Kenmerkend voor schilders uit Den Haag is door de tijd heen de terugkerende aandacht voor de zee, de kust en het spel van luchten en licht. En als ultieme uiting daarvan is er het Panorama Mesdag, waar je als het ware zelf ‘in het schilderij staat’.
In het voorwoord van het boek De schilders van Den Haag merkt de directeur van Panorama Mesdag op:
Ervaar hoe licht, lucht en water steeds opnieuw een bron van verwondering zijn – voor schilders en voor ons, hun toeschouwers.
In dit boek wordt het ontstaan van de Haagse School voorafgegaan door een bespreking van Engelse schilders als John Constable, die het ‘spel van de wolken’ als eersten natuurgetrouw wisten weer te geven. Bij ons waren dat aansluitend Johannes Bosboom en Andreas Schelfhout. De laatste, een toonaangevend Haagse landschapsschilder, experimenteerde nog vóór de Franse Barbizon-schilders met het schilderen in de openlucht (en plain air) en bracht deze directere natuurwaarneming over op leerlingen als Johan Barthold Jongkind en Jan Hendrik Weissenbruch.

Ook een schilder als Jozef Israëls trok naar het strand om daar lucht en water te schilderen; in het atelier poseerden vervolgens onder meer vissers als model.

Namen als Anton Mauve, Jacob Maris, Matthijs Maris en Willem Maris kwamen op. Op latere leeftijd vestigden ook Hendrik Willem Mesdag (achterneef van Lawrence Alma-Tadema) en zijn eveneens schilderende vrouw Sientje Mesdag-van Houten zich in Den Haag.
Hendrik werd een van de beste zeeschilders van Nederland, met bijvoorbeeld zijn kleurrijke werk Zonsondergang met garnalenvissers en als bekroning op zijn werk het Panorama Mesdag, waar onder andere Breitner aan meewerkte. Hij schilderde het dorp en de cavalerie op het strand, de Mesdags de strandomgeving.

In die tijd kwamen ook vrouwelijke schilders in Den Haag op, zoals Suze Robertson. Van Gogh werkte eveneens een tijdje rond Den Haag en de avant-gardistische Haagse Kunstkring werd opgericht. Jan Toorop organiseerde er de eerste Van Gogh-tentoonstelling in Nederland en de Franse dichter Paul Verlaine hield er lezingen. Intussen werd Scheveningen door de aanleg van de paardentram en een haven populairder. Expressionist Max Liebermann en Kadinski schilderden er regelmatig.

Vanaf 1926 kwam bovendien de kust – met name Kijkduin – steeds meer in beeld als inspiratiebron, terwijl de inmiddels geopende Haagse Kunstacademie uitgroeide tot een kweekvijver voor creativiteit.
Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de kust een trekpleister; in het schilderwerk van onder anderen Theo Bitter, Willem Hussem en Co Westerik kregen abstracte invloeden steeds meer ruimte. Zo maakte de laatste zes schilderijen van een zwemmer in zee. Volgens de in Den Haag geboren kunstschilder Theo Bitter had Den Haag een goed klimaat voor schilders…
…met rondom wieden, bossen, duinen en de zee met dat zilverig licht. Geen wonder dat hier de Haagse School ontstond, een school van kunstenaars die dat licht probeerden te vangen… (…) De zeelucht waait verfrissend over het land en schept een atmosfeer die tintelt in een fijne grijze schittering.

Het is een verdienste van de auteurs Werner van der Belt en Bob Hardus dat zij deze lokale schilderstraditie overzichtelijk en in een bredere context bijeenbrengen, rijk geïllustreerd met afbeeldingen.
Kinderen van de Haagse School. Spelen of hard werken
Sloopkogel maakte van Den Haag meer een ‘saaie stad achter de duinen’
Berlage en het Kunstmuseum Den Haag – Het gedroomde meesterwerk
Sint Jacobus, beschermheilige van Den Haag
Nieuwspoort, zestig jaar huiskamer van politiek Den Haag