De puber
Den Haag, 1915. In de landen om Nederland heen woedde de grote Oorlog. Overal in Europa sloegen mensen op de vlucht voor het oorlogsgeweld. Miljoenen jonge mannen werden naar de fronten gevoerd om elkaar vanuit loopgraven te beschieten. Maar Nederland was neutraal. Militairen werden wel gemobiliseerd, maar alleen om de grenzen te bewaken. Vechten hoefden ze niet. Ook werden jongens hier niet met romantische heldenverhalen geronseld voor de strijd. Jammer, vond Jaap dat. Hij zou ‘graag die moffen op hun dak geven’. Maar ja, een jongen van vijftien zouden ze wel niet aannemen.

Winnen zal het misschien niet maar verliezen zeker niet. ’t Zal wel in evenwicht blijven. En als ze er slecht afkomen zul je eens zien hoe gauw ze zich weer zullen herstellen voor een nieuwe oorlog om revanche te nemen.
Een jaar of twintig gaf Barendsen het. Jaap verheugde zich vast: ‘Ik werd observator in een vliegmachine.’ Jaap groeide op in een rijk, Joods bankiersgezin. Hij zat op het allereerste lyceum van Nederland, maar kreeg de lessen niet in zijn hoofd. Het maakte hem boos en opstandig. Hij moest steeds aan andere dingen denken. De jonge katjes, die hij probeerde te redden nu ze te vroeg door hun moeder waren verstoten. Zijn tuin, waarin hij krokussen kweekte en Oost-Indische kers. Fotograferen, technische uitvindingen, natuurkundige proeven en de oorlog natuurlijk. Hij wilde zijn eindexamen wel halen, maar hij wilde ook uitslapen, moppen tappen, spotprentjes van zijn leraren tekenen en grote daden verrichten. Huiswerk maken paste daar eigenlijk niet bij, en school duurde hem elke dag veel te lang. Jaap zat midden in de puberteit. Het stormde niet alleen in de wereld om hem heen, maar ook in zijn binnenste.
Toch moest en zou hij zijn school afmaken. Daarom hadden zijn ouders speciaal voor Jaap een begeleider ingehuurd. En niet zomaar een; ze kozen voor Otto Barendsen, omdat hij was opgeleid als onderwijzer én als psycholoog. Bovendien was hij actief binnen de beweging voor onderwijsvernieuwing van die tijd: de reformpedagogiek. Met huiswerkbegeleiding en bijlessen moest Barendsen de schoolcarrière van de bankierszoon veiligstellen. Dat bleek geen gemakkelijke taak.
Hij is een van de typen die een buitengewone afkeer hebben van “van buiten leren”…
…schreef Barendsen over zijn leerling. Jaap had een voorkeur voor praktische vakken als tekenen en handenarbeid. Ook gymnastiek ging hem goed af. Aardrijkskunde, geschiedenis en talen waren hopeloos. Wel had hij een ‘sterk moreel karakter’, schreef Barendsen. Hij was fel in zijn afkeer van mensen en praktijken die hij als onjuist, snobistisch of slap beoordeelde, maar ook fel in zijn voorkeuren; in het uitoefenen van zijn hobby’s, in het najagen van zijn interesses, in zijn genegenheid voor de mensen die hij bewonderde. Die felheid zou Jaap later toch in een oorlog inzetten. Niet in de Eerste, maar in de door Barendsen voorspelde Tweede Wereldoorlog. En niet in een vliegmachine, maar in een trein.
Bijna dertig jaar later
Op 25 november 1943 zit Jaap in de trein naar kamp Westerbork. Naast hem zit zijn oudste zoon. De wind is al bijna gaan liggen wanneer ze Assen naderen. De achterste wagons worden afgekoppeld om door een diesellocomotief verder te worden getrokken in de richting van Hooghalen. Daar neemt de trein de net nieuw aangelegde rails die naar het kamp leiden. Het gaat niet hard; twintig, hooguit dertig kilometer per uur. Het transport heeft vertraging opgelopen, de avond is al gevallen en het is donker in de coupés. De rijtuigen zijn verplicht verduisterd en de maan verschuilt zich achter een dik pak wolken.
Ter hoogte van station Beilen loopt een landwachter van achter naar voren door de trein. ‘Nu,’ zegt Jaap zacht, zodra de landwachter voorbij gelopen is. Hij is lang, goed gekleed, draagt een hoed. Zijn zoon en hij staan op, lopen snel naar achteren. Het portier van de laatste wagon is niet op slot. Iemand is hun al voorgegaan. Ze springen.

Ook voor wie goed luistert is de dubbele plof in het gras langs de spoorbaan niet te horen. Het ritmische kedeng-kedeng over de voegen van het spoor verwijdert zich, zij blijven achter op het talud. In de stilte die volgt loopt Jaap in de richting van de weggereden trein. ‘Mijn hoed zoeken,’ zegt hij.
Als ik over een kwartier niet terug ben, moet je gaan.
De jongen blijft liggen, luistert. Plotseling geschreeuw, schelden en schieten. Gauw laat hij zich in tegenovergestelde richting door het donker opslokken. Twee weken eerder is hij veertien jaar geworden. Hij zal zijn vader nooit meer terugzien.
Dankzij Jaaps afleidingsmanoeuvre wist zijn zoon aan de nazi’s te ontsnappen. Later zou hij zeggen dat hij daarin zijn vaders ‘grote morele kracht’ herkende:
Mijn vader had ervoor kunnen kiezen om samen te ontsnappen. Maar hij koos zekerheid voor onzekerheid en legde zijn eigen leven in de waagschaal.
Het was de laatste herinnering die hij aan zijn vader had. Otto heette hij. Otto Kann. Die naam kwam in de familie Kann verder nergens voor. Tegen de gewoonte in was hij niet vernoemd naar een van zijn grootvaders, en ook niet naar zijn vader. Jaap had zijn oudste zoon de voornaam gegeven van zijn vroegere huiswerkleraar.
De pedagoog

Uit eigen ervaring wist Otto Barendsen dat onderwijzen een kunst was die maar weinigen van nature verstonden. Zichzelf rekende hij niet tot die ‘genialen’. Hij kende de moedeloosheid, de hoofdpijn, de slapeloze nachten en oververmoeidheid, schreef hij, ja zelfs de wanhoop die een leraar kon overvallen wanneer het aankwam op het temmen van dat ‘zonderling onstuimige beest’ dat een klas vol kinderen zijn kon. Hij wist hoeveel uren oefening er nodig waren om de techniek van het lesgeven onder de knie te krijgen, de ‘massaziel’ van een klas te leren kennen. Hij kende het streven naar zelfbeheersing en de tact die nodig waren om leerlingen recht te doen, alle leerlingen recht te doen. En tegelijkertijd zelf recht te blijven staan.

Hoe wilde hij dat doen? Hij stelde zich voor een boek te schrijven waarvan de kern volledig zou bestaan uit gesprekken tussen een leerling met een ‘veel oudere vriend’. Die gesprekken zouden gaan over de leraren op de school van de jongen. Ze zouden laten zien hoe anders pubers keken en oordeelden, en hoe slecht de geleerde types voor de klas in staat waren hiermee om te gaan zonder de ander, de leerling, de schuld te geven. Want die kloof wilde Otto Barendsen dichten; de kloof tussen het perspectief van de puber en dat van de pedagoog. Het was een missie die hem al jaren voor ogen stond en die vorm moest krijgen in een boek dat de relatie tussen puberleerlingen en hun leraren ingrijpend zou veranderen.
Zeven belangrijke onderwijsvernieuwers
Theo Thijssen, meer dan een schoolmeester
Hieronymus van Alphen (1746-1803) – Schrijver van beroemde kindergedichten
Biologielessen op Hitlers scholen