Wie artikelen leest over de schilder Johannes Vermeer, zal daarin telkens weer de naam zien opduiken van zijn vervalser: Han van Meegeren. Dat ook Van Gogh zijn vervalser heeft gehad, is minder bekend. Het gaat hier om de Duitse kunsthandelaar Otto Wacker, die in 1929 in Leiden zorgde voor een internationale rel.
Kunsthistoricus Nicole Roepers studeerde in 1989 af op het in 1932 gehouden, geruchtmakende, Berlijnse proces tegen Wacker en de rol daarin van de Nederlandse kunstexpert H.P. Bremmer, als getuige-deskundige. Nicole Roepers, inmiddels conservator actuele kunst bij Museum De Lakenhal, vertelde mij in 1989 over haar speurtocht in oude politie-archieven naar de Leidse wederwaardigheden van Otto Wacker.

Het verblijf van Otto Wacker in Leiden maakte Roepers benieuwd naar meer. Maar naspeuring in Leidse couranten en periodieken leverde niets op. Bij het instituut voor kunstgeschiedenis krabde de bibliothecaresse zich achter de oren. “Otto Wacker? Nee, nooit van gehoord.”
Roepers achterhaalt na noeste naspeuringen dat het hele proces destijds in Berlijn, een farce is geweest, een blamage voor de kunstexperts, die maar niet tot een eensluidend oordeel konden komen over de echtheid of valsheid van de 33 Van Goghs die Wacker als kunsthandelaar in zijn bezit had en waarvan hij er al meerdere had verkocht. In Nederland zou Wacker op grond van een dergelijke bewijsvoering nooit zijn veroordeeld, in Duitsland wel. Barbertje moest hangen. Roepers afstudeerscriptie ging niet zozeer over Wacker zelf, maar meer over de rol van de Nederlandse kunstexpert H.P. Bremmer.
Roepers komt in 1988, tijdens een stage bij het Haagse Gemeentemuseum, in de correspondentie van Van Gogh-kenner H.P. Bremmer (1871-1956) een passage tegen over het Wackerproces. Bij dit proces, waarin moest worden beoordeeld of Otto Wacker als kunsthandelaar inderdaad verschillende Van Gogh-vervalsingen had verhandeld, was Bremmer een van de getuige-deskundigen in Duitsland. Bremmer was in Nederland zo’n beetje de eerste die het werk van Van Gogh op waarde wist te schatten. Onder zijn auspiciën kwam onder meer de collectie in het museum Kröller-Müller tot stand. In haar afstudeerscriptie behandelde Roepers eerst de voorgeschiedenis van het Wackerproces.

De Duitse politie onderzoekt de zaak en op 6 april 1932 kon het proces tegen Wacker beginnen. Een internationaal team van deskundigen moet een oordeel geven over de schilderijen.
Wie was die Otto Wacker eigenlijk? Roepers gaf ons een kijkje in het gedrag van deze figuur. Otto Wacker werd in 1898 geboren als zoon van een dagloner, die in zijn vrije tijd niet onverdienstelijk schilderde. Otto ging veel met zijn vader mee naar tentoonstellingen en begon zijn carrière als kunsthandelaar al op dertienjarige leeftijd met het verkopen van zijn vaders werk. Maar pas in 1914, als het gezin naar Berlijn is verhuisd, waagt hij zich aan de grote schilders. Als hij eenentwintig jaar is wordt hij door de politie gearresteerd voor het verkopen van een vals schilderij van Frans von Stück. Er lijkt dan een einde te zijn gekomen aan zijn loopbaan als kunsthandelaar. Hij gaat samen met zijn zusje dansvoorstellingen organiseren. Later treedt hij ook samen met haar op, onder het pseudoniem Olindo Lowael.
Hoe kwam Wacker eigenlijk aan die valse Van Goghs? Had hij ze zelf vervalst?
De Rus uit Zwitserland
Wie de werken vervalst heeft, is niet bekend. Het verhaal dat Wacker over de schilderijen heeft verteld tijdens het proces, is als volgt: na een optreden in de winter van 1923/24 ontmoette hij in Düsseldorf een in Zwitserland wonende Rus. Door deze Rus werd hij uitgenodigd om naar Zwitserland te komen. Volgens Wacker zelf zou hij door een privé-chauffeur van de Rus zijn opgehaald. Op deze manier kon Wacker de grenscontrole vermijden, want hij was niet in het bezit van een visum.

Wacker kreeg na lang aandringen uiteindelijk toestemming van de Rus om de Van Goghs te verkopen, als hij zijn mond maar dichthield over de herkomst van de schilderijen. Om deze collectie tentoon te kunnen stellen, opende Wacker in januari 1927 een kunsthandel in Berlijn. In het begin verkochten de Van Goghs goed, maar later kwamen er van alle kanten signalen dat het om valse werken ging.
Vergiftigd
Tijdens het proces in 1932, zo schreef Roepers in haar afstudeerscriptie, vertelt Wacker dat hij in januari en februari 1929 enkele dagen in Nederland is geweest. Roepers:
In oude dossiers van het Gemeente-archief van Leiden zijn nog enkele stukken te vinden over deze zaak. Zo is er bijvoorbeeld het schrijven van de politie-president in Berlijn, die vraagt of er destijds in Wackers bagage een brief van een vrouw uit Frankrijk is aangetroffen. Met deze vrouw zou Wacker contact hebben gehad over de geheimzinnige Rus. En in het Gemeente-archief zijn de verklaringen opgeborgen van de mensen met wie Otto Wacker hier in Leiden in aanraking is geweest. De eigenaresse van het hotel (de zus van Bremmer dus), die door de piccolo van het hotel wordt gewaarschuwd dat er een gast onwel is geworden, verklaart dat zij Wackers bagage heeft doorzocht. Daarin heeft zij geen brief van een vrouw uit Frankrijk aangetroffen. Wel zegt zij dat Wacker hem persoonlijk heeft verteld dat hij in Parijs een ontmoeting heeft gehad met een Rus.
Uit de verklaring van Bremmers nicht wordt duidelijk dat hij op 2 februari met Wacker een dagje uit is geweest in Leiden. Ze hebben samen het Rijksmuseum voor Oudheden bezocht en wat hofjes bekeken, ’s Avonds heeft Wacker in het restaurant van hotel Rijnland gegeten. Tegen de oberkelner van dat restaurant klaagde hij over hoofdpijn, waarna deze ober hem als medicijn een glaasje jenever heeft gegeven. Volgens diezelfde ober heeft Wacker, die homoseksueel was, tijdens zijn verblijf in Leiden af en toe bezoek gehad van een als heer geklede boer, van omstreeks negenentwintig jaar.
Wacker valt van de trap op 2 februari 1929, één dag voordat hij uit Leiden wil vertrekken naar Berlijn om daar verontruste kopers uitsluitsel te geven over de Van Gogh-schilderijen. Hij stuurt hen een telegram waarin staat dat hij op 3 februari zal afreizen naar Berlijn en daar op 4 februari vroeg in de ochtend zal aankomen. Maar er bevindt zich tussen de stukken in het Gemeente-archief nog een ander telegram, dat Wackers advocaat Goldschmidt hem stuurde op 31 januari. Het luidt als volgt: “In verband met hartklachten beveel ik intrek aan in een sanatorium, ik raad u echter aan zo spoedig mogelijk terug te keren.”

Hiermee wordt Wackers verklaring dat hij is vergiftigd wel erg dubieus. Hij heeft, zo lijkt het, de advocaat al geruime tijd voor zijn ongeval laten weten dat hij last had van zijn hart.
Op de kamer van Wacker worden direct na het ongeval twee flesjes aangetroffen; in het ene flesje zit valeriaantinctuur, in het andere een pepermuntachtige vloeistof. Ze worden door het gerechtelijk laboratorium onderzocht. Ook de ontlasting van Wacker wordt aan een nader onderzoek onderworpen. Dat betekent dus dat Wacker al direct na zijn val melding moet hebben gemaakt van de vergiftiging. Daarover was in de stukken in het Leidse Gemeente-archief niets meer terug te vinden. Wel wordt duidelijk dat er geen sporen van vergif zijn aangetroffen, niet in Wackers ontlasting en niet in de twee flesjes. Er moet dus een andere verklaring zijn.
Wacker logeert in hotel Rijnland aanvankelijk op de eerste etage. Maar nadat hij heeft geklaagd dat hij niet kan slapen doordat een kind in de kamer naast hem steeds hoest, verhuist hij naar de tweede etage. Aangenomen wordt dat hij ‘s nachts naar het toilet is gegaan op de eerste etage en, bij het teruggaan naar zijn kamer, op de tweede etage van de trap is gevallen. In de morgen van 3 februari wordt hij gevonden. Hij heeft zijn linkerpantoffel nog aan, zijn voeten rusten op de derde trede van de trap, zijn lichaam ligt in het trapportaal. Er sijpelt een klein straaltje bloed uit zijn mond, of uit zijn wang, dat kan de piccolo die hem aantreft zich niet goed meer herinneren. Deze piccolo verklaart tegenover de politie dat hij denkt dat Wacker achterover van de trap is gevallen.
Verdwenen bewijsmateriaal
Op 5 februari van het jaar 1929 meldt De Telegraaf dat Otto Wacker in Nederland gewond is geraakt bij een val van de trap. De redacteur schrijft dat Wackers Berlijnse klanten ernstig teleurgesteld zijn. Zij wilden wel eens weten hoeveel van de 33 Van Goghs vals waren, want misschien was er wel een doek bij dat zij hadden gekocht. Wacker had hen meegedeeld dat hij zo snel mogelijk zou terugkomen om aan de Berlijnse justitie nadere inlichtingen te verschaffen over de geheimzinnige Rus.
Verder had hij de kopers laten weten dat de Rus zich nu zelf voor het geval begon te interesseren. Daarom had hij hem, naar eigen zeggen, tien omstreden doeken teruggegeven. “Op deze wijze wordt dus bewijsmateriaal aan het Duitse onderzoek onttrokken”, schrijft De Telegraaf. Roepers:
De rechters veroordelen hem na een lang proces tot een jaar en zeven maanden gevangenisstraf en 30.000 DM boete. Elf schilderijen worden in ieder geval als vals bestempeld. Maar de bewijsvoering in deze zaak was uiterst gebrekkig.
Op het verhaal over de Rus werd door de rechtbank bijna niet ingegaan. Wie de schilderijen vervalst zou hebben kwam ook niet aan de orde. De kunstexperts spraken elkaar op alle mogelijke manieren tegen over de echtheid of valsheid van de Van Goghs, het was een blamage, volgens Roepers:
Een kwestie van feeling
Leent het werk van Van Gogh zich nu eigenlijk goed voor het vervalsen ervan? Roepers:
Bremmer heeft zelf trouwens ook nog eens iets geks meegemaakt met een vals schilderij. Met Kröller ging hij naar Parijs om een paar Van Goghs te kopen in een van de grote kunsthandels aldaar. Na afloop van de transactie zei een employé van die kunsthandel dat hij ook nog een Van Gogh had die hij alleen maar aan kenners liet zien. Het neusje van de zalm. Het was een ‘Gezicht op Leiden’. Bremmer wist meteen dat het doek vals was. Hij zei dat Van Gogh nooit in Leiden had gewerkt. Toen hij nog eens beter naar het schilderij keek, zag hij dat het gemaakt was door zijn vriend, de Leidse schilder Vijlbrief. Bremmer had het stadsgezicht voor deze vriend, die aan zwaarmoedigheid leed, nota bene nog zelf afgemaakt.
Hoe moeilijk is het om een Van Gogh op echtheid of valsheid te kunnen beoordelen? Roepers antwoordde in 1989:

Ook met chemisch onderzoek kun je proberen de echtheid van een werk vast te stellen. Maar het probleem daarbij is dat je dan verfmonsters moet hebben van die schilderijen waarvan iedereen weet dat ze echt zijn. En die heb je nu natuurlijk niet zomaar, je gaat zo’n schilderij niet beschadigen. Er zijn een tijd geleden wat beschadigde Rembrandts uit musea in Roemenië hier aangekomen. Daarbij zijn stukjes verf losgeraakt. Het klinkt wrang, maar daardoor kon het Rembrandt-onderzoek weer even vooruit.
In ‘Jong Holland’ nummer 2 van 1993 publiceerde Nicole Roepers een artikel naar aanleiding van haar scriptie: ‘De strijd der deskundigen. H.P. Bremmer en het Wackerproces’. pp 25-36.
Jean de Sperati, de meester-vervalser die zijn bedrog wilde bewijzen
De laatste (zware én productieve) maanden van Vincent van Gogh
Zelfportretten van Vincent van Gogh
Kleurenfoto Vincent van Gogh opgedoken
Tekenaar Marc Verhaegen over stripboek Vincent van Gogh