Dark
Light

De gewone man en de ‘brave nieuwe wereld’

De tweede helft van de twintigste eeuw: rust, vrede en een paar pantoffels
5 minuten leestijd
De gewone man zou, beloofden ze, een echte huisman, een voldane ingezetene worden van de brave nieuwe aarde. Bron: 'De gewone man'
De gewone man zou, beloofden ze, een echte huisman, een voldane ingezetene worden van de brave nieuwe aarde. Bron: 'De gewone man'
Oktober 2017 verscheen het boek De gewone man. Een kleine mensheidgeschiedenis. Hierin beschrijft historicus Jos Palm het verhaal van de kleine, gewone man. Die kom je in de geschiedenisboeken meestal niet tegen, maar hij was er altijd al. Op Historiek een fragment. Hoe de ‘gewone’ man na twee wereldoorlogen terecht kwam op de brave nieuwe aarde.


Rust, vrede en een paar pantoffels

Het scheen dat het nu echt iets ging worden met hem. Alsof het hoofdstuk dat onkenbaar lang geleden was begonnen met zwoegen voor een paar nootjes en een kippenboutje eindelijk een gepast afgerond slot kreeg, oftewel werd voltooid met een minimumloon of beter nog met een modaal inkomen ten behoeve van de aanschaf van een modale pot jam, een modaal rokertje en een modale overjas voor de koude winterdagen. Na alle gesleep met boomstammen, met stenen voor piramides, pronkpaleizen en kathedralen, na alle oorlogen voor gekroonde en ongekroonde potentaten, na alle gekruip en gekniel voor hoogwaardigheden, was hij aangeland in wat de beste mogelijke aller werelden zou worden. Dat althans hielden ze hem voor.

kinderpsycholoog Benjamin Spock in 1976. Bron: Nationaal Archief
kinderpsycholoog Benjamin Spock in 1976. Bron: Nationaal Archief
Hij zou, beloofden ze, een voldane huisvader, een voldane kiezer, een voldane ingezetene worden van de brave nieuwe aarde. Hij zou nooit meer hoeven buigen uit dwang voor een despoot, hooguit uit liefhebberij voor een religieus of vorstelijk relict. Hij zou boerenkool en zuurkool eten, maar evenzo extra fijne doperwten; hij zou op de oppassende partij van zijn keuze mogen stemmen – de niet-oppassende brutale partijen zouden allemaal zo goed als verdwijnen; hij zou een echte huisman worden met een echte huisvrouw. Zijn gezin, ooit in opdracht van meneer pastoor en de Bijbel een broedeenheid, werd klein en fijn, met maar een paar koters. Hij, of beter gezegd: zijn vrouw, zou ze met rust, reinheid en regelmaat opvoeden, precies zoals het was voorgeschreven in het bij verschijning al klassieke handboek van de dokter Benjamin Spock. Ze zouden naar de bewaarschool gaan, de lagere school, de middelbare school, en als het even meezat naar een vervolgopleiding, misschien zelfs naar de universiteit, en braver en welgestelder worden dan hij ooit geweest was. Zijn rijtjeshuis kwam in de voorsteden in het groen te liggen, omringd door rijtjeshuizen in het groen van soortgenoten. Zijn woonwijk werd bevolkt door arbeiders van zijn soort. Zijn dorp bestond uit aangeharkte paden en uit gehuchtgenoten van zijn soort.

Op zijn werk, in de fabriek, in de haven, in de bouw, in het tuincentrum, werkte hij tussen zijn soortgenoten die net als hij ingenomen leerden te zijn met een ‘geleid loon’ dat zekerheid verschafte. Naar het karwei ging hij op de fiets – trommeltje met boterhammen achterop onder de snelbinder – op de brommer en per automobiel. Zijn werkdag werd een acht-urendag, een van negen-tot-vijf-dag, met een vrije zaterdag in het vooruitzicht. Hij kreeg snipperdagen, roostervrije dagen, spaarloon en eens per jaar extra geld om er in de zomer eens een paar weken op uit te trekken. Met zijn familie ging hij met de bus op vakantie, dicht bij huis, met zakken aardappelen en blikken conserven mee als proviand. Later reed hij met zijn eigen autootje en caravan erachter naar onbekende zonnige oorden, barbecuestel, tuinstoel en hagelslag in de kofferbak. Op de camping trof hij wederom zijn soort, die net als hij goed geoutilleerd en op alles voorbereid ter plekke zon kwam halen om even weg te zijn van het stoepje en de slentergang thuis. Vanzelfsprekend waren ze gestoken in vrijetijdskleding: hij in de korte broek die hij in eigen dorp of woonwijk niet durfde te dragen, zij in het blote badpak dat alleen haar vriendinnen van de zwemclub kenden.

Hij reed met eigen autootje en caravan erachter naar onbekende zonnige oorden.
Hij reed met eigen autootje en caravan erachter naar onbekende zonnige oorden. – Bron: ‘De gewone man’

Dit was de periode waarin op den duur aan bijna alle voorwaarden was voldaan om hem gelukkig te maken, zo werd hem voorgehouden, verteld en duidelijk gemaakt. Van alles was de gewone man voorgespiegeld, groot, groter, groots, heilstaat zus, kameradenparadijs zo. Het was allemaal onzin gebleken, beuzelpraat voor broekenmannen en dromers. Het paste hem niet meer daar achteraan te hollen. Dit was de tijd van zijn volwassenheid: de tijd van een belegde boterham met tevredenheid, van een gouden speldje bij een bedrijfsjubileum, van een zekere oudedagsvoorziening, van een spelletjesavond in het buurthuis, van ‘buiten slaat de wind om het huis en de kachel staat te snorren op vier’, van de pannenkoekensmaak voor alle mensen in welbehagen.

Eleanor Roosevelt  en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
Eleanor Roosevelt en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
Om kort te gaan: dit was de tijd van de eeuwige vrede, op dorpshoek-, straat- en wereldniveau. Die vrede was ook vastgelegd in de zogeheten Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die in het jaar 1948 was afgekondigd door de Verenigde Naties, een soort familievergadering van de regeringen van alle landen van goede en kwade wil. Er was toen gerept van ‘de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap’, van ‘barbaarse handelingen’ die in het verleden ‘het geweten van de mens geweld hebben aangedaan’. Hij had het meegekregen als leerstuk, als huiswerk op zijn avondschool, op zijn vakbondsbijeenkomst, op zijn leesclub voor beginners. Het was een hele geleerde mond vol, maar hij had er wel wat in gezien. Het was allemaal al eens eerder gezegd, verkondigd en geschreven in de tijd van de Grote Revolutie, maar het scheen hem toe dat er ditmaal serieus werk van werd gemaakt, dat ditmaal de mooipraterij niet alleen de gegoede burgermensen gold, maar ook de sappelaars en brood-, pap- en spruitjesmensen als hij. Dat kon hij tenminste opmaken uit de moeite die werd gedaan zijn eeuwenlange vernachelde leven nu eens echt op te waarderen.

Een herhaling van de zooi van ’14-’18, van ’40-’45 moest koste wat kost voorkomen worden, waarschuwden ze. ‘Deze tijd zal door toekomstige geschiedschrijvers zeker worden gekenmerkt als een van de keerpunten in de geschiedenis,’ zei de man met bolhoed, die als eerste minister Engeland door de Tweede Wereldoorlog gesleept had. Hij sprak die woorden in het jaar 1950 en bedoelde dat er vanaf dat moment geen kansen meer zouden komen voor de grote idioten met hun grote idiote verhalen om de wereld op drift te doen geraken. Evenmin zouden de beschaafde naties onderling nog slaags raken alleen maar omdat de oranje-Engelse kop de blonde Duitse kop niet aanstond. Er mocht nimmer meer een loopgraaf gegraven worden tussen de Rijn en de Marne. Er mocht nooit meer een Haarlok opstaan. Er mocht nooit meer gemarcheerd, gedemonstreerd, en opgewonden met spandoeken gelopen worden, laat staan dat er ooit nog in laarzen zou worden rondgestampt.

De gewone man -  Jos Palm  (€19.99)
De gewone man. Een kleine mensheidgeschiedenis – Jos Palm (€19.99)
De neiging daartoe van de gewone man moest bij voorbaat getemd, zijn innerlijk behang gepacificeerd, zijn maag en hart gerustgesteld. Daartoe moest er wat meer gelijkheid worden georganiseerd dan er ooit op aarde geweest was, ook al kostte dat wellicht wat meer dan wenselijk was. Alle beschaafde heren politici waren het erover eens: er moest geen socialisme komen, maar wel zoiets als een sociale democratie. Ze waren als het ware achteraf bekeerd tot een zekere welwillende solidariteit. Wat ze ooit hoogdravend het corporatisme hadden genoemd, kreeg nu gestalte in overlegmodellen tussen vertegenwoordigers van de overheid, de bedrijven en de werkmens. Omdat ze als de dood waren voor wat de Haarlok aan sentimenten had losgebruld, werden ze op hun manier zorgzaam voor de ploetermens. Welzijn moest zijn deel worden, niet zozeer omdat hij het verdiende, maar om het geklop in zijn onderbuik te neutraliseren. Zijn welzijn was zogezegd een zaak van algemeen maatschappelijk belang, van preventie, van waakzaamheid.

~ Jos Palm

Boek: De gewone man. Een kleine mensheidgeschiedenis – Jos Palm

×