Lastige joodse puber zette zijn pedagoog aan het denken

De puber en de pedagoog
6 minuten leestijd
Otto Barendsen begeleidt Jaap Kann bij zijn huiswerk
Otto Barendsen begeleidt Jaap Kann bij zijn huiswerk (particulier bezit), uit: De puber en de pedagoog
Terwijl de Eerste Wereldoorlog buiten woedt, worstelt de vijftienjarige Jaap Kann binnen met zijn huiswerk. Zijn ouders schakelen pedagoog Otto Barendsen in, die jarenlang dagboeken bijhoudt van de gesprekken doe hij met de jongen voert. In het boek De puber en de pedagoog wordt de bijzondere band tussen de twee beschreven — en wordt duidelijk hoe die bijdroeg aan het denken over puberteitpsychologie. Op Historiek plaatsen we een deel van de proloog uit het boek.

De puber

Den Haag, 1915. In de landen om Nederland heen woedde de grote Oorlog. Overal in Europa sloegen mensen op de vlucht voor het oorlogsgeweld. Miljoenen jonge mannen werden naar de fronten gevoerd om elkaar vanuit loopgraven te beschieten. Maar Nederland was neutraal. Militairen werden wel gemobiliseerd, maar alleen om de grenzen te bewaken. Vechten hoefden ze niet. Ook werden jongens hier niet met romantische heldenverhalen geronseld voor de strijd. Jammer, vond Jaap dat. Hij zou ‘graag die moffen op hun dak geven’. Maar ja, een jongen van vijftien zouden ze wel niet aannemen.

Jaap Kann, fragment uit de boekcover
Jaap Kann, fragment uit de boekcover
Terwijl de wereld om hem heen in brand stond zat de jongen Jaap Kann in een ruime, speciaal daarvoor ingerichte kamer over zijn huiswerk gebogen – rijtjes Duitse verbuigingen, een hoofdstuk geschiedenis, algebrasommen. Naast hem zat zijn huiswerkleraar Otto Barendsen – zesendertig jaar, bril, baardje, brede snor die uitliep in twee punten. Hij had een kalme blik die Jaap voortdurend observeerde. Liever dan over zijn leerwerk sprak Jaap met hem over de oorlog. En over zijn verlangen om daaraan mee te doen, bij voorkeur als piloot. Niets dan ‘moorderij’ vond zijn huiswerkleraar dat, maar Jaap wist zeker dat Duitsland nog wel ‘verpletterd’ zou worden. ‘Dat moet je nooit geloven,’ antwoordde Barendsen.

Winnen zal het misschien niet maar verliezen zeker niet. ’t Zal wel in evenwicht blijven. En als ze er slecht afkomen zul je eens zien hoe gauw ze zich weer zullen herstellen voor een nieuwe oorlog om revanche te nemen.

Een jaar of twintig gaf Barendsen het. Jaap verheugde zich vast: ‘Ik werd observator in een vliegmachine.’ Jaap groeide op in een rijk, Joods bankiersgezin. Hij zat op het allereerste lyceum van Nederland, maar kreeg de lessen niet in zijn hoofd. Het maakte hem boos en opstandig. Hij moest steeds aan andere dingen denken. De jonge katjes, die hij probeerde te redden nu ze te vroeg door hun moeder waren verstoten. Zijn tuin, waarin hij krokussen kweekte en Oost-Indische kers. Fotograferen, technische uitvindingen, natuurkundige proeven en de oorlog natuurlijk. Hij wilde zijn eindexamen wel halen, maar hij wilde ook uitslapen, moppen tappen, spotprentjes van zijn leraren tekenen en grote daden verrichten. Huiswerk maken paste daar eigenlijk niet bij, en school duurde hem elke dag veel te lang. Jaap zat midden in de puberteit. Het stormde niet alleen in de wereld om hem heen, maar ook in zijn binnenste.

Toch moest en zou hij zijn school afmaken. Daarom hadden zijn ouders speciaal voor Jaap een begeleider ingehuurd. En niet zomaar een; ze kozen voor Otto Barendsen, omdat hij was opgeleid als onderwijzer én als psycholoog. Bovendien was hij actief binnen de beweging voor onderwijsvernieuwing van die tijd: de reformpedagogiek. Met huiswerkbegeleiding en bijlessen moest Barendsen de schoolcarrière van de bankierszoon veiligstellen. Dat bleek geen gemakkelijke taak.

Hij is een van de typen die een buitengewone afkeer hebben van “van buiten leren”…

…schreef Barendsen over zijn leerling. Jaap had een voorkeur voor praktische vakken als tekenen en handenarbeid. Ook gymnastiek ging hem goed af. Aardrijkskunde, geschiedenis en talen waren hopeloos. Wel had hij een ‘sterk moreel karakter’, schreef Barendsen. Hij was fel in zijn afkeer van mensen en praktijken die hij als onjuist, snobistisch of slap beoordeelde, maar ook fel in zijn voorkeuren; in het uitoefenen van zijn hobby’s, in het najagen van zijn interesses, in zijn genegenheid voor de mensen die hij bewonderde. Die felheid zou Jaap later toch in een oorlog inzetten. Niet in de Eerste, maar in de door Barendsen voorspelde Tweede Wereldoorlog. En niet in een vliegmachine, maar in een trein.

Bijna dertig jaar later

Op 25 november 1943 zit Jaap in de trein naar kamp Westerbork. Naast hem zit zijn oudste zoon. De wind is al bijna gaan liggen wanneer ze Assen naderen. De achterste wagons worden afgekoppeld om door een diesellocomotief verder te worden getrokken in de richting van Hooghalen. Daar neemt de trein de net nieuw aangelegde rails die naar het kamp leiden. Het gaat niet hard; twintig, hooguit dertig kilometer per uur. Het transport heeft vertraging opgelopen, de avond is al gevallen en het is donker in de coupés. De rijtuigen zijn verplicht verduisterd en de maan verschuilt zich achter een dik pak wolken.

Ter hoogte van station Beilen loopt een landwachter van achter naar voren door de trein. ‘Nu,’ zegt Jaap zacht, zodra de landwachter voorbij gelopen is. Hij is lang, goed gekleed, draagt een hoed. Zijn zoon en hij staan op, lopen snel naar achteren. Het portier van de laatste wagon is niet op slot. Iemand is hun al voorgegaan. Ze springen.

Aanleg van de spoorwegaansluiting bij Kamp Westerbork (Publiek Domein - Rudolf Breslauer - wiki)
Aanleg van de spoorwegaansluiting bij Kamp Westerbork (Publiek Domein – Rudolf Breslauer – wiki)

Ook voor wie goed luistert is de dubbele plof in het gras langs de spoorbaan niet te horen. Het ritmische kedeng-kedeng over de voegen van het spoor verwijdert zich, zij blijven achter op het talud. In de stilte die volgt loopt Jaap in de richting van de weggereden trein. ‘Mijn hoed zoeken,’ zegt hij.

Als ik over een kwartier niet terug ben, moet je gaan.

De jongen blijft liggen, luistert. Plotseling geschreeuw, schelden en schieten. Gauw laat hij zich in tegenovergestelde richting door het donker opslokken. Twee weken eerder is hij veertien jaar geworden. Hij zal zijn vader nooit meer terugzien.

Dankzij Jaaps afleidingsmanoeuvre wist zijn zoon aan de nazi’s te ontsnappen. Later zou hij zeggen dat hij daarin zijn vaders ‘grote morele kracht’ herkende:

Mijn vader had ervoor kunnen kiezen om samen te ontsnappen. Maar hij koos zekerheid voor onzekerheid en legde zijn eigen leven in de waagschaal.

Het was de laatste herinnering die hij aan zijn vader had. Otto heette hij. Otto Kann. Die naam kwam in de familie Kann verder nergens voor. Tegen de gewoonte in was hij niet vernoemd naar een van zijn grootvaders, en ook niet naar zijn vader. Jaap had zijn oudste zoon de voornaam gegeven van zijn vroegere huiswerkleraar.

De pedagoog

Portret van Otto Barendsen
Portret van Otto Barendsen (1918)
Vijf jaar lang was Otto Barendsen in dienst bij de familie Kann. In die jaren ontmoetten de puber Jaap en de pedagoog Barendsen elkaar bijna dagelijks. Ook tijdens vakanties gingen de lessen soms door. Met de moed der wanhoop probeerde de pedagoog de puber door het lyceum heen te loodsen, want zowel Jaaps prestaties als zijn gedrag lieten steeds te wensen over. Otto Barendsen had een pittige opdracht gekregen, en die opdracht nam hij serieus. Maar hij had ook een eigen plan. Een plan dat verder reikte dan rijkeluiskinderen de middelbare school door helpen. Een ambitieus plan dat zich richtte op onderwijzers van niet één, maar een hele klas vol pubers. En voor dat plan zat hij Jaap nu voortdurend te observeren.

Uit eigen ervaring wist Otto Barendsen dat onderwijzen een kunst was die maar weinigen van nature verstonden. Zichzelf rekende hij niet tot die ‘genialen’. Hij kende de moedeloosheid, de hoofdpijn, de slapeloze nachten en oververmoeidheid, schreef hij, ja zelfs de wanhoop die een leraar kon overvallen wanneer het aankwam op het temmen van dat ‘zonderling onstuimige beest’ dat een klas vol kinderen zijn kon. Hij wist hoeveel uren oefening er nodig waren om de techniek van het lesgeven onder de knie te krijgen, de ‘massaziel’ van een klas te leren kennen. Hij kende het streven naar zelfbeheersing en de tact die nodig waren om leerlingen recht te doen, alle leerlingen recht te doen. En tegelijkertijd zelf recht te blijven staan.

De puber en de pedagoog
 
Barendsens plan richtte zich op huidige en toekomstige leraren van leerlingen in de leeftijd van Jaap; veertien tot achttien jaar. Hij zou ze laten zien welke eigenschappen ze nodig hadden om succes te hebben als leraar, en welke eigenaardigheden hun daarbij in de weg zaten. Hij zou ze doen inzien welke indruk zij op hun leerlingen maakten, welke deugd zij moesten uitbouwen, welk gebrek indammen. Hij zou ze naar zichzelf leren kijken door de ogen van een veertien-, vijftien-, zestienjarige. Hij zou ze de sleutel geven tot het puberhart.

Hoe wilde hij dat doen? Hij stelde zich voor een boek te schrijven waarvan de kern volledig zou bestaan uit gesprekken tussen een leerling met een ‘veel oudere vriend’. Die gesprekken zouden gaan over de leraren op de school van de jongen. Ze zouden laten zien hoe anders pubers keken en oordeelden, en hoe slecht de geleerde types voor de klas in staat waren hiermee om te gaan zonder de ander, de leerling, de schuld te geven. Want die kloof wilde Otto Barendsen dichten; de kloof tussen het perspectief van de puber en dat van de pedagoog. Het was een missie die hem al jaren voor ogen stond en die vorm moest krijgen in een boek dat de relatie tussen puberleerlingen en hun leraren ingrijpend zou veranderen.

Lees meer over

Onderwijsgeschiedenis

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×