlijkse ledenvergaderingen. Zij bleef, ook vanuit Indië, schrijven over alpinisme. In 1912 schreef zij een artikel over het tienjarig bestaan van de N.A.V.18
Weer gevestigd in Nederland, publiceerde ze een reeks van vier artikelen onder de titel ‘Een Alpenreis in 1791’.19 Zij beschreef daarin een wandelreis in 1791 van de tweeëntwintigjarige Middelburgse portret- en landschapschilder Pieter Gaal. Samen met zijn oudere vriend vertrokken zij vanuit Parijs voor een tocht door het toenmalige Savoye en Zwitserland. Van deze reis had Gaal een uitvoerig dagboek nagelaten, dat uiteindelijk in het bezit van zijn achterkleinzoon Damsté kwam. Isabella maakte in deze artikelen een reconstructie van de wandeltocht. In 1936 schreef ze een mooi verhaal over een tocht die zij maakte met haar zoon in het Zwitserse Graubunden in het tijdschrift De Wandelaar.20
Haar laatste artikel in De Berggids, het magazine van de toen inmiddels Koninklijke N.A.V., dateert uit 1959 en handelde over de noodzakelijkheid van terreinkennis in de bergen.21
Na de Tweede Wereldoorlog

Illustratief hoe er naar haar gekeken werd, is het volgende. In 1958 schreef de heer J.F. Saltet een artikel over zijn beklimming van de Aiguille de la Tsa (3668 meter) in de omgeving van het Zwitserse Arolla. Saltet, van 1955 tot 1958 bestuurslid van de Alpenvereniging, schreef:
In 1901 bestegen onze landgenote mevr. Damsté-Muller en haar twee gidsen (…) de wand.23
Zij schreef hierover een artikel in Onze Eeuw in 1902, dat later ook verscheen in de Mededeeling in 1911.24 Vervolgens schreef Saltet de enigszins twijfelachtige zin: “Deze vrouwelijke belangstelling deed me aanvankelijk aan mij zelf twijfelen, aan de andere kant gaf zij ook wel enige geruststelling.” (Ofwel, als een vrouw dat kan, zal de beklimming wel niks voorstellen, dus voor mij zal het geen probleem zijn.) De beklimming viel hem en zijn klimpartner Rob Leopold zeer zwaar tegen. Saltet concludeerde uiteindelijk:
…dan kan ik voor de prestatie van mevrouw Damsté-Muller slechts de grootste bewondering hebben.25
Over de oprichting van de vereniging schreef zij: “In den beginne was het geen florissante vereniging. Er werd gespot: er waren toch geen bergen in Nederland? En de kranten gewaagden smalend van de jonge vereniging. Maar de N.A.V. bleek levensvatbaar en groeide.”26
Bij het veertigjarig bestaan van de N.A.V. in 1942, dat vanwege de Duitse bezetting van ons land niet werd gevierd, werd mevrouw Isabella F. Damsté-Muller benoemd tot erelid.27
Terug uit Indië heb ik veel rond gezworven in Tirol. Ik maakte vele mooie tochten zowel in de Zwitserse als in de Oostenrijkse alpen tezamen met mijn kinderen. Mijn allerlaatste bergtoer maakte ik in ’46 naar de Piz Kesch vanuit de Piz Ketschhut. Het weer was ideaal, ik had prettig gezelschap aan mijn hotelier uit Latsch en een paar Zwitserse medegasten, en de tocht had veel afwisseling. Het was een mooi slot van mijn alpinistenloopbaan.28
Isabella Muller overleed op drieënnegentigjarige leeftijd op 21 november 1973. De Ranitz, de voormalige burgemeester van Utrecht en oud-voorzitter van de Alpenvereniging, schreef een in memoriam in De Berggids: “Haar krachtige, originele geest heeft ons in de huidige generatie rijpe vrucht gedragen.”29
Trivia

In de gecombineerde jaargang 2 en 3 van de Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging van 1905 schrijft zij de volgende notitie.31
Als een goed middel tegen het doorloopen van voeten heb ik de volgende zalf leeren kennen:
Acid. Salioyl………..1
Lanolien………….. 35
Yasel. Alb………….15
Het is hetzelfde middel dat door onze soldaten op marschen gebruikt wordt. Vóórdat men een tocht onderneemt en zoo mogelijk gedurende den tocht, wanneer men bemerkt, dat de voetzolen gevoelig beginnen te worden, wrijft men de voeten met deze zalf goed in, terwijl men de inwrijving ook na elken marsch herhaalt.
Weliswaar verhindert dit middel niet absoluut het ontstaan van blaren, maar de voeten worden toch veel minder gevoelig; daarenboven geneest deze zalf de huid snel en vermindert zij dadelijk de pijn.
Verder kan ik ten zeerste aanbevelen tegen het verbranden van de gelaatshuid gedurende gletschertochten: de pommade Sechehaye (Dépôt général: Pharmacie E. Hausser, 10 Place du Bourg de Four, Genève. Prix fr. 1.75.), bij de meeste Zwitsersche apotheken te verkrijgen. Het vermoeden is niet ongewettigd, dat de gunstige werking der zalf ten deele op rekening van de gele kleur te stellen is. De gele kleurstof belet de chemische (en daardoor prikkelende) lichtstralen, de blauwe en violette, tot de huid door te dringen.
– H.T. Colenbrander, ‘Levensbericht van Pieter Lodewijk Muller’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1905), p. 266-316.
– Isabella F. Muller, ‘Bergtochten in Wallis Juli-Augustus 1901.’, in: Onze Eeuw, 2(1902), p. 845-897.
– I.F. Muller, ‘Van het Rhônedal naar Chamonix’, in: Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 1(1903), p. 4-15.
– Isabella F. Muller, ‘Een beklimming van den Petit Dru (3795 M.)(Mont-Blanc-groep)’, in: Onze Eeuw, 3(1903), p. 453-469.
– Isabella F. Muller, ‘Drie bergtochten van uit Salvan.’, in: Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 2&3(1905), p. 16-29.
– I.F. Damsté-Muller, ‘Aiguille de la Za’, in: Ph.C. Visser Gzn. (redactie), Jaarboek van de Nederlandsche Alpen-Vereeniging 1911 – Pennische Alpen, Nijgh & Van Ditmar’s Uitgevers-Maatschappij, Rotterdam 1911, p. 194-205.
– I.F. Damsté-Muller, ‘Alpensport. – Tien-jarig bestaan Ned. Alpenvereeniging.’, in: Holland Expres, 5(1912)9, p. 176-180.
– I.F. Damsté-Muller, ‘Een Alpenreis in 1791 (I)’, in: De Wandelaar, 5(1933)1, p. 258-260. (Er verschenen nog 3 delen van dit artikel in dezelfde jaargang.)
– I.F. Damsté-Muller, ‘Naar en in het Zwitsersche National Park’, in: De Wandelaar, 8(1936)9, p. 295-300.
– I.F. Damsté-Muller, ‘Iets over de Nederlandsche Alpen-Vereeniging en mijn zelf’, in: J.A. Bierens de Haan (red.), Een halve eeuw Nederlands alpinisme, Nederlandsche Alpen-Vereeniging, Leiden 1952.
– I.F. Damsté-Muller, ‘Bergervaring en Terreinkennis’, in: De Berggids, (1959)1, p. 11-13.
– Charles Dufour en Robert Weijdert (red.), Bergland. Een eeuw Nederlands alpinisme, NKBV/Tirion Uitgevers, Woerden/Baarn 2002.
– C. Fasseur, ‘Damsté, Henri Titus (1874-1955)’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland. Vgl.: http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn3/damste (12-11-2013).
– C.J.A. de Ranitz, ‘In Memoriam I.F. Damsté-Muller’, in: De Berggids, (1974)1, p. 1-2.
– J.F. Saltet, ‘L Aiguille de Ia Tsa par la face’, in: De Berggids, (1958)5, p. 37-39.
– J.S. Schippers, ‘50 Jaren N.A.V.-geschiedenis’, in: J.A. Bierens de Haan (red.), Een halve eeuw Nederlands alpinisme, Nederlandsche Alpen-Vereeniging, Leiden 1952.
Noten
1 – J.S. Schippers, ’50 Jaren N.A.V.-geschiedenis’, in: J.A. Bierens de Haan (red.), Een halve eeuw Nederlands alpinisme, Nederlandsche Alpen-Vereeniging, Leiden 1952, p. 13.
2 – Charles Dufour en Robert Weijdert (red.), Bergland. Een eeuw Nederlands alpinisme, NKBV/Tirion Uitgevers, Woerden/Baarn 2002, p. 44.
De eerste Alpenvereniging werd opgericht in Engeland(!) de Alpine Club in 1857. Daarna volgden de Österreichischer Alpenverein in 1862, de Schweizer Alpen-Club in 1863, de Deutscher Alpenverein in 1869 en de Club Alpin Français in 1874.
3 – De Koninklijke Nederlandse Klim- en Bergsportvereniging is voortgekomen uit een fusie op 1 januari 1998 van Koninklijke Nederlandse Alpen Vereniging (KNAV) en de Nederlandse Bergsport Vereniging (NBV). De Koninklijke Nederlandse Alpen Vereniging werd in 1902 opgericht als Nederlandsche Alpen-Vereeniging (NAV) en werd bij het 50-jarig bestaan ‘koninklijk’. Voor het aantal leden, zie toelichting op de begroting: https://nkbv.nl/files/De_NKBV/mjbp_en_jaarplannen/begroting_nkbv_2025.pdf
4 – H.T. Colenbrander, ‘Levensbericht van Pieter Lodewijk Muller’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1905), p. 266-316.
Digitale Versie Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, raadpleeg: https://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw/#source=7&page=455&view=imagePane&accessor=accessor_index
5 – I.F. Damsté-Muller, ‘Iets over de Nederlandsche Alpen-Vereeniging en mijn zelf’, in: J.A. Bierens de Haan (red.), Een halve eeuw Nederlands alpinisme, Nederlandsche Alpen-Vereeniging, Leiden 1952, p. 37,38.
6 – Damsté-Muller, ‘Iets over de Nederlandsche Alpen-Vereeniging en mijn zelf’, p. 38.
7 – I.F. Muller, ‘Van het Rhônedal naar Chamonix’, in: Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 1(1903), p. 4-15. Dit artikel is opnieuw verschenen in: Dufour en Weijdert (red.), Bergland. Een eeuw Nederlands alpinisme, p. 48-53.
8 – Damsté-Muller, ‘Iets over de Nederlandsche Alpen-Vereeniging en mijn zelf’, p. 39.
9 – Isabella F. Muller, ‘Een beklimming van den Petit Dru (3795 M.)(Mont-Blanc-groep)’, in: Onze Eeuw, 3(1903), p. 453-469.
‘Onze Eeuw’ was tussen 1900 tot 1924 een tijdschrift voor staatskunde, letteren, wetenschap en kunst’, maandelijks uitgegeven door Bohn in Haarlem. Nu terug te vinden bij https://www.dbnl.org/ Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren.
10 – Isabella F. Muller, ‘Bergtochten in Wallis Juli-Augustus 1901.’, in: Onze Eeuw, 2(1902), p. 845-897.
11 – Isabella F. Muller, ‘Drie bergtochten van uit Salvan.’, in: Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 2&3(1905), p. 16-29.
12 – ‘Toer-Berichten 1905. F. P. Muller en Isabella F. Muller.’, in: Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 4(1906), p. 68 & 69.
13 – C. Fasseur, ‘Damsté, Henri Titus (1874-1955)’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland. Vgl. http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn3/damste (12-11-2013).
14 – H.T. Damsté, ‘Als jong controleur in Indië’, in: Haagsch Maandblad 4(1928)1, p. 250-270.
15 – ‘Ledenvergadering 4 November 1905’, in: Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 4(1906), p. 5 & 6.
16 – ‘Algemeene Vergadering te ’s-Gravenhage op 22 Februari 19065’, in: Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 4(1906), p. 130 & 131.
17 – Vgl. bijvoorbeeld: Collectie-Damsté in het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde Leiden, zie: https://collectionguides.universiteitleiden.nl/repositories/2/resources/750 of Dutch Studies on South Asia, Tibet and classical Southeast Asia, zie: https://www.dutchstudies-satsea.nl/deelnemers/damste-henri-titus/
18 – I.F. Damsté-Muller, ‘Alpensport. – Tien-jarig bestaan Ned. Alpenvereeniging.’, in: Holland Expres, 5(1912)9, p. 176-180.
19 – I.F. Damsté-Muller, ‘Een Alpenreis in 1791 (I)’, in: De Wandelaar, 5(1933)1, p. 258-260. (Er verschenen nog 3 delen van dit artikel in dezelfde jaargang.)
20 – I.F. Damsté-Muller, ‘Naar en in het Zwitsersche National Park’, in: De Wandelaar, 8(1936)9, p. 295-300.
21 – I.F. Damsté-Muller, ‘Bergervaring en Terreinkennis’, in: De Berggids, (1959)1, p. 11-13.
22 – ‘Verslag van de Jaarvergadering op 22 mei 1948.’, in: De Berggids, (1948)6, p. 146.
23 – J.F. Saltet, ‘L Aiguille de Ia Tsa par la face’, in: De Berggids, (1958)5, p. 37.
24 – Muller, ‘Bergtochten in Wallis Juli-Augustus 1901.’, p. 845-897.
I.F. Damsté-Muller, ‘Aiguille de la Za’, in: Ph.C. Visser Gzn. (redactie), Jaarboek van de Nederlandsche Alpen-Vereeniging 1911 – Pennische Alpen, Nijgh & Van Ditmar’s Uitgevers-Maatschappij, Rotterdam 1911, p. 194-205.
25 – Saltet, ‘L Aiguille de Ia Tsa par la face’, p. 39.
26 – Damsté-Muller, ‘Iets over de Nederlandsche Alpen-Vereeniging en mijn zelf’, p. 39.
27 – Schippers, ’50 Jaren N.A.V.-geschiedenis’, p. 19.
28 – Damsté-Muller, ‘Iets over de Nederlandsche Alpen-Vereeniging en mijn zelf’, p. 38.
29 – C.J.A. de Ranitz, ‘In Memoriam I.F. Damsté-Muller’, in: De Berggids, (1974)1, p. 1-2.
30 – ‘De Reis van de „Stella Polare”’, in: Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 2&3(1905), p. 41-42.
31 – ‘Zalf-recept.’, in: Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 2&3(1905), p. 44.
Philips Christiaan Visser, icoon van de Nederlandse bergsport
De eerste Nederlander die de Matterhorn beklom
Jaap Eden – De eerste nationale sportheld
Pionier Jeanne Immink evenaarde manlijke klimmers
Jenny Visser-Hooft, Nederlandse globetrotter en inspirerende alpiniste
‘Al klimmend opkomen voor je rechten’