Dark
Light

Édouard en Lucienne Didier, glamourkoppel van de collaboratie

Verrukkelijke verraders
Auteur:
5 minuten leestijd
Édouard en Lucienne Didier -- Detail van de boekcover
Édouard en Lucienne Didier -- Detail van de boekcover
Édouard en Lucienne Didier staan centraal in het recent verschenen boek Verrukkelijke verraders van Erik Thys. Het is het verhaal van een glamourkoppel dat in de jaren 1920 en 1930 tot de top van de Brusselse elite behoren. De twee resideren in een statig herenhuis en krijgen daar allerlei prominenten over de vloer, waaronder Paul-Henri Spaak, Dinaso-oprichter Joris Van Severen en Hendrik de Man. Ze zijn actief in een beweging voor een verenigd Europa. Eerst zonder succes. Maar dan beginnen ook de nazi’s over de vloer te komen. Later in de oorlog verkassen de twee naar Parijs, waar ze met nazigeld een uitgeverij oprichten die onder meer werk van Louis-Ferdinand Céline publiceert. Op Historiek publiceren we een fragment uit het boek, over een veiling van eigendommen van het collaborerende echtpaar.


Elsene, Renbaanlaan 37
maandag 5 februari 1945, 14u

Op de stoep staan een twintigtal mensen te wachten. Het geeft hen de gelegenheid om het statige herenhuis nader te bekijken. Ze zien een art-nouveau-façade met afgeronde vensters en arabesken in het ijzerwerk voor de balkons, voor de vensters en op de inrijpoort. Onder de grauwe roetlaag die de gevel bedekt is fijn gebeeldhouwde Franse steen te vermoeden. Met teer is naast de poort een onhandig hakenkruis geschilderd. Een man in Frans legeruniform opent de poort en leidt het gezelschap door een lange gang en vervolgens de trap op, naar de eerste verdieping. Het ontmantelde huis is vuil, de muren zijn gehavend. Hier is zichtbaar veel gebeurd. De voetstappen echoën in het holle huis.

Het buitengewoon grote salon geurt als een verwelkt boeket. Het straalt vergane glorie en degradatie uit, als een krijgsgevangen generaal die in een pak zonder das voor de rechter verschijnt. De ruimte is halfgevuld met kostbare stoelen en fauteuils, waarop de bezoekers schuifelend plaatsnemen. Het zijn mensen van allerlei slag, mannen en vrouwen, jong en oud, arm en rijk. De lage winterzon straalt door het achterraam naar binnen, op de stofwolk die de bezoekers in de muffe ruimte in beweging hebben gebracht, op de rook van sigaren en sigaretten, op hun gezichten. Ze monsteren elkaar, maar meer nog de stoelen waarop ze zitten. Voor zover ze het kunnen zien is het kostbare parket onder de stoelen doorkerfd met sporen van het brutaal verslepen van kasten en tafels, van een piano misschien. In de complexe, afgeronde motieven op het rijkelijke behang kunnen de aanwezigen tijdens het wachten even verdwalen. Op het hypnotiserende behang zijn overal verbleekte rechthoeken te zien, negatieve schaduwen van kunstwerken die ooit de trots van het huis waren.

Steunt men het zich aan de oorlog ontworstelende vaderland door geld te geven voor het verbeurd verklaarde bezit van een collaborateur?

Een deftige heer komt nu het salon binnen en stapt kordaat in de richting van de voorwerpen die aan de tuinkant van het salon uitgestald zijn: tafels, gedemonteerde kasten en bedden, twee manshoge Venetiaanse sculpturen van met bladgoud aangeklede Afrikaanse lampdragers, stapels kartonnen dozen. Geen kleinere voorwerpen: hier staat slechts wat te heet of te zwaar was om mee te nemen. Uit zijn boekentas haalt de heer een groot schrift, een houten blokje en een hamertje: de veiling kan beginnen. Nadat enkele kasten afgeklopt zijn op een – nog te verkopen – tafel, komen ook de stoelen waarop het publiek zit aan de beurt. Alles gaat vlot van de hand, voor kenners zijn het koopjes.

Dan buigt de veilingmeester zich voorover en graait in een doos. Hij haalt er een pak uit dat hij omhooghoudt alsof hij het aan een afgod gaat offeren. Vervolgens ontrolt hij het voorzichtig, het lijkt een onregelmatig tapijt. Hij spreidt het uit tussen zijn gestrekte armen, maar door het tegenlicht herkennen de bezoekers het pas na een poos: het is een groot leeuwenvel. Voor alle duidelijkheid toont de veilingmeester de woeste dode kop met verfomfaaide manen aan het publiek. Het is een confronterend, dubbelzinnig en symbolisch beeld, dat de sfeer van ingehouden sensatie en schande van deze veiling goed samenvat. Hier wordt de luxueuze inboedel geveild van een rijke uitgever die met de Duitsers collaboreerde. Wat betekent het als men zich tot de aankoop laat verleiden van zijn snobistische snuisterijen? Steunt men het zich aan de oorlog ontworstelende vaderland door geld te geven voor het verbeurd verklaarde bezit van een collaborateur? Of is de aanschaf van glorieuze memorabilia op deze veiling eerder een eerbetoon aan die op de vlucht geslagen dandy Édouard Didier, en zijn vrouw Lucienne? Na enige aarzeling en wat gegrinnik in de zaal gaat het vel voor een goede prijs van de hand. Opnieuw onwennigheid wanneer het de beurt is aan een kunstwerk. Uit een grote doos diept de veilingmeester een rechthoekig pak op waarvan hij voorzichtig het bruine papier verwijdert – papier is nog steeds schaars.

Het plechtige moment wordt verstoord door gestommel elders in het grote huis. De zware koetspoort slaat dicht, er wordt geroepen en moeizame voetstappen van verschillende personen dreunen de trap op. Er weerklinkt nu verontrustend gekreun en geweeklaag. De veilingmeester steekt zijn hand geruststellend op en legt uit dat het lege huis door de Belgische Staat ter beschikking gesteld is van vluchtelingen van de Slag om de Ardennen, die de geallieerden nog geen tien dagen geleden gewonnen hebben. Deze laatste stuiptrekking van de Duitsers was een verschrikkelijk bloedbad met bijna dertigduizend doden, onder wie meer dan tweeduizend onschuldige Ardense burgers. Vele overlevenden waren de afgelopen weken op de vlucht geslagen naar veiliger oorden. Zonet is een groep vluchtelingen in de Renbaanlaan gearriveerd, begeleid door een vrachtwagen volgeladen met hun bezittingen. Die worden nu naar binnen gesleept, naar de vele grote, lege kamers die het huis telt. Terwijl de bezoekers van de veiling naar het verhaal luisteren, stellen ze zich bij het onzichtbare gestommel en gesteun haveloze gezinnen voor, vervuild, getraumatiseerd en uitgeput, zich vastklampend aan koffers en balen met hun schamele bezit, in sterk contrast met de verweesde weelde in het salon.

Wanneer het iets stiller is geworden, tast de veilingmeester weer in het bruine papier. Hij houdt nu een ingekaderde kunstfoto omhoog met daarop een bijzonder elegante dame, neergezeten in een wonderlijke waas. Een kort jongenskapsel rond een fris en zelfzeker gezicht met klassieke proporties. Onder haar blote schouders een schitterende jurk in glanzend brokaat. Voor haar een Russische barzoi-windhond, die ze koestert terwijl ze beide naar rechts kijken, in de richting van het licht. Achter haar, rijkelijk behang met een complex dessin dat de aanwezigen plots herkennen als de intrigerende motieven die hen omringen. De fotograaf van dit meer dan twintig jaar oude staatsieportret is niemand minder dan de grote kunstenaar Man Ray. De veilingmeester legt uit: ‘Dit prachtige werk uit 1923 is vóór de oorlog tentoongesteld in galerie l’Époque. Daar werd dit portret van madame Lucienne Didier geflankeerd door de beeltenissen van Igor Stravinsky en Gertrude Stein.’ Blijkbaar is de foto ooit in een tijdschrift gepubliceerd, want de veilingmeester leest met beheerst sarcasme voor: ‘Wat een charme straalt er uit het mistige beeld dat mevrouw Édouard Didier zo vriendelijk was om Psyché te laten reproduceren. Bekenden van het Ter Kamerenbos en de Louizalaan herkennen haar elegante en vertrouwde silhouet, omringd door haar favoriete windhonden.’ Een jonge vrouw steekt meteen haar hand op, terwijl ze om zich heen kijkt. Er is niet zo veel concurrentie en al na twee rondes wordt haar bod niet overboden.
‘Waslet, Simone Waslet’, luidt het antwoord. De veilingmeester klopt af en noteert haar naam.

Verrukkelijke verraders - Erik Thys
Verrukkelijke verraders – Erik Thys
Tijdens de pauze stapt Simone nieuwsgierig naar voren om de goederen te monsteren. Tegen de muur staan enkele kartonnen dozen met in grote potloodletters ‘Toison d’Or’. Hurkend plooit ze een doos open en haalt er een boek uit dat ze aandachtig bekijkt. Ze bestudeert het van alle kanten, streelt de intacte rug van het boek als was het een oude vriend. Bovenop de titel Réflexions sur la paix staat gestempeld ‘sous sequestre’, in beslag genomen. Ze herkent het tortueuze boek over de vrede van de gevallen politicus Hendrik De Man. Een ander boek gaat door haar handen: Le soldat Johan van Filip De Pillecyn, de Franse vertaling van een Duitsvoelende Vlaming. Ook dit boek is ‘sous sequestre’, net als alle andere boeken in de doos. Volgt Le double visage van de Duitse auteur Paul Alverdes, in het Frans vertaald door een zekere Paul De Man. Simone weet dat de titel bijzonder toepasselijk is op de vertaler. Dan Ravage van de Franse schrijver René Barjavel. Dat boek kent ze als een sciencefictionroman over het hoogtechnologische Parijs van het jaar 2052 waarin het plotselinge verdwijnen van de elektriciteit een ‘ravage’ veroorzaakt. Best wel origineel en prikkelend, politiek niet zo controversieel als de andere boeken. Een klassieker in pocketformaat: Histoire de Charles XII, roi de Suède van Voltaire. Ze draait het boekje om en betast het mysterieuze monogram ‘TJ.D’ als was het braille. Ze diept nog boeken op, die haar zonder uitzondering vertrouwd zijn. Dit zijn onaangeroerde, in beslag genomen boeken van een foute uitgever, soms vergetenswaardige, soms tijdloos goede boeken, soms van foute, soms van boven elke verdenking staande auteurs, en dat in alle mogelijke combinaties. De veilingmeester verstoort haar mijmeringen: ‘Verschoning mevrouw, die dozen zijn niet te koop.’

Even later, terwijl de veilingmeester een antieke kast afklopt, klinkt er plots een schril gefluit van bewondering. De veilingbezoekers kijken om zich heen, op zoek naar de bron van het toch wat ongepaste geluid. Het lijkt wel uit de uitgestalde meubels te komen. De veilingmeester trekt prompt een doek weg en onthult een kooi met het enige levende object dat vandaag geveild wordt: een papegaai, die volgens het veilingregister Jaco heet.

~ Erik Thys

Boek: Verrukkelijke verraders

×