China en Rusland
Metaforen schieten tekort. Toch gieten historici die Chinees-Russische betrekkingen vaak in aanschouwelijke beelden om de verhoudingen concreet te maken. De tijdgenoten zelf gebruikten ze om buitensporige eisen en opgekropte krenkingen te illustreren. De banden tussen de twee landen, hun gemeenschappelijke belangen en hun onderlinge rivaliteit zijn echter ingewikkeld en ambivalent – te complex om ze te reduceren tot één iconisch beeld.

‘Jullie hebben [ons] nooit vertrouwd!’
Eén ding hebben al deze omschrijvingen met elkaar gemeen: China en Rusland lijken onscheidbaar en toch verschillend. Hun leiders waren er zeker van dat de verschillen in de culturele werelden en de onwetendheid over de ander hen van elkaar scheidden. Metaforen die sterkte of zwakte moeten uitdrukken – de lompe beer, de vuurspugende draak – gaan terug tot in de negentiende eeuw. Ze reduceren de twee landen weliswaar tot culturalistische waanvoorstellingen, maar soms dienen ze als positief zellfbeeld: in de iconografie die in de jaren 2024-2025 de vriendschap tussen de twee landen moet uitdrukken, slaan de panda en de bruine beer vlaggenzwaaiend een arm om elkaars schouder.
Hoe aanschouwelijk en concreet deze (taal)beelden ook mogen zijn, ze beoordelen, hiërarchiseren en normeren altijd. Maar juist omdat de Chinees-Russische betrekkingen bevreemdend overkomen, zijn metaforen tot op de dag van vandaag geliefd. Hun analytische gehalte is echter gering. In plaats daarvan kunnen tijdperk-overstijgende lijnen en periode-specifieke logica laten zien welke uitdagingen ertoe leidden dat China en Rusland met elkaar samenwerkten of concurreerden.

De imperiale centra streefden aan de ene kant naar doordringing van de randgebieden, aan de andere kant sloten ze het grensgebied naar buiten toe steeds hermetischer af. Er waren steeds minder dagelijkse contacten met de mensen uit het buurland. En tot in de jongste geschiedenis bleef de Amoer een grensrivier zonder bruggen. Verschillende derde landen hadden invloed op de bilaterale contacten tussen hen, met hen en tegen hen. Niet voor het laatst bleven China en Rusland ongelijkwaardig. Alle vriendschapsretoriek en mooie woorden over het streven naar symmetrie ten spijt werden hun betrekkingen gekenmerkt door een – hoe wisselend ook – asymmetrie, die maar één taal kende: die van de macht.
Drie tijdperken
Naast deze tijdoverstijgende kenmerken kunnen de vier eeuwen contact tussen China en Rusland in drie specifieke tijdperken worden ingedeeld, die elk een eigen logica hadden voor de onderlinge betrekkingen in het betreffende tijdperk: het imperiale tijdperk van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw, de socialistische wereldrijken van de twintigste eeuw en de autoritaire regimes van de huidige tijd.
De betrekkingen tussen China en Rusland in het imperiale tijdperk werden gekenmerkt door territoriale expansie, die van een aanvankelijke afstandelijkheid leidde tot een open confrontatie. In de zeventiende eeuw was er voor het eerst een directe uitwisseling tussen de twee rijken, hoewel ze nog aangewezen waren op jezuïeten, Mongoolse contactpersonen en een multi-etnisch diplomatencorps. Ondanks de snelgroeiende kennis over China in Rusland botsten hun ideeën over diplomatie. Geografische afstanden bleven een grote hindernis, totdat aan het eind van de negentiende eeuw de aanleg van spoorlijnen deze afstanden kleiner maakte en het eenvoudiger werd om contact te leggen.
De modernisering van de verkeerswegen bevorderde ook een massamigratie, die in beide rijken de etnische minderheden naar het grensgebied bracht. Hierdoor intensiveerden de dagelijkse contacten in nieuwe urbane centra zoals Harbin of Blagovesjtsjensk en eisten de twee rijken hun macht sterker dan voorheen op tot aan hun onveranderd streng bewaakte staatsgrenzen. Volgens de imperiale logica viel te voorspellen dat door de ingebruikname van de ruimte langs de grenzen de onwetendheid vanuit de verte zou omslaan in confrontatie in omstreden gebieden.

In de twintigste eeuw werden twee keizerlijke imperia twee communistische imperia. Maar al voor de oprichting van de Volksrepubliek in 1949 bewandelde China’s partijkader zijn eigen weg en claimde het na Stalins dood de socialistische wereldheerschappij. Halverwege die eeuw bereikte de economische verstrengeling van de twee centra onder Moskous dictaat nieuwe hoogten, en tegelijkertijd nam het ongeregelde grensverkeer af. Het socialistische tijdperk werd daardoor gekenmerkt door een zogenaamde ideologische eenheid en asymmetrische machtsverhoudingen in het voordeel van Moskou.
De anti-imperialistische retoriek bleef een façade. Beide landen onderwierpen hun grensgebieden door hermetische afsluiting enerzijds en deportatie van minderheden anderzijds: de laatste Chinezen werden in 1936 uit Vladivostok gedeporteerd en in de late jaren 1950 was de Russische gemeenschap in Harbin gekrompen tot enkele tientallen. Toen de ideologische splitsing duidelijk werd, viel de fragiele alliantie uiteen – zonder in een grote oorlog uit te monden. Er kwam een verbitterde rivaliteit om interpretatiemacht en morele superioriteit voor in de plaats. In de lijn van de communistische logica mondde de fictieve ideologische eenheid en de onderschikking uit in een open strijd om het monopolie op de juiste interpretatie.
Voorzichtig herdenken
De verschillende systemen die voortkwamen uit China’s openstelling na 1978 en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 maakten een hernieuwde toenadering mogelijk. De twee landen zijn tegenwoordig weliswaar ideologisch verschillend, maar als niet-democratische regeringsvormen des te compatibeler. Wat Peking en Moskou in de huidige tijd verenigt, zijn pragmatische politieke en economische belangen. Als autoritaire regimes perfectioneren ze repressietechnieken in het binnenland en wijzen ze de internationale orde onder leiding van de VS af. Rusland is economisch gezien duidelijk de mindere van China, vandaag de dag geldt: Russische hulpbronnen tegen hoogstaande Chinese technologie. Smeulende conflicten, bijvoorbeeld om de invloed in Centraal-Azië, zetten de twee landen momenteel opzij. Dankzij nieuwe reismogelijkheden nemen de dagelijkse contacten toe, maar de toenadering blijft doorgaans vluchtig. Deze wankelheden vertroebelen de officiële vriendschap echter niet – zolang gemeenschappelijke vijanden het gebrek aan integrerende, verbindende ideeën verdoezelen.
Volgens deze logica kunnen Rusland en China het zonder een dwingende ideologische uniformiteit stellen dankzij de illusie van eendracht tussen de antidemocratische systemen. De geschiedenis van hun onderlinge contacten drukt tot in de huidige tijd zijn stempel op de betrekkingen tussen China en Rusland. In de eenentwintigste eeuw wordt echter uiterst selectief omgegaan met de episoden uit het gezamenlijke verleden. Gedurende meer dan 400 jaar raakten Rusland en China territoria kwijt en gingen er mensenlevens verloren door het geweld van de ander. Hun rivaliteitskwesties maakten hun beider aanspraak een grootmacht te zijn op een pijnlijke manier twijfelachtig. Aan beide zijden worden de traumatische incidenten uit hun gedeelde geschiedenis tegenwoordig discreet en los van elkaar herdacht, want de ‘grenzeloze vriendschap’ laat geen ruimte voor dialoog over wonden uit het verleden.
In de officiële beeldvorming is de twintigste eeuw dan wel een tijdperk van broederliefde en vriendschap, maar in feite was het een periode van gruwel en geweld: in het jaar 1900 dreven Russen duizenden Chinezen de Amoer in. In 1929 en 1969 escaleerden lang smeulende conflicten tot bloedige grensoorlogen – die echter geen grote uitslaande branden werden. Maar zodra beide landen herinneringen kunnen oproepen over hun gedeelde lot als slachtoffer van een derde macht, volgen er plechtigheden met heel pompeuze herdenkingsrituelen, bijvoorbeeld Moskous feestdag op 9 mei, de ‘Dag van de Overwinning’ in de Tweede Wereldoorlog.

Er is iets dat nog kenmerkender is voor de huidige betrekkingen tussen China en Rusland. Ondanks alle vriendschapsbetuigingen herdenkt China noch Rusland de verdragen die aan de basis staan van hun onderlinge betrekkingen – noch het Verdrag van Nertsjinsk van 1689, noch het Vriendschapsverdrag van 1950. Het zou namelijk voor beide landen ongunstig zijn om oude allianties te herdenken die berusten op pijnlijke verliezen. De huidige solidariteit tussen de autoritaire systemen ontbreekt het aan historische substantie: China en Rusland hebben geen vormen gevonden om de traumatische gebeurtenissen onderling te verwerken of eenheid smedende rituelen in het leven te roepen die hun bondgenootschap een historische traditie zou verschaffen.
Tegelijkertijd heeft het erfgoed van hun onderlinge verstrengelingen diepe sporen nagelaten in het karakter van beide staten. Wat China en Rusland nu zijn, is zonder hun historische banden niet te begrijpen. China ontleende behalve de communistische ideologie het model van de partij- en staatsopbouw aan Moskou, dat het autoritaire beleid van Peking blijvend bepaalde. Dat Rusland de metropool Harbin in het noordoosten van China stichtte en de basis legde voor het spoorwegnet in Mantsjoerije werd in China lange tijd verzwegen, en tegenwoordig wordt er hooguit folkloristisch aandacht aan gegeven.

‘Bloedige Zondag’ en de Revolutie van 1905
Henk Sneevliet – Nederlander aan het roer van de Chinese revolutie
Komintern (1919-1943) – Communistische Internationale
Jan Bekker Teerlink en het leven in Kanton