Verdeel en heers
In de vroege ochtend van 28 mei 1940 legde het Belgische leger de wapens neer, na een militaire terugtocht van achttien dagen. De nacht voordien had koning Leopold III de onvoorwaardelijke overgave laten bekrachtigen. De militaire strijd was beslecht en er wachtte het land een lange bezetting.
Van de 616.000 Belgische militairen die tegen het uitbreken van de oorlog op de been waren gebracht, waren er tijdens de Achttiendaagse Veldtocht minstens 6700 gesneuveld. Ongeveer 95.000 van hen bevonden zich in de versterkings- en opleidingscentra en waren gevlucht naar Frankrijk. Sommigen hadden zelfs de oversteek van het Kanaal gewaagd. Het gros van de strijdmacht, de koning inbegrepen, werd bij de capitulatie echter krijgsgevangen gemaakt.

De plotse toevloed van honderdduizenden Belgische en geallieerde krijgsgevangenen zorgde aan Duitse zijde voor onverwachte logistieke problemen. Een groot aantal Belgische gevangenen werd meteen na de capitulatie of na enkele dagen gevangenschap dan ook vrijgelaten. Sommigen kregen het felbegeerde Entlassungsschein, het Duitse document dat hen formeel op vrije voeten stelde. Anderen onttrokken zich aan de krijgsgevangenschap door er met oogluikende toestemming van de Duitsers gewoon vandoor te gaan en de tocht naar huis aan te vatten.
Zo’n 225.000 Belgische militairen zouden wél in krijgsgevangenschap belanden. Een minderheid bestond uit beroepsmilitairen, die de ‘risico’s van het vak’ wel hadden ingecalculeerd. Het gros van de gevangenen waren echter gewone burgers, die als reservist waren opgeroepen aan het begin van de mobilisatie. Samen vertrokken zij in grote konvooien naar kampen in het Reich, voor korte of langere tijd. Zij werden een speelbal van de Duitsers, die de meesten van hen vrijwel meteen zouden inzetten om hun eigen economische noden op te vangen, zowel in de industrie als in de landbouw.
De heersende conventies die het lot en de behandeling van krijgsgevangenen reguleerden, in het bijzonder de Conventie van Genève, hadden niet enkel tot doel om de gevangenen te beschermen tegen een slechte behandeling van welke aard ook. Ze voorzagen ook in ontspanning en vermaak, en in de persoonlijke ontwikkeling van de krijgsgevangenen. Instanties zoals het Internationale Rode Kruis speelden een cruciale rol in de invulling van die opdracht en zagen ook toe op de uitvoering ervan. Na verloop van tijd ontstond in zowat alle krijgsgevangenenkampen een specifiek kampleven, meestal internationaal getint, waarin de zelfredzaamheid van de krijgsgevangenen het beste tot uiting kwam.

Meer dan 1750 Belgische militairen verloren tijdens hun gevangenschap het leven, ongeveer één per dag. Een aantal specifieke drama’s zoals die van Willemstad en Isenbüttel leidden al in het eerste oorlogsjaar tot honderden doden onder de gevangenen. In de kampen eisten ook arbeidsongevallen en ziekten door het gebrek aan hygiëne hun tol. Tot slot werden vele gevangenen slachtoffer van de verwoestende krijgsgebeurtenissen, zoals geallieerde of Russische bombardementen en de felle gevechten aan het einde van de oorlog.
Na de bevrijding, en in sommige gevallen al eerder, keerden de krijgsgevangenen naar huis terug. In het beste geval konden ze hun oude bestaan weer opnemen. Voor velen waren de omstandigheden echter voorgoed veranderd. Hun gezinssituatie bleek gewijzigd, dierbaren waren weggevallen en zowel economisch als sociaal wachtte hun een lange periode van onzekerheid, met in het beste geval herstel en re-integratie. Sommigen bleven echter voor het leven getekend.
In een Belgische context kunnen we niet om het feit heen dat de krijgsgevangenschap nog bredere politieke en maatschappelijke consequenties heeft gekend, waarvan de wortels terug te vinden zijn in de Duitse Flamenpolitik. Vrij snel na de Belgische capitulatie werd al duidelijk dat de Vlaamse krijgsgevangenen betere vooruitzichten hadden dan de Waalse. De Vlamingen kwamen veelal snel vrij, de meesten nog voordat ze naar de kampen waren afgevoerd, de anderen korte tijd nadien. Tegen het voorjaar van 1941 was de meerderheid van de Vlamingen weer thuis. Slechts een paar groepen bleven in gevangenschap achter. Aan Waalse zijde werden alle militairen gevangengehouden, de hele oorlog lang. Nergens anders dan in België heeft dat geleid tot een zo grote discrepantie in de manier waarop de gevangenschap werd ervaren binnen de afzonderlijke taalgemeenschappen. Het beproefde verdeel-en-heersprincipe dat nazi-Duitsland op de Belgische krijgsgevangenen toepaste, heeft tot op de dag van vandaag zijn sporen nagelaten.

(…)
De Vlamingen keren terug – het decreet van 14 juli 1940
Al op 6 juni 1940 had Hitler een order uitgevaardigd waarmee een groot aantal Vlaamse krijgsgevangenen in vrijheid werd gesteld. Vlaamse soldaten die op dat moment nog niet naar Duitsland getransporteerd waren en zich nog in de opvang- of doorgangskampen op Belgische bodem bevonden, waren inderdaad vrijgelaten, met uitzondering van de beroepssoldaten, de onderofficieren en de officieren.
Op 14 juli 1940 volgde een gelijkaardige maatregel, die de Flamenpolitik uit de Eerste Wereldoorlog nieuw leven moest inblazen. Om Vlaanderen voor de zaak van het nationaalsocialisme te winnen gaf Hitler het bevel dat de Vlamingen recht hadden op gunstmaatregelen die voor de Walen niet van toepassing mochten zijn. Door dit bevel ging het toekomstperspectief er voor de Vlamingen onder de 220.000 Belgische krijgsgevangenen in de Duitse kampen plots veel beter uitzien. Wie zich aan het begin van zijn gevangenschap als Vlaming had opgegeven, scheen in aanmerking te komen voor een vervroegde vrijlating. Bovendien zouden schijnbaar niet alleen de gewone gemobiliseerde reservisten van de maatregel kunnen genieten, maar ook de Vlaamse reserveofficieren. Enkel de Vlaamse beroepsmilitairen, in hoofdzaak officieren en onderofficieren, zouden in krijgsgevangenschap blijven.
Aan Waalse zijde was het verdict echter hard. De Walen viel deze voorkeursbehandeling niet te beurt en voor hen scheen het einde van hun gevangenschap nog niet meteen in zicht. Geen enkele Belgische militair van Waalse afkomst, ongeacht of het gewone reservisten of het beroepskader betrof, had ook maar enig uitzicht op vrijlating. Het hoeft dan ook geen betoog dat Hitler met de maatregel niet alleen de Flamenpolitik een nieuwe impuls had gegeven, maar ook handig gebruikmaakte van het oeroude verdeel-en-heersprincipe.

De taalcommissie
Vanaf augustus 1940 werd de regel van kracht. Met de regelmaat van de klok werden grote groepen Vlamingen uit krijgsgevangenschap ontslagen en naar huis gestuurd. Op sommige plekken duurde het langer voordat de vrijlating een feit werd, bijvoorbeeld op plaatsen waar de Vlamingen nog een actieve rol te vervullen hadden als dwangarbeider in de landbouw. Zodra de oogst achter de rug was, kwamen ook zij in aanmerking voor de terugkeer naar huis. Het hele repatriëringsproces zou een periode van ongeveer zes maanden overspannen en voortduren tot in de lente van 1941.
Dat er bij de opgave van de taalgroep waartoe men behoorde op grote schaal gefraudeerd was, was ook de Duitsers niet ontgaan. Het voorgevoel dat er voor de Vlamingen een voorkeursbehandeling in het verschiet lag waarvan de Waalse gevangenen niet zouden kunnen genieten, had heel wat Franstaligen ertoe aangezet om zich als Vlaming op te geven. Vooral wie ondanks zijn Waalse afkomst een Vlaams klinkende familienaam had, hoopte daardoor mee op de kar van de Vlamingen te kunnen springen.
De duizenden twijfelgevallen die op deze manier waren ontstaan, moesten uitgeklaard worden voordat er van vrijlating sprake kon zijn. Om het verschil duidelijk te maken tussen de echte Vlamingen en degenen die ervoor wilden doorgaan, wierpen de Duitse overheden een nieuw wapen in de strijd: de taalcommissie.

De taalcommissies trokken rond langs de verschillende kampen om er de twijfelgevallen ‘uit te sorteren’. Vaak waren de commissies samengesteld uit juryleden met een Vlaams-nationalistisch gedachtegoed. Zij wilden zich inzetten voor de Vlaamse zaak en waren een dankbaar instrument in de uitvoering van het decreet van 14 juli 1940, dat de Vlamingen van de Walen wilde scheiden. Wie de jury wilde overtuigen van zijn Vlaamse afkomst, moest dus zijn beste Vlaams uit de kast zien te halen. Het taalexamen zelf was echter een vrij rudimentaire proef, waarbij men de betrokken militairen via eenvoudige mondelinge dialoogjes taalkundig trachtte te duiden als Vlaming of Waal. Wie de jury kon overtuigen van zijn Vlaamse herkomst, maakte kans om in de prijzen te vallen. Wie niet slaagde of als Waal door de mand viel, zag zijn kansen op een voorkeursbehandeling aan zijn neus voorbijgaan.
Het nieuws over de taalcommissie en haar werking was in sommige plaatsen aan haar komst voorafgegaan. Waalse krijgsgevangenen lieten zich in de weken voordien gretig instrueren door Vlaamse medegevangenen om zich op hun verschijning voor de jury voor te bereiden. Het dient ook gezegd dat de jury niet overal even streng was en zich vaak mild opstelde voor gevangenen die eigenlijk op de Franstalige taalrol hadden moeten staan, maar zich toch uit de slag wisten te trekken in het Nederlands. Vaak volstond trouwens een elementaire Vlaamse woordenschat om als Vlaming gecatalogeerd te worden. Er zijn voldoende voorbeelden van Walen die zich dankzij de taalkundige spoedcursus die ze van hun Vlaamse lotgenoten hadden ontvangen, uiteindelijk slaagden voor de proef en dezelfde voordelen als de Vlamingen zouden genieten. Anderzijds zijn er ook getuigenissen over Walen die door afgunstige of rancuneuze Vlamingen bij de leden van de taalcommissie of de Duitse militaire hiërarchie werden verraden.
Dat overkwam Victor Guerlus, die zich aanvankelijk als Vlaming had opgegeven en daardoor in een barak met Vlaamse gevangenen was ondergebracht. Op een dag werd hij naar de binnenkoer geroepen, waar hij een tiental personen in burgerkledij zag staan, met voor ieder van hen een rij gevangenen.
Nog diezelfde dag werd Guerlus van de Vlamingen gescheiden en ondergebracht in een nieuwe barak, afgescheiden door prikkeldraad. Walen die erin geslaagd waren om niet als ‘verdachte’ te worden bestempeld, werden enkele weken later mee vrijgelaten.
Hermann Charlier had meer geluk. Toen de beruchte taalcommissie op 14 december 1940 in Neubrandenburg verscheen, werden zo’n tweeduizend Belgische krijgsgevangenen om negen uur ’s ochtends verzameld op de centrale weg in het kamp.
De Vlamingen waren gespannen, maar de vele Walen die zich in de rijen bevonden, zagen groen van schrik. Tijdens het vreselijke wachten dat aan het examen voorafging, zag men murmelende lippen die in stilte een paar gangbare zinnetjes oefenden in de taal van Guido Gezelle.
Binnen nam de spanning nog toe. Het examen voor de taalcommissie kon immers in aanzienlijke mate beslissen over het verloop van een mensenleven. Charlier werd er geconfronteerd met twee norse burgers, en in een hoekje ook twee Duitse officieren aan een kleine schrijftafel, bijgestaan door een lid van de Hitlerjugend. Bij de ingang kreeg elke kandidaat zijn persoonlijke fiche toegestopt. Veel eerbied voor de Belgische burgers had Charlier niet.
Ze verdienden het niet om nog Belg te zijn. […] Om hun nieuwe meesters een plezier te doen, hadden ze zich het recht toegeëigend om ons te komen beoordelen, wij, ongelukkige slachtoffers van de Achttiendaagse Veldtocht.
Toch was het lot Charlier gunstig gezind. Na een weinig gemoedelijke kennismaking met de eerste burger bleek de tweede iets zachtaardiger.
Ik gaf hem mijn fiche stevig in de handen en flapte er in één keer uit: “Ik ben geboren in Namen, maar mijn ouders zijn West-Vlamingen. Zoals u ziet ben ik dus een echte Belg.” “Jaja”, antwoordde hij stilletjes. Vervolgens ondervroeg hij mij. “Welk beroep oefent u uit?” “Ik ben bediende.” “Waar precies?” “In Brussel.” “Het is goed, u bent vrij”, besloot hij.
Af en toe werden Waalse gevangenen zelfs meer dan een handje geholpen door Vlamingen. ‘In die lange rij stonden ook diegenen (meestal Vlamingen) die zich bij de commissie gingen aanbieden onder denaam en met het stamnummer van een Waalse kameraad die het Nederlands niet machtig was. Ik heb er gekend die met de meest uiteenlopende vermommingen (een keer in een Belgisch en dan weer in een Frans uniform, een keer met baard en dan weer zonder baard, een keer met bril en dan nog eens zonder) tot vijf, zes, zeven, acht en zelfs negen keer voor de commissie verschenen (niet altijd gratis, dat dient gezegd) ten behoeve van Waalse lotgenoten, voordat ze zich onder hun eigen naam gingen aanbieden’, getuigde Jean Legros.

De Vlaamse beweging – Een parallelle geschiedenis van België
Het verhaal van Wallonië – De uitdaging van eigenheid
Wie zijn de Vlamingen? Een culturele geschiedenis
Isaac Cohensius was arts in nazi-werkkampen rond Auschwitz
Neurenberger Rassenwetten (1935)
Het ‘Guernica’ van Vlaanderen