Otto Wacker verkocht tientallen valse Van Goghs

Nicole Roepers dook in zwendelaffaire
11 minuten leestijd
proces otto wacker
Proces over de valse Van Goghs, foto in de Provinciale Noordbrabantsche en 's Hertogenbossche courant van 07 april 1932 (Delpher)

Wie artikelen leest over de schilder Johannes Vermeer, zal daarin telkens weer de naam zien opduiken van zijn vervalser: Han van Meegeren. Dat ook Van Gogh zijn vervalser heeft gehad, is minder bekend. Het gaat hier om de Duitse kunsthandelaar Otto Wacker, die in 1929 in Leiden zorgde voor een internationale rel.

Kunsthistoricus Nicole Roepers studeerde in 1989 af op het in 1932 gehouden, geruchtmakende, Berlijnse proces tegen Wacker en de rol daarin van de Nederlandse kunstexpert H.P. Bremmer, als getuige-deskundige. Nicole Roepers, inmiddels conservator actuele kunst bij Museum De Lakenhal, vertelde mij in 1989 over haar speurtocht in oude politie-archieven naar de Leidse wederwaardigheden van Otto Wacker.

Hendricus Petrus Bremmer
Hendricus Petrus Bremmer, geportretteerd door Bertha van Hasselt
In 1929 was Leiden het decor van een spannende gebeurtenis rondom de vervalsingszaak van Otto Wacker. Roepers kwam er achter dat de beruchte Berlijnse en vermeende Van Gogh-vervalser Otto Wacker ernstig ziek werd in een hotel van een zuster van H.P. Bremmer, de bekende kunstcriticus, kunstpedagoog en handelaar/verzamelaar. Hij moest in een Leids ziekenhuis worden opgenomen.

Het verblijf van Otto Wacker in Leiden maakte Roepers benieuwd naar meer. Maar naspeuring in Leidse couranten en periodieken leverde niets op. Bij het instituut voor kunstgeschiedenis krabde de bibliothecaresse zich achter de oren. “Otto Wacker? Nee, nooit van gehoord.”

Roepers achterhaalt na noeste naspeuringen dat het hele proces destijds in Berlijn, een farce is geweest, een blamage voor de kunstexperts, die maar niet tot een eensluidend oordeel konden komen over de echtheid of valsheid van de 33 Van Goghs die Wacker als kunsthandelaar in zijn bezit had en waarvan hij er al meerdere had verkocht. In Nederland zou Wacker op grond van een dergelijke bewijsvoering nooit zijn veroordeeld, in Duitsland wel. Barbertje moest hangen. Roepers afstudeerscriptie ging niet zozeer over Wacker zelf, maar meer over de rol van de Nederlandse kunstexpert H.P. Bremmer.

Roepers komt in 1988, tijdens een stage bij het Haagse Gemeentemuseum, in de correspondentie van Van Gogh-kenner H.P. Bremmer (1871-1956) een passage tegen over het Wackerproces. Bij dit proces, waarin moest worden beoordeeld of Otto Wacker als kunsthandelaar inderdaad verschillende Van Gogh-vervalsingen had verhandeld, was Bremmer een van de getuige-deskundigen in Duitsland. Bremmer was in Nederland zo’n beetje de eerste die het werk van Van Gogh op waarde wist te schatten. Onder zijn auspiciën kwam onder meer de collectie in het museum Kröller-Müller tot stand. In haar afstudeerscriptie behandelde Roepers eerst de voorgeschiedenis van het Wackerproces.

Jacob Baart de la Faille
Jacob Baart de la Faille
De Berlijnse kunsthandelaar Matthiessen wendde zich in 1928 tot de politie met de klacht dat Otto Wacker 33 valse Van Goghs zou hebben verhandeld. Matthiessen was op het spoor gezet door de publicatie van Les Faux Van Gogh, een supplement van dr. J. Baart de la Faille op zijn oeuvre-catalogus over Van Gogh uit 1927. Hierin werden 33 werken, die Baart de la Faille in zijn oeuvre-catalogus nog voor echt liet doorgaan, opeens als vals aangemerkt.

De Duitse politie onderzoekt de zaak en op 6 april 1932 kon het proces tegen Wacker beginnen. Een internationaal team van deskundigen moet een oordeel geven over de schilderijen.

Wie was die Otto Wacker eigenlijk? Roepers gaf ons een kijkje in het gedrag van deze figuur. Otto Wacker werd in 1898 geboren als zoon van een dagloner, die in zijn vrije tijd niet onverdienstelijk schilderde. Otto ging veel met zijn vader mee naar tentoonstellingen en begon zijn carrière als kunsthandelaar al op dertienjarige leeftijd met het verkopen van zijn vaders werk. Maar pas in 1914, als het gezin naar Berlijn is verhuisd, waagt hij zich aan de grote schilders. Als hij eenentwintig jaar is wordt hij door de politie gearresteerd voor het verkopen van een vals schilderij van Frans von Stück. Er lijkt dan een einde te zijn gekomen aan zijn loopbaan als kunsthandelaar. Hij gaat samen met zijn zusje dansvoorstellingen organiseren. Later treedt hij ook samen met haar op, onder het pseudoniem Olindo Lowael.

Hoe kwam Wacker eigenlijk aan die valse Van Goghs? Had hij ze zelf vervalst?

De Rus uit Zwitserland

Wie de werken vervalst heeft, is niet bekend. Het verhaal dat Wacker over de schilderijen heeft verteld tijdens het proces, is als volgt: na een optreden in de winter van 1923/24 ontmoette hij in Düsseldorf een in Zwitserland wonende Rus. Door deze Rus werd hij uitgenodigd om naar Zwitserland te komen. Volgens Wacker zelf zou hij door een privé-chauffeur van de Rus zijn opgehaald. Op deze manier kon Wacker de grenscontrole vermijden, want hij was niet in het bezit van een visum.

Otto Wacker
Portrettekening van Otto Wacker in het Nieuwsblad van het Zuiden van 5 december 1928 (Delpher)
Toen hij eenmaal in het huis van die geheimzinnige Rus was, trof hij daar een internationale kunstcollectie aan. Daaronder bevonden zich ook een groot aantal Van Goghs, die in slechte staat verkeerden. De Rus vertelde aan Wacker dat die schilderijen, die tot het familiebezit behoorden, tijdens de revolutie uit Rusland waren gesmokkeld en dat hij ze niet kon verkopen omdat enkele van zijn familieleden daar nog woonden. Als de smokkel bekend zou worden, zou dat zeer nare gevolgen voor hen kunnen hebben.

Wacker kreeg na lang aandringen uiteindelijk toestemming van de Rus om de Van Goghs te verkopen, als hij zijn mond maar dichthield over de herkomst van de schilderijen. Om deze collectie tentoon te kunnen stellen, opende Wacker in januari 1927 een kunsthandel in Berlijn. In het begin verkochten de Van Goghs goed, maar later kwamen er van alle kanten signalen dat het om valse werken ging.

Vergiftigd

Tijdens het proces in 1932, zo schreef Roepers in haar afstudeerscriptie, vertelt Wacker dat hij in januari en februari 1929 enkele dagen in Nederland is geweest. Roepers:

Met de Van Goghs – aan de echtheid daarvan werd toen al getwijfeld – ging hij daar langs enkele experts. Een van die experts was H.P. Bremmer, een kenner van het werk van Van Gogh. Wacker logeert tijdens zijn verblijf in Nederland in Leiden, in hotel Rijnland aan de Steenstraat, dat wordt gedreven door een zuster van Bremmer. Op een ochtend vindt iemand van het hotelpersoneel hem bewusteloos onderaan de trap. Hij wordt opgenomen in het Elisabeth Ziekenhuis, in die tijd nog gevestigd aan de Witte Singel in Leiden. De doktoren spreken van een ernstige hartaanval, maar dat verwijst Wacker zelf naar het land der fabelen. Hij zegt dat hij vergiftigd is en dat de artsen in het complot zitten. Wacker raakt in die periode naar eigen zeggen zijn geheugen voor korte tijd kwijt. Enkele jaren later, tijdens het proces in Berlijn in 1932, herhaalt Wacker dat hij in Leiden vermoedelijk is vergiftigd.

In oude dossiers van het Gemeente-archief van Leiden zijn nog enkele stukken te vinden over deze zaak. Zo is er bijvoorbeeld het schrijven van de politie-president in Berlijn, die vraagt of er destijds in Wackers bagage een brief van een vrouw uit Frankrijk is aangetroffen. Met deze vrouw zou Wacker contact hebben gehad over de geheimzinnige Rus. En in het Gemeente-archief zijn de verklaringen opgeborgen van de mensen met wie Otto Wacker hier in Leiden in aanraking is geweest. De eigenaresse van het hotel (de zus van Bremmer dus), die door de piccolo van het hotel wordt gewaarschuwd dat er een gast onwel is geworden, verklaart dat zij Wackers bagage heeft doorzocht. Daarin heeft zij geen brief van een vrouw uit Frankrijk aangetroffen. Wel zegt zij dat Wacker hem persoonlijk heeft verteld dat hij in Parijs een ontmoeting heeft gehad met een Rus.

Uit de verklaring van Bremmers nicht wordt duidelijk dat hij op 2 februari met Wacker een dagje uit is geweest in Leiden. Ze hebben samen het Rijksmuseum voor Oudheden bezocht en wat hofjes bekeken, ’s Avonds heeft Wacker in het restaurant van hotel Rijnland gegeten. Tegen de oberkelner van dat restaurant klaagde hij over hoofdpijn, waarna deze ober hem als medicijn een glaasje jenever heeft gegeven. Volgens diezelfde ober heeft Wacker, die homoseksueel was, tijdens zijn verblijf in Leiden af en toe bezoek gehad van een als heer geklede boer, van omstreeks negenentwintig jaar.

Wacker valt van de trap op 2 februari 1929, één dag voordat hij uit Leiden wil vertrekken naar Berlijn om daar verontruste kopers uitsluitsel te geven over de Van Gogh-schilderijen. Hij stuurt hen een telegram waarin staat dat hij op 3 februari zal afreizen naar Berlijn en daar op 4 februari vroeg in de ochtend zal aankomen. Maar er bevindt zich tussen de stukken in het Gemeente-archief nog een ander telegram, dat Wackers advocaat Goldschmidt hem stuurde op 31 januari. Het luidt als volgt: “In verband met hartklachten beveel ik intrek aan in een sanatorium, ik raad u echter aan zo spoedig mogelijk terug te keren.”

Verhoor van Baart de la Faille tijdens het proces in Berlijn
Verhoor van Baart de la Faille tijdens het proces in Berlijn – Het Volk, 13 april 1932 (Delpher)

Hiermee wordt Wackers verklaring dat hij is vergiftigd wel erg dubieus. Hij heeft, zo lijkt het, de advocaat al geruime tijd voor zijn ongeval laten weten dat hij last had van zijn hart.

Op de kamer van Wacker worden direct na het ongeval twee flesjes aangetroffen; in het ene flesje zit valeriaantinctuur, in het andere een pepermuntachtige vloeistof. Ze worden door het gerechtelijk laboratorium onderzocht. Ook de ontlasting van Wacker wordt aan een nader onderzoek onderworpen. Dat betekent dus dat Wacker al direct na zijn val melding moet hebben gemaakt van de vergiftiging. Daarover was in de stukken in het Leidse Gemeente-archief niets meer terug te vinden. Wel wordt duidelijk dat er geen sporen van vergif zijn aangetroffen, niet in Wackers ontlasting en niet in de twee flesjes. Er moet dus een andere verklaring zijn.

Wacker logeert in hotel Rijnland aanvankelijk op de eerste etage. Maar nadat hij heeft geklaagd dat hij niet kan slapen doordat een kind in de kamer naast hem steeds hoest, verhuist hij naar de tweede etage. Aangenomen wordt dat hij ‘s nachts naar het toilet is gegaan op de eerste etage en, bij het teruggaan naar zijn kamer, op de tweede etage van de trap is gevallen. In de morgen van 3 februari wordt hij gevonden. Hij heeft zijn linkerpantoffel nog aan, zijn voeten rusten op de derde trede van de trap, zijn lichaam ligt in het trapportaal. Er sijpelt een klein straaltje bloed uit zijn mond, of uit zijn wang, dat kan de piccolo die hem aantreft zich niet goed meer herinneren. Deze piccolo verklaart tegenover de politie dat hij denkt dat Wacker achterover van de trap is gevallen.

Verdwenen bewijsmateriaal

Op 5 februari van het jaar 1929 meldt De Telegraaf dat Otto Wacker in Nederland gewond is geraakt bij een val van de trap. De redacteur schrijft dat Wackers Berlijnse klanten ernstig teleurgesteld zijn. Zij wilden wel eens weten hoeveel van de 33 Van Goghs vals waren, want misschien was er wel een doek bij dat zij hadden gekocht. Wacker had hen meegedeeld dat hij zo snel mogelijk zou terugkomen om aan de Berlijnse justitie nadere inlichtingen te verschaffen over de geheimzinnige Rus.

Verder had hij de kopers laten weten dat de Rus zich nu zelf voor het geval begon te interesseren. Daarom had hij hem, naar eigen zeggen, tien omstreden doeken teruggegeven. “Op deze wijze wordt dus bewijsmateriaal aan het Duitse onderzoek onttrokken”, schrijft De Telegraaf. Roepers:

De rechters veroordelen hem na een lang proces tot een jaar en zeven maanden gevangenisstraf en 30.000 DM boete. Elf schilderijen worden in ieder geval als vals bestempeld. Maar de bewijsvoering in deze zaak was uiterst gebrekkig.

Op het verhaal over de Rus werd door de rechtbank bijna niet ingegaan. Wie de schilderijen vervalst zou hebben kwam ook niet aan de orde. De kunstexperts spraken elkaar op alle mogelijke manieren tegen over de echtheid of valsheid van de Van Goghs, het was een blamage, volgens Roepers:

Er werd ook nog iemand van de Utrechtse dactyloscopische dienst gehoord, die de vingerafdrukken van de kunstenaar op een vals schilderij had vergeleken met die op de doeken die onvoorwaardelijk voor echte Van Goghs werden gehouden. Hij had veel punten van overeenkomst gevonden, de diapositieven van de afdrukken dekten elkaar volkomen. Maar dat mocht niet baten. Het bewuste doek werd naderhand toch als vals aangemerkt. De rechtbank in Berlijn stond uiterst sceptisch tegenover de deskundigen, vooral tegenover de Nederlandse. De Duitse deskundigen gaven voor hen de doorslag. In De Telegraaf wordt geschreven dat deze deskundigen een grote zelfdiscipline hadden en vooral dat zij, in tegenstelling tot hun Hollandse collega’s, onpersoonlijk optraden. Onder die Nederlandse experts waren er heel wat bij die contact hadden onderhouden met Wacker en die zijn valse Van Goghs eerst als echt hadden gekarakteriseerd.

Een kwestie van feeling

Leent het werk van Van Gogh zich nu eigenlijk goed voor het vervalsen ervan? Roepers:

Ja. Van Gogh bezat een wispelturige aard en die komt goed in zijn werk naar voren. Bovendien schilderde hij een aantal onderwerpen meer dan eens en werkte hij vaak in eenzaamheid. Daardoor is zeer moeilijk te bepalen hoeveel werken of voorstellingen hij nu precies heeft geschilderd. Zelfs enkele werken die tijdens het proces door de meerderheid van de deskundigen als vals werden gekenmerkt, werden jaren later bij nader onderzoek alsnog echt bevonden. In Duitsland heerste in die tijd grote hilariteit over die zogenaamde nepschilderijen. Er was toen een Schlager, ‘Mutter, der Mann mit der Koks (Cokes) ist da!’ heette dat lied. Dat betekent: ‘Moeder, de kolenboer is er!’ Dat werd toen door de mensen veranderd in: ‘Mutter, der Mann met der Van Goghs ist da!’ En het gekke is nu, dater wel eens is verteld dat het werk van Van Gogh inderdaad ooit per handkar werd uitgevent.

Bremmer heeft zelf trouwens ook nog eens iets geks meegemaakt met een vals schilderij. Met Kröller ging hij naar Parijs om een paar Van Goghs te kopen in een van de grote kunsthandels aldaar. Na afloop van de transactie zei een employé van die kunsthandel dat hij ook nog een Van Gogh had die hij alleen maar aan kenners liet zien. Het neusje van de zalm. Het was een ‘Gezicht op Leiden’. Bremmer wist meteen dat het doek vals was. Hij zei dat Van Gogh nooit in Leiden had gewerkt. Toen hij nog eens beter naar het schilderij keek, zag hij dat het gemaakt was door zijn vriend, de Leidse schilder Vijlbrief. Bremmer had het stadsgezicht voor deze vriend, die aan zwaarmoedigheid leed, nota bene nog zelf afgemaakt.

Hoe moeilijk is het om een Van Gogh op echtheid of valsheid te kunnen beoordelen? Roepers antwoordde in 1989:

Kunstschilder en  kunsttheoreticus Maurits van Dantzig
Kunstschilder en kunsttheoreticus Maurits van Dantzig (CC0 – Bram Wisman / Anefo)
Het blijft toch vooral een kwestie van feeling. Maar daarbij helpt bijvoorbeeld een methode zoals de pictologie, die is ontwikkeld door ene Van Dantzig. Bij die methode zijn de karakteristieken van het werk van Van Gogh in kaart gebracht. Op zijn schilderijen komen nogal eens voorwerpen voor die met de hand zijn gemaakt. Dat is een gegeven dat je op sommige doeken telkens weer aantreft. Bovendien zie je vaak dat er een of twee bomen door de lijst worden afgesneden. En dat in de eerste periode de wind bij Van Gogh altijd waait van rechts naar links, terwijl in latere perioden geen windrichting meer is waar te nemen. Zo heeft Van Dantzig een enorme lijst van die karakteristieken aangelegd. Als daarvan zo’n negentig procent voorkomt op een doek, kun je zeggen dat je met een echte Van Gogh te maken hebt.

Ook met chemisch onderzoek kun je proberen de echtheid van een werk vast te stellen. Maar het probleem daarbij is dat je dan verfmonsters moet hebben van die schilderijen waarvan iedereen weet dat ze echt zijn. En die heb je nu natuurlijk niet zomaar, je gaat zo’n schilderij niet beschadigen. Er zijn een tijd geleden wat beschadigde Rembrandts uit musea in Roemenië hier aangekomen. Daarbij zijn stukjes verf losgeraakt. Het klinkt wrang, maar daardoor kon het Rembrandt-onderzoek weer even vooruit.

In ‘Jong Holland’ nummer 2 van 1993 publiceerde Nicole Roepers een artikel naar aanleiding van haar scriptie: ‘De strijd der deskundigen. H.P. Bremmer en het Wackerproces’. pp 25-36.

×