Al in de jaren twintig van de vorige eeuw werd volop gesproken over Europese samenwerking. In 2015 schreef Wim de Wagt, kunsthistoricus, journalist en schrijver, een eerste boek over deze interessante en ook wel beklemmende voorgeschiedenis van de naoorlogse Europese integratie, Wij Europeanen. Daarin concentreerde hij zich met name op de internationale component. In zijn nieuwste boek richt De Wagt zich op de Nederlandse pioniers die in diezelfde periode voor een verenigd Europa pleitten.
Tussen 1924 en 1932 ontspanden de verhoudingen in Europa. Fransen en Belgen beëindigden de bezetting van het Ruhrgebied, de Duitse herstelbetalingsverplichtingen werden versoepeld en het verdrag van Locarno legde afspraken vast over de Duitse grenzen in het oosten en westen. Als klap op de vuurpijl begonnen Franse en Duitse leiders te praten over een ‘Verenigde Staten van Europa’. Sleutelfiguren aan Franse zijde waren de linkse politici Aristide Briand en president Edouard Herriot en aan Duitse kant de liberaal Gustav Stresemann.

Dat deze pogingen uiteindelijk mislukten, weten we allemaal, en dat wringt. In Wij Europeanen verzuchtte De Wagt dat deze voorgeschiedenis vergeten was, omdat we het niet…
…willen […] weten, omdat we ons schamen, wij Europeanen, dat we het zo uit de hand hebben laten lopen.
En iets verder in de tekst: ‘het had niet gehoeven’. Een enorme gemiste kans. Dat falen kwam natuurlijk ook door de grote economische crisis die de verhoudingen vanaf najaar 1929 op scherp zette. Dat de Duitse voorvechter van Europa, minister Gustav Stresemann, in oktober 1929 kwam te overlijden was botte pech. Omgekeerd hadden Duitsland en Europa ruim twintig jaar later geluk met het aantreden van Konrad Adenauer, die net als Jean Monnet de belichaming was van de continuïteit tussen de vooroorlogse Euroforie en die van de jaren vijftig.
Opzienbarend
Het onderwerp bleef de Wagt bezig houden, schrijft hij in de inleiding van zijn nieuwe boek, vooral toen hij merkte hoe sterk die Europese gedachte ook in Nederland leefde. Het ontstaan en verloop van dat vroege Nederlandse Europa-debat staat dan ook centraal in dit nieuwe boek, De Groote Vrede. Nederlandse voorvechters van een verenigd Europa, 1914-1948. Het telt inclusief zaken- en personenregister zo’n 450 pagina’s, is goed geschreven, overtuigend en staat vol mooie portretten van al die pioniers.
De Wagt is met de kruimeldief door de archieven geslopen van al die organisaties en hun initiatieven. Motief in alle gevallen: voorkom oorlog en zet de grenzen open voor onderlinge handel. Veel vredesorganisaties zochten het voor 1914 in juridische constructies, zoals Vrede door Recht, een organisatie die in 1901 was ontstaan uit de ANV, de Algemene Nederlandse Vredesbond en de Vrouwenbond voor Ontwapening.

Nico van Suchtelen
Zo streefde de ‘romantisch-idealist’ Nico van Suchtelen naar een Europese statenbond of bondsstaat met een internationaal leger. Op 16 september 1914 schreef hij in het Algemeen Handelsblad een artikel onder de titel ‘Het eenige redmiddel – een Europeesche Statenbond’.
Wat in de VS mogelijk was, of in Zwitserland met zijn talen en kantons, dat moest toch ook kunnen in Europa? Van Suchtelen kreeg steun van mensen als Frederik van Eeden, Aletta Jacobs en de Groningse hoogleraar Gerard Heymans. Een brochure onder dezelfde titel werd vertaald in acht talen. Met een gelijknamig comité sloot hij zich aan bij de NAOR, de Nederlandse Anti-Oorlog Raad, die in augustus 1914 was opgericht. Opmerkelijk was dat van Suchtelen een lichtend voorbeeld zag in de Irokese federatie in de VS. Maar misschien vonden tijdgenoten dat niet minder wonderlijk dan zijn voorstellen voor een Europese grondwet.
Muller, Ockerse en Mulder
Andere voordenkers waren Hendrik Clemens Muller en de uit Drenthe afkomstige accountant Taco Mulder. De classicus Muller propageerde een ‘staatkundige Europese eenheid’, zoals in de VS, maar dan in de vorm van een soort Europa van vaderlanden zonder tolmuren. Hij pikte dat op van de Haagse arts Frits Ockerse die al in 1908 vorming van ‘De Verenigde Staten van Europa’ geopperd, inclusief eigen president.

Andere voorstanders waren de socialisten Henri Polak, Pieter Jelles Troelstra en Willem Albarda en de antirevolutionair Hendrik Colijn. De laatste was lid van de in 1925 opgerichte Union Douanière Européenne (UDE) dat zich vooral inzette voor de vrijhandel. In de UDE zat ook de katholieke politicus Aalberse.
De liberale politicus en staatsraad Joseph Limburg zat in een vergelijkbare vereniging. Limburg was ook bestuurder van de Vereeniging voor Volkenbond en Vrede en in 1930 medeorganisator van een tentoonstelling in de Ridderzaal over de Volkenbond. Doel was om het publiek te informeren over ‘het werk ten behoeve van de uitbanning van den oorlog en de bevordering van de internationale justitie’. Diezelfde organisatie was in 1931 medeorganisator van een ontwapeningspetitie die door 2,5 miljoen Nederlanders (op 8 miljoen) werd getekend.
Vergeefs?

Wat in het interbellum een alternatief voor Versailles had kunnen worden, kreeg in de jaren vijftig vorm. De Wagt vindt dat de aandacht waard in een tijdperk waarin Europa, zo schrijft hij, zich zelf moet heruitvinden als gevolg van de oorlog in Oekraïne en de wankele steun van de VS.
Wim de Wagt schreef een mooi boek over dit grotendeels vergeten debat. Een minpunt is dat sommige passages overlappen met zijn eerdere boek.
Het Verenigd Europa van Winston Churchill
Mislukte Europese eenwording in het interbellum
Hoe Churchill, Schuman en Marshall de basis legden voor Europa
Ook rafelrand in West-Europa
Harmel-doctrine weer actueel in België
Dwars door Europa in 69 talen