Van Waalwijk naar Mongolië: missie en dood van pater Andreas Zijlmans

30 minuten leestijd
De enige bekende foto van Andreas Zijlmans
Voor zover bekend de enige foto van Andreas Zijlmans
De Waalwijkse missionaris Andreas Zijlmans vertrok in 1898 naar China om er het katholieke geloof te verkondigen, in een tijd van toenemende spanningen tussen westerse mogendheden en het Chinese keizerrijk.Twee jaar later kwam hij in Binnen-Mongolië, een noordelijke grensregio van het Chinese keizerrijk, om het leven, te midden van het geweld van de Bokseropstand. In onderstaand artikel, geschreven naar aanleiding van zijn boek ‘Andreas Zijlmans: martelaar of tragische held’, plaatst historicus Jan van Oudheusden Zijlmans’ het leven van Zijlmans in de bredere context van missie, imperialisme en anti-westers verzet rond 1900.

Andreas Zijlmans, idealist en tragische held

Het was de tijd dat de grote mogendheden Groot-Brittannië en Frankrijk met salvo’s vanaf kanonneerboten het Hemelse Rijk China openbraken, om zich te verzekeren van vette winsten in de opiumhandel. Hun troepen gingen aan land en waar zij op verzet stuitten, sloegen ze uit wraak aan het plunderen. Weldra wapperden de Europese vlaggen in alle belangrijke Chinese havens. Als een taart werd China door de westerse mogendheden opgesneden.

Het was ook de tijd dat Europese priesters met de edelste bedoelingen per stoomboot naar China afreisden. In de barre kou van Mongolië gingen zij op zoek naar kindjes die er letterlijk voor het oprapen lagen, te vondeling gelegd. De paters wilden ze redden, dopen en opvoeden tot goede christenen. De ‘soldaten van God’ bouwden kerken, scholen en weeshuizen.

In het jaar 1898 scheepte zich ook een jonge Waalwijker in voor de reis naar China om daar, vanuit een heilig vuur, ‘heidenen’ te gaan bekeren tot christendom. Zijn naam was Andreas Zijlmans.

Tijdens de Bokseropstand in het jaar 1900 kwam Andreas Zijlmans op tragische wijze om het leven. Zijn levensverhaal past naadloos in het tijdsgewricht van het moderne imperialisme. Uit zijn getuigenissen spreekt een idealistische dadendrang, maar ook een westers superioriteitsgevoel. Kunnen wij vanuit onze tijd nog wel begrip opbrengen voor wat hem bezielde? Zijn avontuur speelt zich af in een voltooid verleden tijd. Inmiddels is het Hemelse Rijk allang niet meer de speelbal van het Westen. De rollen zijn omgedraaid. Vóór 1800 was China al eeuwenlang het centrum van de wereld geweest, zeker in eigen ogen. Toen volgde ‘de eeuw van vernedering’ (1840-1949). Inmiddels is het Hemelse Rijk herrezen. Vandaag de dag ontwikkelt het zich opnieuw tot wereldmacht met een eigen rol op het geopolitieke toneel. Beijing zoekt naar genoegdoening. Het zal nooit meer afhankelijk zijn van vreemden en de buitenlanders alleen nog op eigen voorwaarden toelaten. Dat is wel eens anders geweest.

Het oude Waalwijk op een ansichtkaart
Het oude Waalwijk op een ansichtkaart

De keuze voor de paters van Scheut

We verplaatsen ons naar het dorpse Waalwijk van eind negentiende eeuw, waar André Zijlmans in 1873 het levenslicht heeft gezien. Naar zijn karakter, zijn opvoeding en toekomstdromen is het slechts gissen. Het is vast een manneke waar pit in zit. Hij is geboren in een goed rooms nest, als derde zoon in een gezin van uiteindelijk elf kinderen. Thuis wordt hem een sterk godsgeloof ingeprent. Idealisme is hem niet vreemd. Dat beweren althans postume karakterbeschrijvingen. Daarin is kleine André een heilig boontje, een priester-in-de-dop:

Als jongen was hij opgeruimd en levenslustig, als scholier naarstig en ijverig […]; het gebed was voor hem een ware zielsbehoefte geworden en ’t vertrouwelijk omgaan met God een wellust. De Echo van het Zuiden, 1 september 1923

Het is in deze tijd van ontluikende roomse bloei niet ongebruikelijk dat uit grote gezinnen minstens één telg wordt voorbestemd om priester of kloosterzuster te worden. Rond zijn twaalfde verjaardag moet André roeping hebben gevoeld tot het priesterschap. Komt zo’n roeping van binnenuit, als in een droom? Of wil hij braaf voldoen aan de verwachtingen van zijn familie of van de nonnen waar hij elke ochtend in de kloosterkapel de heilige mis dient? In elk geval belandt hij op het kleinseminarie Beekvliet. Met het diploma ‘humaniora’ (algemeen vormend secundair onderwijs) op zak vervolgt hij zijn weg naar het priesterschap bij de missiecongregatie van Scheut, te Anderlecht bij Brussel.

Het is een moedige keuze. Je weet dan zeker dat je leven zich ver van moeders pappot zal gaan afspelen. Misschien zie je je familie wel nooit meer terug. Kennelijk wordt de jongeman gedreven door oprechte geloofsijver. Ook mogen wij een zucht naar avontuur niet uitsluiten. Mogelijk haalt hij zijn neus ervoor op om straks zijn hele priesterleven te slijten in een modale dorpsparochie. Als André thuis het tijdschrift Katholieke Illustratie onder ogen krijgt, kan hij ronkende woorden lezen over de missionarissen van Scheut:

Sterk door het geloof, zeiden zij moedig vaarwel aan vaderland en ouderenhuis om, trots moeilijkheden en gevaren, Christus den gekruisten God-Mensch, die den heidenen eene dwaasheid is, op het onbekende strand te gaan prediken. Omgord met de wapenrusting van Christus’ strijders zouden zij door de kracht van het Kruis, die eenmaal hel en dood overwon, satans heerschappij vernielen en de ongelukkige volken tot een nieuw leven doen herboren worden. Katholieke Illustratie, jrg. 18, 1884, p. 241-242

Ferdinand Hamer
Ferdinand Hamer
Wie weet hebben dit soort vlammende woorden het missievuur in het hart van de jonge André doen ontbranden.

Vrijwel zeker heeft André als zestienjarige knaap de lokroep gehoord van de missiebisschop Ferdinand Hamer. Deze imposante geestelijke bezoekt in het jaar 1890 – als hij met ziekteverlof is in Nederland – namens de Congregatie van Scheut heel wat katholieke parochies. Hij komt er preken over China en fondsen werven. Natuurlijk is hij ook op pad om jonge ‘soldaten van God’ te ronselen. Onder fanfareklanken en met wapperende vlaggen ontvangen de katholieken hem in het dorp Ammerzoden, vlak over de Maas (De Maasbode 12-11-1890).

De congregatie van Scheut

De Congregatie van Scheut is pas gesticht in 1862. De curieuze naam ‘Scheut’ is ontleend aan het Scheutveld bij Anderlecht, een plek van waaruit de Franse generaal De Villeroy in 1695 met zijn kanonniers de stad Brussel had beschoten. Dat er in 1862 in het kleine België een missiecongregatie bijkomt, speciaal gericht op China, is het gevolg van twee factoren: wat er in China gebeurt, én wat er in België gebeurt.

Als de Chinese regering in 1839 een lading opium laat vernietigen die de Britten vanuit Bengalen willen importeren, eist Londen schadevergoeding. Om die eis kracht bij te zetten, zenden de Britten een expeditieleger. Een paar goed gemikte kanonsalvo’s vanuit gloednieuwe stoomraderboten schieten de Chinese jonken aan flarden. Deze Eerste Opiumoorlog heeft ver reikende gevolgen. Het Verdrag van Nanjing (1842) bepaalt dat opium voortaan vrijelijk mag worden ingevoerd, en stelt een vijftal Chinese havens open voor de handel. Vanaf 1844 wordt in die Chinese verdragshavens het christendom toegestaan. Het duurt niet lang of de eerste christelijke zendelingen en missionarissen strijken neer op China’s kusten.

Het Britse stoomschip Nemesis vernietigt enkele Chinese jonken tijdens de Eerste Opiumoorlog – Edward Duncan, 1843
Het Britse stoomschip Nemesis vernietigt enkele Chinese jonken tijdens de Eerste Opiumoorlog – Edward Duncan, 1843

Als de regering in Beijing zich tegen de westerse penetratie blijft verzetten, breekt in 1856 de Tweede Opiumoorlog uit. Dit keer laat ook Frankrijk zich niet onbetuigd. De Franse keizer Napoleon III stuurt troepen, nadat er een Franse missionaris is vermoord. Het is hem vooral te doen om het bezit van Indochina. In 1858 moet China het Verdrag van Tianjin tekenen, dat tien nieuwe havens openstelt voor buitenlanders. Later volgt er nog een rij ongelijke verdragen.

De kern is steeds dat buitenlanders in bepaalde delen van grote steden extraterritoriale rechten genieten. Zij mogen de Chinese wetten aan hun laars lappen en tegen lage tarieven hun westerse koopwaar slijten. Veertig jaar lang levert Groot-Brittannië tweederde van China’s import. Alle douanediensten zijn stevig in Britse handen.

In het verdrag met Frankrijk komt onder meer te staan dat elke Fransman zich overal in het Chinese keizerrijk mag vestigen, met de recht grond te kopen en kerken, ziekenhuizen, weeshuizen en scholen te bouwen. Vrije uitoefening van het christelijk geloof en bescherming zijn gegarandeerd. Zo hebben de Britse en Franse troepen met hun kanonneerbootpolitiek bereikt dat iedere missionaris of zendeling, mits voorzien van een Frans paspoort, goed beschermd het binnenland mag intrekken om het christelijk geloof te verkondigen. China ligt wagenwijd open voor de missie.

Dat er juist vanuit België belangstelling komt voor China, is voornamelijk toe te schrijven aan Leopold II, van 1865 tot 1909 koning der Belgen. Over Leopold is geschreven: ‘Zijn appetijt in bed was even onverzadigbaar als aan tafel’. België is te klein voor zijn ambities. Hij wil zijn land op de wereldkaart zetten. Kort nadat bovengenoemde verdragen met China zijn getekend, schrijft Leopold

Het is tijd om […] België een kolonie te bezorgen. […] Wij zullen een manier vinden om op één lijn te komen met Frankrijk en Engeland. […] In elk geval zullen de Belgen ervoor zorgen dat hun vaderland een deel kan pakken van de buit van de keizerrijken die daarginds zullen ineenstorten. Knipschild, p. 53-54

Die oproep is bij de Belgische clerus niet aan dovemans oren gericht. Twee actieve priesters, Théophile Verbist (1823-1868) en Alois van Segvelt (1826-1867), besluiten hun aandacht te gaan richten op China. Verbist is directeur van de Heilige Kindsheid, een organisatie die ‘ongelovige kinderen’ in ‘afgodische landen’ wil redden. Verbist hoort dat Chinezen ongewenste meisjesbaby’s vaak te vondeling leggen en dat er in China een schrijnend tekort is aan weeshuizen. Tijd voor actie!

De missie in Mongolië

In 1865 vertrekt het eerste groepje missionarissen naar China. Een van hen is Ferdinand Hamer uit Nijmegen (1840-1900). Vlak voor het vertrek uit Scheut stuurt Verbist nog een brief aan de premier van België: ‘De Belgische missie in China stelt zich primair ten doel de christelijke beschaving bij de heidense volkeren te brengen.’ In één adem verzekert hij de premier dat zijn missie in China ook de belangen van de Belgische regering zal dienen. Dat is nog eens taal naar het hart van koning Leopold II.

De laatste etappe van de maandenlange zeereis is van Shanghai naar de noordelijke havenstad Tianjin. De Scheutisten varen dan mee op een stoomboot die is volgeladen met opium. De paters hebben dan in Hongkong en in Shanghai al de gevolgen gezien van deze verderfelijke handel: de slachtoffers van het vreselijke vergif met hun uitgemergelde lichamen, hun ogen uitgeblust. Realiseren zij zich de onheilspellende symboliek? De blijde boodschap van Jezus wordt tegelijk naar China geïmporteerd met een lading opium die bedoeld is om de bevolking te vergiftigen…

Bisschop Hamer met zijn priesters.
Bisschop Hamer met zijn priesters.

Rome heeft de Scheutisten een ruim terrein voor missiearbeid toegewezen in en rond de Ordos, een steppegebied nabij de Gele Rivier, aan de zuidrand van het dunbevolkte Mongolië. De missie wordt opgezet vanuit Xiwanzi, enkele honderden kilometers naar het oosten. Er zijn daar al een weeshuis, een school en een seminarie. De jonge Ferdinand Hamer maakt verkenningstochten om verspreide missiedorpjes te bezoeken die aan de paters van Scheut zijn overgedragen. Hij ziet dat die vooral bekeerlingen aantrekken onder straatarme Chinese vluchtelingen. Die klampen zich als berooide asielzoekers vast aan de paters, van wie ze alle steun verwachten.

Met alleen hooggestemde idealen bereik je niets, zo leert Hamer snel. Alles is anders. ’s Winters kan het in de Ordos wel dertig graden vriezen. Dan draagt hij dus dubbel gewatteerde kleding, driedubbel gevoerde laarzen en een pelsmuts. Een missionaris moet niet zozeer vroomheid uitstralen, maar juist mannelijke kracht, om de inheemsen te imponeren. Dat vergroot de kans op succes bij het bekeren. De paters laten ook hun baard staan en ze doen zich ouder voor dan ze zijn. Ouderdom wekt gezag en respect in het oude keizerrijk.

Geredde Kleinen
Geredde Kleinen – Ansichtkaarten uit de missie van Scheut in China

Een ijzeren gestel is ook een voorwaarde. Europese dokters zijn er namelijk niet. Vlektyfus is de grootste killer. De luizen vinden een fantastische biotoop in de bontmantels en mutsen waarmee de paters zich tegen de barre kou van Mongolië beschermen. Twee van de vier pioniers van Scheut sterven al binnen drie jaar. Toch komt er groei in. Met geld dat in België is ingezameld en met hun technische en medische vaardigheden kunnen de Scheutisten indruk maken. Ze hebben wapens, medicijnen en niet te vergeten een wettelijke status die bescherming biedt. Ze zetten nieuwe bekeerlingen aan het werk. Die bouwen kerken, kapellen, scholen en weeshuizen, of ze werken als timmerman of als boer op het land.

De paters trekken van residentie naar residentie, overnachtend in de smerigste herbergen, vol stank en luizen. Zij leiden vaak een bar en eenzaam bestaan. Alle missiehuizen hebben ook een vondelingenschuifje. Haast iedere dag wordt er wel een vondelingetje in achtergelaten. Natuurlijk zijn het louter meisjesbaby’s, want jongens worden geacht later de familie voort te zetten en de graven van de voorouders te vereren.

Naderend gevaar

Naast bittere kou, eenzaamheid en vlektyfus hangt de Scheutisten een nog groter gevaar boven het hoofd. Dat is de vijandige houding van een deel van de Chinezen. Velen zien de westerse ‘barbaren’ als vreemde arrogante indringers, die zichzelf onkwetsbaar achten. Ze begrijpen niet waarom die vreemdelingen juist zoveel belang stellen in de opvang van kinderen van wie ze zelf noodgedwongen afstand hebben gedaan. Complottheorieën telen wierig. Sommigen verdenken de paters ervan dat ze geneesmiddelen produceren van lichaamsdelen van de kindjes die ze opvangen. Ze wijzen naar de kerkhoven waar opvallend veel kinderen begraven liggen.

Om de zoveel tijd komt het tot een uitbarsting van vreemdelingenhaat. Als de Chinezen in 1870 bij de Franse consul in de havenstad Tianjin (dan nog Tientsin) de ruiten ingooien, na geruchten over sodomie en kannibalisme, trekt deze zijn revolver. Dit lokt geweld uit. Er volgt een jachtpartij op alle Fransen. Elf missionarissen en meer dan honderd bekeerlingen vinden de dood. De kathedraal, het weeshuis en het consulaat worden in brand gestoken. Dertig jaar later zal het lugubere schouwspel worden herhaald in de Bokseropstand die André Zijlmans fataal zal worden. In de jaren 1880 stijgt de spanning tussen de westerse mogendheden en het keizerlijke hof in Beijing. Frankrijk vernietigt in een korte oorlog met acht oorlogsschepen de Chinese vloot en neemt Indochina in bezit. Berichten over de gewapende confrontaties wekken angst bij de missionarissen.

Voorlopig kunnen de ‘soldaten van God’ hun zegenende arbeid nog voortzetten. De missie van de paters van Scheut krijgt internationale bekendheid. Jaren van ploeteren en ontberingen hebben ervoor gezorgd dat Scheut vaste voet heeft gekregen in Mongolië. De naam en faam van de missie leidt tot geldzendingen, niet alleen uit België. Het moederhuis in Scheut mag zich zelfs verheugen in koninklijke belangstelling.

Maar hoe de paters ook ploeteren, de cultuurkloof blijft bestaan. Meer dan eens mondt wantrouwen jegens de ‘roodharige barbaren’ uit in bloedige confrontaties. Het keizerlijke hof in Beijing heeft geen machtsmiddelen om in het binnenland orde en gezag te handhaven. Het Hemelse Rijk verkeert immers in staat van ontbinding. In 1884 schrijft Hamer:

De overheid duldt ons omdat zij niet anders kan. Maar had zij het in haar macht, geen Europeaan zou de voet binnen de grenzen van China kunnen zetten. Knipschild

Als in 1894 het Chinese keizerrijk in oorlog komt met Japan, een natie in opkomst, heeft dit ernstige gevolgen voor de veiligheid van de missieposten. De troepen uit het binnenland worden weggehaald. Er blijven haast geen soldaten over om de paters te beschermen. Nu ruiken moslimrebellen hun kans om in opstand te komen tegen de Qing-dynastie. Ook de Mongolen weten dat de noordelijke grensprovincies van China er vrijwel onbeschermd bijliggen. De missionarissen van Scheut zien zich genoodzaakt hun residenties te versterken. Die komen eruit te zien als forten, compleet met dikke muren en wachttorens. Die versterkingen worden gebouwd met geld uit Europa dat eigenlijk is bestemd voor de bekering van de Chinezen.

De oorlog eindigt met een smadelijke nederlaag voor China. Het rijk verliest de controle over Korea (de inzet van de strijd) en moet ook Taiwan, de Pescadores en Zuid-Mantsjoerije prijsgeven. China moet aan Japan herstelbetalingen doen, zo schrijft het vredesverdrag van 1895 voor. Dat betekent onder meer dat de Mongoolse vorsten een stevige bijdrage moeten leveren. Uit geldnood verkopen die hun land aan de paters van Scheut. Veelal is dat prima landbouwgrond die de paters gaan benutten voor hun eigen bedrijven. Tegelijkertijd brengt de oorlog nieuwe vluchtelingenstromen op gang, met name Chinese onderdanen van Mongoolse vorsten. Wie zich tot het katholieke geloof bekeert, mag erop rekenen een stukje landbouwgrond toegewezen te krijgen, zaaizaad en een ploeg. Maar wel onder voorwaarde dat men elke dag de mis bezoekt, tot Jezus bidt en de catechismus leert.

Keizerin Cixi - Katharine Carl, 1903
Keizerin Cixi –
Katharine Carl, 1903
De jaren rond 1900 vormen het hoogtij van wat historici het Modern Imperialisme noemen: de waanzinnige wereldwijde wedloop van Europese mogendheden om koloniën, invloedssferen en marine-steunpunten. De paters krijgen gezelschap van de militaire uitzendkrachten uit Europa, en ook van ondernemers die, tuk op winst, de boot naar het Hemelse Rijk hebben genomen. China is na 1895 de zieke man van Azië. Slechts één kort moment krijgen voorstanders van modernisering de wind in de zeilen.

Van de zevenentwintigjarige keizer Guangxu is bekend dat hij China wil versterken. In de zomer van 1898, tijdens de zogeheten ‘Periode van Honderd Dagen’ probeert hij ijlings een reeks hervormingen door te drukken. Maar zijn tegenstanders scharen zich rond diens tante, de machtige keizerin-weduwe Cixi (1837-1908). Deze ‘tante van formaat’ bepaalt al vanaf 1861het lot van China. De arme keizer zit helemaal bij zijn tante onder de plak. In september 1898 trekken officieren, trouw aan Cixi, op naar de hoofdstad om de hervormers uit het zadel te lichten. Velen van Guangxu’s medestanders vluchten, enkelen worden geëxecuteerd. Cixi laat de machteloze jonge keizer zwakzinnig verklaren. Jarenlang zit hij onder huisarrest opgesloten in het Zomerpaleis.

Uitgerekend in dit jaar vol spanning, geweld en intriges arriveert de jonge, argeloze priester André Zijlmans in China. Welgemoed en vol idealisme wil hij er de leer van Jezus gaan verkondigen. Beseft hij wel hoe ongelukkig zijn timing is?

Onder een kwaad gesternte op reis

Andreas Zijlmans in vol ornaat
Andreas Zijlmans in vol ornaat
In juli 1898 rondt André zijn studie in Leuven af en ontvangt hij zijn priesterwijdingen. In vol ornaat moet hij op de foto. We zien een vrome, serieuze, enigszins gespannen ogende jongen; lange, vlassige baard, kalotje op het hoofd, brilletje op de neus, gebedenboekje in de hand, kruisbeeld binnen handbereik. Misschien wel de enige foto die ooit van André is gemaakt.

Nog éénmaal komt hij terug in Waalwijk: om in zijn moederstad afscheid te nemen van familie en kennissen en om er zijn eerste heilige mis op te dragen. Dat is op 17 september 1898. Het is een betrekkelijk sober afscheid. We lezen althans niets over erebogen, koorzang of huldeblijken vanuit de parochie, zoals indertijd bij Ferdinand Hamer in Nijmegen. Zijn afscheidspreek verraadt geen spoor van twijfel over zijn heilige missie:

Mijn roeping beschouw ik als een der grootste weldaden door Gods barmhartigheid geschonken. […] Zal iemand van u het mij euvel duiden, dat ik voornamelijk uw hulp inroep voor de zielen aan wie ik mijn jeugd, mijn krachten, mijn leven gewijd heb voor de zielen […] die verloren gaan bij gebrek aan redders?

Hij vraagt alle aanwezigen voor hem te bidden, en bij de rijke parochianen bedelt hij om een aalmoes. Zijn ouders, familie en verwanten staan om de jonge priester heen, met een mengeling van bewondering en bezorgdheid. Waarschijnlijk wordt er menig traantje geplengd. Ook krijgt de dappere Zijlmans bemoedigende reacties en schouderklopjes. ‘Tot in de hemel!’ hoort hij zeggen.

Als de stoomlocomotief zich op het Waalwijkse stationnetje puffend in beweging zet, is André begonnen aan de eerste etappe van de reis van 16.000 kilometer, op weg naar zijn noodlot. Nog diezelfde avond zit hij weer op zijn kamertje in het missiehuis van Scheut en schrijft hij naar huis. Het afscheid is hem zwaar gevallen, zegt hij, maar niet getreurd: een edel doel drijft hem voort. Op 22 september 1898 reist hij in een groepje per trein naar Parijs, en vandaaruit naar Marseille. Op diezelfde dag kunnen zijn ouders in het Waalwijkse krantje De Echo van het Zuiden een alarmerend bericht lezen:

Te Ho-Chou, op 130 mijlen afstand van Chankin, zijn nieuwe onlusten uitgebroken. De inrichtingen der Franse en Amerikaanse missies werden aangevallen; die der Franse missie werden verbrand. De Echo, 22 sept. 1898

Begrijpen ze de draagwijdte van zo’n bericht? Of wuiven ze het weg? Zelf lijkt André allerminst door angst bevangen. In een brief naar huis meldt hij dat hij verkeert in een stemming van ‘een tevreden vergenoegdheid, een berustende opgeruimdheid’. Zo het hem al zwaar te moede is, laat André het thuisfront er in zijn reisbrieven niets van merken.

Wij stevenden naar Mongolië, het land onzer dromen, het dierbaar land, […] het rijke land waar wij […] zielen gingen werven en gelukkig maken voor en in Jezus Christus. Alle brieven postuum in De Echo 1901-1902

Uit geen van de brieven spreekt een somber voorgevoel. In Saigon heeft hij berichten opgevangen over onlusten in China. Meteen stelt hij zijn ouders gerust: het zal zo’n vaart niet lopen. Een verkenningstocht in de Britse kroonkolonie Hongkong sterkt André in zijn overtuiging dat de westerse koloniale aanwezigheid een zegen voor het land is. Vroeger had je daar alleen maar kale rotsen; de Britten hebben die omgetoverd in groene, vruchtbare hellingen. Mede daardoor is ook het klimaat draaglijker geworden. ‘Nu staat daar, op dat eertijds onbewoonde eiland, met rechtmatige trots een der grootste handelssteden van heel de wereld. Toch slimme en praktische lui, die Engelsen!’.

Wat een contrast met hoe hij de Chinese inwoners beschrijft: leugenachtig en onbetrouwbaar. ‘Hier nu krioelde het van de Chinezen. Chinese vrouwen onder wie verschillende met die benepen kleine voetjes; jonge Chineesjes van beiderlei kunne. Dat jonge volkje zag er het liefste uit van allen. Hoe ouder men de Chinezen ziet, hoe lelijker ze zijn! Zij vallen me echter nog veel mee, mijne Chinezen. Er zijn flinke kerels bij en die er slim uitzien en het ook zijn.’

Op 6 november arriveert André in Tang-Kou, een voorhaven van de noordoostelijke stad Tianjin. Tot zijn schrik ziet hij in de haven wel twintig Europese oorlogsschepen liggen, ‘kolossale gevaarten die dienen om de woelige Chinezen in bedwang te houden’. Een veeg teken! Het eerste wat ze doen is een gebedsdienst houden voor Johannes Gabriël Perboyre, een Franse Lazarist die in 1840, tijdens de Eerste Opiumoorlog, in de provincie Hubei werd gemarteld en gedood door xenofobe Chinezen. De Echo geeft later (1923) postuum commentaar:

Het was alsof hij in die martelaar voor het geloof zijn voorbeeld zag, alsof hij toen reeds een voorkennis en een voorgevoel had van zijn kort nabij zijnde martelaarsdood.

In Beijing is de toestand gespannen. André hoort dat daar een Chinese generaal met 20.000 militairen is aangekomen, met de bedoeling alle Europeanen in de stad om zeep te helpen. Even later verneemt hij dat die booswicht, bang voor een actie van de westerse kanonneerboten, de hoofdstad weer heeft verlaten. Het slechte nieuws is dat hij met zijn bandietenleger naar Oost-Mongolië is afgezakt. Die zit straks dus op korte afstand van de missieposten van Scheut, denkt André. Hij is er niet gerust op. ‘Wee onze missionarissen en hun christenen indien dit waar was!’

Vol verbazing kijkt André naar de ingebonden voetjes van de voorname vrouwen in Beijing. Later, in de missiepost Xiwanzi, moet hem van het hart:

O! Wat een verschil tussen deze heidense vrouwen en onze christinnen van Xiwanzi! Hier geen kleine voetjes meer, niet meer die verachtelijke wezens, maar vrouwen door de godsdienst vrijgemaakt, geen slavinnen meer maar trouwe gezellinnen van de man, goede en zorgzame huismoeders.

En hij voegt daar nog aan toe: ‘Op het gelaat van de heiden ligt iets sombers, iets weemoedigs, iets dat u doet zeggen: die man leeft zonder hoop, zonder liefde. Bij de christenen daarentegen vindt men die open oogopslag, dat vrolijke gelaat, welke een bewijs zijn van een vrolijk hart.’

Bisschoppelijke residentie te Si wan tze (1912).
Bisschoppelijke residentie te Si wan tze (1912).

Voor de lange reis van Beijing naar de missiepost Xiwanzi bestijgen de paters Mongoolse muilezels. De koffers zijn op de ruggen van andere muilezels gesjord. Ze passeren tweemaal de Grote Muur. Dan zijn ze in Mongolië. Daar hoeven ze niet meer in gore herbergen te overnachten; ze zijn te gast in missieposten van de eigen orde. In zo’n residentie komen de christenen de nieuwe paters tegemoet met lantaarns van papier, en heel het dorp is op de been. ’s Avonds zitten ze met de gastheren te keuvelen en nieuwtjes uit te wisselen, onder het genot van een glas wijn. Een warm bad voor André:

Als men op reis geruime tijd met heidenen te doen heeft gehad, merkt men pas echt de invloed van de godsdienst op onze Chinezen, die eerbiedige vertrouwelijkheid, die echt kinderlijke vreugde bij het zien van zovele nieuwe priesters die alles verlaten hebben om hun de weg naar de hemel te tonen.

Verbluft kijkt André naar de bekeerde Chinezen die hun respect voor de westerlingen uiten met de traditionele kowtow: ze stijgen af van hun paardjes, gaan voor André staan, knielen op de grond en buigen dan driemaal voorover, zo diep dat hun voorhoofd de grond raakt. Die gymnastische oefening herhalen ze voor elke andere priester. Nog juist vóór zijn vijfentwintigste verjaardag voelt André dat zijn droom is uitgekomen. Hij is gearriveerd op zijn eindbestemming. Hij zal zich gaan klaarmaken voor het bekeringswerk, waarnaar hij in wezen gedurende al die jaren van zijn priesteropleiding heeft toegeleefd.

Nu gaat het erom zo snel mogelijk Chinees te leren. Nergens lezen we in André’s brieven dat de priesterstudenten deze taal al tijdens zijn studiejaren in Scheut en Leuven op het lesrooster hadden staan. In elk geval moet hij nu een soort stoomcursus gaan volgen. Heeft André voorgevoelens van de storm die weldra over Noord-China zal razen? Die blijken niet uit zijn brieven. In januari 1899 vertelt hij in een lang epistel vrijwel niets over eventuele onrust. Hij is vol van een recent bezoek van de nieuwe apostolisch vicaris van Midden-Mongolië. Die feestelijke, sinterklaasachtige intocht, compleet met erebogen, slingers en Bijbelse prenten, maakt indruk.

De frequentie van zijn brieven neemt af. André excuseert zich en zegt te hopen de komende winter meer tijd te kunnen vrijmaken, als hem een eigen missiegebied is toegewezen, ‘een eigen kuddeke, dat over tien, twintig dorpen verspreid is’. Hij verwacht dat Rusland in 1902 de trans-Siberische spoorweg naar Beijing zal doortrekken. Dan zal een thuisreis nog maar drie weken duren in plaats van de zeereis van vier maanden. Hij zegt zich gelukkig en tevreden te voelen en uit te zien naar minstens tien tot twintig jaar Mongolië. Maar tegelijk moet hem van het hart dat hij zich in dit hele eerste jaar vaak een ‘wandelende Jood’ heeft gevoeld. Zolang hij geen eigen parochie heeft, kan hij zijn draai niet vinden.

Eind 1899 wordt André dan eindelijk benoemd op een missiepost. Die heet Cha-ber-noor (of Thoemet) en ligt aan de zuidkant van de zogeheten ‘Blauwe Stad’ (Hohhot) in zuidelijk Mongolië, ten noorden van de Ordos en de Grote Muur. Maar tijd om daar de zielzorg op poten te zetten zal hem niet meer gegund zijn. Het onzalige jaar 1900 is aangebroken.

De Bokseropstand van 1900

Noord-China wordt in 1899 en 1900 geteisterd door een rampzalige droogte. De boeren hebben het zwaar. Uit wanhoop houden zij ceremonies en processies om bij hun goden regen af te smeken. Maar de buitenlandse geestelijken verbieden deze praktijken. ‘Haal weg, die afgodsbeelden!’ zeggen ze. Dat zet kwaad bloed. Veel boeren geven de schuld van hun ellende aan allerlei nieuwigheden van de westerse beschaving, zoals de vuurspuwende locomotieven en de telegraafpalen. Voor de missionarissen van Scheut bewijzen die primitieve reacties dat de Chinezen maar domme wezens zijn.

De congregatie van Scheut heeft met sponsorgelden in de Ordos en langs de Gele Rivier hele lappen grond kunnen kopen, onder de voeten van lokale pachtboeren vandaan. Die boeren weigeren zich van hun grond te laten zetten door de ‘westerse duivels’. Er hangt revolte in de lucht. Monseigneur Alfons Bermijn (1853-1915), de militante nieuwe provinciale overste van de Scheutisten, kent geen pardon. Die grond is nodig, zegt hij, om er bekeerlingen op te laten werken. Zo wil hij ze binden aan de missie. Bermijn wil de oproerige boeren een lesje leren. Op 18 mei 1900 stuurt hij, als een ware imperialist, gewapende christenen op de boeren af. Vier ‘heidenen’ worden gedood en in de Gele Rivier gesmeten. Bisschop Ferdinand Hamer distantieert zich van de moorddadige actie van zijn vechtlustige medebroeders: ‘Ik ben bang dat de zaak een lelijke staart zal hebben.’ (Knipschild p. 287). Hij krijgt gelijk.

Keizerin Cixi
Keizerin Cixi
Inmiddels zit keizerin-weduwe Cixi al lang te wachten op een gelegenheid om de gehate westerlingen uit China te verdrijven. Die kans doet zich voor als in 1900 in Noord-China een grote opstand uitbreekt van een volksbeweging die in de pers de naam ‘Boksers’ zal dragen, naar een van de fanatiekste groepen, ‘Vuisten van de Gerechtvaardigde Eensgezindheid.’ Zij beoefenen een oude Chinese vechtsport, met blote vuisten of met lange messen en speren. Zij hebben het gemunt op de buitenlanders, maar net zo sterk op de allochtone Qing- (ofwel Mantsjoe) dynastie.

De opstand groeit uit tot een massabeweging. Hun moordpartijen worden door keizerin-weduwe Cixi eerst lauwtjes bestreden, vervolgens gedoogd en ten slotte aangemoedigd. Sluw leidt zij de volkswoede af richting buitenlandse concessies, westerlingen en Chinese christenen. De leus van de Boksers luidt dan: ‘Steun de Qing, vernietig de vreemdeling!’ Westerse missionarissen zijn het mikpunt. Die voelen angst, als ze posters zien hangen die in de vorm van kettingbrieven zijn verspreid. Daarin staan teksten als:

Wij zullen soldaat worden en de Europeanen bevechten. Wij moeten beginnen met de stoomboten te vernielen, de spoorlijnen op te breken en de telegraaflijnen door te snijden […] We zullen snel klaarkomen met de westerse duivels en hun volgelingen in het binnenland. Tot de laatste man moeten zij vermoord worden. Knipschild

De vuistvechters trekken een spoor van vernieling en begaan onbeschrijflijke wreedheden. Westerse krantenredacties schrijven over de moed van slachtoffers tegenover ‘overweldigende hordes fanatieke barbaren die dorsten naar hun bloed’. Dit soort sensatiebeluste berichtgeving rijmt met de bestaande westerse vooroordelen. Zij verraden een westers superieur zelfbeeld. Daar lusten de lezers wel pap van.

De Duitse gezant Freiherr von Ketteler
De Duitse gezant Freiherr von Ketteler
De Boksers dringen Beijing binnen, vermoorden op 20 juni 1900 de Duitse gezant Freiherr von Ketteler, en belegeren vijfenvijftig dagen lang de ambassadewijk van Beijing. Het keizerlijke hof laat de rebellen hun gang gaan. Op 2 juli verklaart keizerin Cixi zelfs de oorlog aan Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Frankrijk, Duitsland, Nederland en andere landen met vertegenwoordigers in China.

Op dat moment werken er in heel China zo’n tweeduizend missionarissen. De paters in het binnenland, ooit binnengekomen met steun van de Franse en Engelse kanonneerboten, hebben nu van niemand hulp te verwachten. Ze zitten als ratten in de val. De afgelegen missiedorpen zijn niet te beschermen. Er komen berichten binnen over moordpartijen, niet alleen door de Boksers, maar ook door bendes Mongoolse moslims, al dan niet gesteund en opgejut door plaatselijke mandarijnen.

Bisschop Ferdinand Hamer weet dat de Boksers belust zijn op wraak voor de schietpartij van zijn medebroeders. Hij besluit op zijn post te blijven, maar hij stuurt zijn collega’s met een vrijgeleide naar het noorden. Dit groepje weet na een barre tocht door de Gobiwoestijn Siberië te bereiken. Hamer blijft achter; hij wil zich opofferen voor het heil van het vicariaat, zo schrijft hij in een afscheidsbrief. Op 19 juli bestormen de Boksers zijn missiepost. Hij wordt gevangengenomen en dagenlang gruwelijk gefolterd. Op 23 juli wordt hij levend verbrand. Waarlijk een martelaarsdood.

Ondertussen hebben de alarmerende berichten uit China een gewapende macht op de been gebracht van Britten, Fransen Amerikanen en Japanners. Die krijgen de opdracht de westerse diplomaten en zakenlieden te redden. Deze legermacht verslaat de Boksers in twee veldslagen. De Duitse keizer Wilhelm II spreekt bij het vertrek van een Duits eskader de hoop uit dat door hun optreden…

…in duizend jaar geen Chinees het nog zal wagen een Duitser scheef aan te kijken!

Cixi ontvlucht samen met de gevangen keizer Guangxu de Verboden Stad, hun paleis, en wijkt uit naar de oude keizerstad Xi’an. Snel nemen de Europeanen het heft weer in handen. De verantwoordelijke Chinese gezagsdragers worden ter dood veroordeeld. De westerse commandanten zetten strafexpedities op touw naar plekken waar christenen zijn vermoord. Dan volgt er een orgie van bloed en geweld. Schokkend is op de allereerste filmbeelden te zien hoe de koppen rollen. Opnieuw is het Hemelse Rijk zwaar vernederd. De keizerlijke regering moet een torenhoog bedrag aan schadeloosstelling betalen, vijfmaal het jaarlijkse staatsinkomen. Alle verdedigingswerken tussen Beijing en de zee worden ontmanteld.

Het einde van Andreas Zijlmans

In juni 1900 weet André Zijlmans nog tweemaal een brief het land uit te krijgen. Eén lange brief gaat naar zijn broer. Hij camoufleert zijn bange voorgevoelens. Hij weet dat de Boksers in Beijing en Tianjin wreedheden hebben begaan tegen westerlingen. Daar in het oosten zijn hele christendorpen in brand gestoken, maar bij hem in Mongolië is er geen gevaar, zo verzekert hij. Al die praatjes dat de Boksers de ‘westerse duivels’ en de christenen gaan vermoorden: hij beweert dat hij er zoetjesaan wel aan gewend raakt. Het zal wel met een sisser aflopen. ‘Vooreerst hebt gij nog weinig kans een martelaar in de familie te hebben.’

André meldt dat hij staat te trappelen om eindelijk op zijn nieuwe standplaats de handen uit de mouwen te steken. De Boksers zijn weliswaar een gevaar, maar naar zijn gevoel vormt de aanhoudende droogte een grotere bedreiging. Vol medeleven schrijft hij over arme Mongolen, die zich in leven houden door het eten van wortels en bladeren van paardenbloemen. Hij verzoekt zijn broer, pastoor te Tilburg, geld in te zamelen voor die arme christelijke families.

Zijn medeleven betreft alleen de christenen in zijn dorp, maar niet de ‘heidenen’. Over die laatsten schrijft hij vol spot. Zij hadden André na een dagenlange absentie ten onrechte dood gewaand; maar onverwacht komt hij springlevend zijn dorp binnenrijden. Daar betrapt hij de heidenen op heterdaad: die zijn bezig een soort ‘komedie’ op te voeren om hun goden de regen af te smeken.

Die sukkelaars meenden zo zeker dat al de Europeanen reeds vermoord waren of op de loop, en nu kwam daar warempel nog een echte Europeaan met een grote baard aangereden, en nog wel op zulk een dag. Het was te zien dat zij verbluft stonden.

Geamuseerd vertelt hij hoe de dorpelingen door zijn verschijnen worden geïmponeerd. Zij keren de heidense komedianten de rug toe. ‘Die dag zijn minstens duizend man mij komen bezoeken, maar ik heb geen enkel onvriendelijk woord vernomen.’ Hij voegt er nog aan toe dat hij na een preek tegen de inheemse rituelen maar liefst aan tien bekeerlingen het heilig doopsel heeft toegediend. ‘Ik hoefde hen niet aan te sporen standvastig te zijn. Wat moet de duivel tandengeknarst hebben van spijt!’

André Zijlmans china

Zo besluit André zijn lange epistel, dat druipt van westerse zelfgenoegzaamheid. Zie je wel, zegt hij, dat er naast alle zorgen en bekommernissen ook troostende berichten zijn die het leed verzachten. Tot aan zijn laatste uren blijft André zich vastklampen aan een onwrikbaar godsvertrouwen en een haast naïef, kinderlijk geloof in de goede afloop. ‘Ik voor mij ben te midden van al die bekommernissen gezond, tevreden en gelukkig en zou met niemand ter wereld willen ruilen. Wij zijn geheel in Gods hand.’ Hij stuurt er nog een tweede brief achteraan, kennelijk bedoeld om de rest van zijn familie te kalmeren:

Wees gerust, hier zijn wij nog zo veilig en vrij als altijd; […] als het op handelen aankomt, durft niemand een vinger tegen ons of de christenen te roeren.

Dit zijn de laatste geschreven woorden van André Zijlmans.

Het thuisfront in Waalwijk leeft mee. Op 16 september 1900 meldt De Echo nog dat alle missieposten van Scheut in Mongolië in veiligheid schijnen te zijn, althans volgens een telegram dat op 16 augustus in Scheut is ontvangen. Dit bericht stelt niet iedereen gerust. En helaas! De ergste vrees wordt spoedig bewaarheid.

Nu volgt een reconstructie op basis van latere meldingen.

Op 5 juli wordt het André in zijn missiepost Cha-ber-noor (Thoemet) te heet onder de voeten. Hij heeft enkele kinderen van zijn parochianen verstopt bij een echtpaar in een afgelegen huis, maar dat ontdekken de Boksers. Ze breken het huis open en schieten de kinderen neer. Dan besluit André op de vlucht te slaan. In het nachtelijk duister zoekt hij zijn weg in noordelijke richting, samen met zijn Belgische confrater Désiré Abbeloos en de provinciaal overste Piet de Boeck. Dit drietal vindt een toevluchtsoord in het versterkte marktplaatsje Tiegedangou, drie reisdagen ver, waar hun confrater Jozef ‘Jef’ Dobbe een kerkgemeenschap heeft. Ze wachten af. Bij toerbeurt staan daar de christenen op de uitkijk vanaf de daken. Anderhalve maand lang blijft het betrekkelijk rustig.

Missionarissen op de uitkijk
Missionarissen en christenen op de uitkijk
Hier vinden ook enkele protestantse zendelingen met hun families onderdak. Ze vertellen dat gewapende bendes de dorpen afstropen, op jacht naar vreemdelingen. Missieposten zijn verwoest, verbrand en leeggeroofd. Veel bewoners zijn vermoord. Als ze dit horen, overwegen Dobbe en zijn metgezellen of ze nog kunnen ontkomen. Piet de Boeck kiest hiervoor en vlucht noordwaarts. Zo weet hij het vege lijf te redden. Maar Jozef Dobbe vindt dat hij dat niet kan verantwoorden tegenover zijn eigen parochianen. André en Désiré Abbeloos zijn solidair met hem. Volharden in het geloof is hét leidmotief van hun leven. Wie het hazenpad kiest, zou de missie verloochenen. Ze blijven dus op hun post om de bekeerlingen bij te staan. Of André nog aarzelt bij het vertrek van De Boeck is onbekend. Daar gaat zijn laatste kans.

Dan wordt het 22 augustus 1900, een broeierige zomerdag. In het stoffige marktplaatsje Tiegedangou heerst een gespannen sfeer. André heeft zich met Dobbe en Abbeloos met een handjevol bekeerlingen verschanst op het dak van het kerkgebouwtje. Nerveus staan ze op de uitkijk.

De verwoeste kerk van Tiegedangou
De verwoeste kerk van Tiegedangou
Daar zien ze plotsklaps de aanvallers van drie kanten komen aanstormen. Het moeten er meer dan duizend zijn. Men hoort weldra geschreeuw, geweerschoten, men ziet vuurhaarden en rookkolommen. Sommige verdedigers hebben nog naar een wapen kunnen grijpen. In een mum van tijd is het stadje in handen van de gewapende rebellen. Dan beginnen de indringers een stormloop op het kerkje. Ongeveer tweehonderd christenen hebben zich daarbinnen verschanst met de drie paters en de zendelingen die hier ook onderdak hebben gezocht. Ze kunnen geen kant op. Ineens begeeft de zwakke afscheidingsmuur het. De aanvallers stapelen hout en stro tegen de kerkwand en steken het in brand. Het vuur slaat naar binnen. De kerk gaat in vlammen op. In de enorme rookontwikkeling breekt paniek uit. De christenen worden levend geroosterd of sterven door verstikking. Wie nog denkt te kunnen ontsnappen, valt ten prooi aan de projectielen en knuppels van de aanvallers. Een enkeling kan nog wegkomen, om later het verhaal te vertellen.

Rouwbetoon als boetedoening

Na een week later worden de stoffelijke overschotten in een grafkelder gegooid. Daarop metselt men een stenen torentje erbovenop. Een paar jaar later laten de Chinese overheden in Thoemet bij de Blauwe Stad in Midden-Mongolië, de standplaats van Zijlmans en Abbeloos, te hunner ere een marmeren gedenksteen van ruim twee meter hoog plaatsen met teksten in vergulde karakters en een kroonlijst waarin een keizerlijke draak is gebeiteld. Men plaatst er een vierkant dakje overheen, met op de nok een kruis. Het geheel is omgeven door een muur van veertig meter. Aan de familie in Waalwijk wordt een foto gestuurd van dit gedenkteken.

Deze actie is een soort boetedoening. Zij vloeit voort uit een verdrag tussen Frankrijk en China dat de Chinese overheid verplicht om voor iedere zendeling die tijdens de onlusten is vermoord zo’n gedenksteen op te richten. In 1905 is er een verbroederingsfeest tussen Chinezen: christenen, ‘heidenen’ en moslims, compleet met feestredes en vuurwerkshows. De tekst op de gedenksteen zwijgt over de wreedheid van de Boksers, maar benadrukt wel de hemelse bestemming van de ‘martelaar’:

[…] Thans begroeten wij hem hierboven, de edele held, de waardige apostel, de Kroon van Zijlmans-priesters, de roem van Waalwijks zonen! Met eerbied, bewondering en fierheid huldigen wij deze grote priester! […] De vlammen omringden en verteerden hem, maar de vlam zijner liefde tot Christus rees, gloeide en lichtte boven alles uit. De Echo, 8 sept. 1923

Reliëf van Andreas Zijlmans op de sokkel van het beeld van Bisschop Ferdinand Hamer van Bart van Hove in de Bisschop Hamerstraat in Nijmegen
Reliëf van Andreas Zijlmans op de sokkel van het beeld van Bisschop Ferdinand Hamer van Bart van Hove in de Bisschop Hamerstraat in Nijmegen (CC BY-SA 3.0 – Willemnabuurs – wiki)

Ten slotte

Volgens een telling van de Congregatie van Scheut zijn er in het jaar 1900 in heel China 701 christenen vermoord. Onder hen negen Belgische en Nederlandse Scheutisten. De missie van Scheut is geknakt, maar blijkt niet gebroken. Als reactie op het geweld komt er een nieuwe bekeringsgolf tot stand. Er worden nieuwe christendorpen gebouwd. Ook kopen de Scheutisten vele honderdduizenden hectares grond; soms krijgen ze land als compensatie voor de verliezen van 1900. Het missiewerk van Scheut in China wordt ondersteund vanuit het thuisfront in België en Nederland. Daaronder zijn schatrijke fabrikanten. In Vught opent in 1900 missiehuis Sparrendaal de deuren; en in 1923 bouwt architect Charles Estourgie in Nijmegen het markante Bisschop Hamerhuis, als studiehuis voor de Scheutisten. Ook elders komen vestigingen.

De Scheutisten zijn nog lang actief in Kongo en in een aantal landen van Azië en Latijns-Amerika. Bij het eeuwfeest van Scheut in Nederland (1999) telt men 438 Nederlanders die de rangen van de orde hebben versterkt. In China komt er in de jaren dertig een abrupt einde aan het missiewerk, nadat de Japanners zijn binnengevallen en de burgeroorlog uitbreekt tussen communisten en nationalisten. De overwinning van Mao in 1949 betekent de doodsteek voor de katholieke missie.

Jarenlang doet de Congregatie van Scheut vergeefs moeite om gegevens over de martelaren te verzamelen, met het doel hen door Rome zalig te laten verklaren en later mogelijk heilig. Het lukt niet, maar op 1 oktober 2000, nota bene de nationale feestdag van de Volksrepubliek China, verklaart paus Johannes Paulus II plotsklaps 120 ‘martelaren’ heilig, onder wie de non Kaatje Dierckx uit Ossendrecht. Die actie is tegen het zere been van de regering in Beijing, voor wie de missionarissen verraders waren die de wet overtraden. Hun heiligverklaring vertekent de waarheid en de geschiedenis, aldus de Chinese minister van Buitenlandse Zaken.

Zij verheerlijkt het imperialisme en belastert het vredelievende Chinese volk.

China laat zich niet langer ringeloren door het Westen, dat is de boodschap.

Vandaag de dag kunnen wij ons moeilijk voorstellen dat zo’n jongeman als André Zijlmans alles thuis voor gezien houdt en kiest voor een enkele reis China, om daar zijn hele leven te besteden aan de verkondiging van het katholieke geloof onder mensen van een absoluut vreemde cultuur. En dat in het besef dat hij daarginds zo goed als zeker zal stuiten op muren van ongeloof en vijandschap.

Als een held in een Grieks drama, zo loopt André zijn noodlot tegemoet. Wij als toeschouwers zien het, maar de held zelf ziet het niet. Er waren genoeg tekenen aan de wand: het bloedbad van Tianjin, de aanvallen op missieposten, de oorlogsschepen aan de kust, de opstandige generaal met 20.000 manschappen, de haatposters aan de muren, de martelaarsdood van Hamer. Heeft hij al die tekenen gemist, of heeft hij ze bewust genegeerd?

Het boek van de auteur over Andreas Zijlmans
Het recent verschenen boek van de auteur over Andreas Zijlmans
Feitelijk hebben wij te weinig kennis van wat hij in die twintig maanden voor werk heeft verzet en of hij echt iets voor de bekeerlingen heeft betekend. Mogen wij Zijlmans een held noemen, een zichzelf opofferende heilige, een martelaar voor het geloof? Of eerder een onnozelaar die blind was voor het gevaar, dan wel misleid door het verlangen naar het martelaarschap dat de Scheutisten in hun religieuze opleiding kregen ingegoten?

Wellicht past Andreas Zijlmans het beste deze typering: een moedige, enigszins naïeve jongeman, die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats was. Zijn jarenlang voorbereide heilige levenstaak bleef door zijn voortijdige, tragische dood vrijwel geheel onvervuld.

Dit artikel is geschreven naar aanleiding van het recent verschenen boek ‘Andreas Zijlmans: martelaar of tragische held ‘van historicus Jan van Oudheusden. Het boek is verkrijgbaar bij de Read Shop in Waalwijk en online te bestellen door een email te sturen naar [email protected].

Geraadpleegde bronnen

– Annalen der missionarissen van Sparrendaal, jrg. 1 en 2, 1901-1902.
– De Echo van het Zuiden, 1898–1902 en 1923 (via Beeldbank SALHA).
– Jung Chang, De keizerin (Amsterdam 2013).
– Thoralf Klein, ‘Global Rumours: The Press, Telegraphy and the Boxer War in China, summer 1900‘, in Past & Present, 1 januari 2025.
– Harry Knipschild, Soldaten van God. Nederlandse en Belgische paters op missie in China in de negentiende eeuw (Amsterdam 2007).
– Jan van Oudheusden, Het Hemelse Rijk herrezen. De geschiedenis van China in vogelvlucht (Amsterdam 2017).
– Erik Raspoet, Reizigers in God. De missionarissen van Scheut (Amsterdam 2001).
– Jonathan Spence, Op zoek naar het moderne China 1600-1989 (Amsterdam 1991).
– www.chinamissiebisschophamer.nl
×