De strijd tussen politieke ideologieën is altijd ook een strijd om de waarheid. Dit was zo bij de negentiende-eeuws opmars van de liberale rechtsstaat, maar net goed bij de hedendaagse aanvallen daarop. Hoe de strijd om het feit laat zien waarom die liberale rechtsstaat nooit door iedereen is omarmd.
Eén van de zaken waar wetenschapshistorici verstand van hebben is van waarheid, of liever gezegd hoe mensen tot waarheden komen. Wanneer vinden we iets waarachtig? Epistemologie noemen we dat. Ik ben wetenschapshistoricus en inderdaad hierover wil ik het hebben.
Want met die waarheid is van alles aan de hand. We leven in tijden van ‘post-truth’, ‘feitenvrije’ politiek en ‘alternative facts’. Vooral het populisme stelt ons vertrouwde waarheidsdiscours op de proef. ‘Feiten’ lijken niet meer heilig in de wijze waarop waarachtigheid wordt betracht. Maar hoe raar is dit eigenlijk? Daarover gaat dit stuk. Over feiten en hun geschiedenis. In die geschiedenis kunnen we onze eigen tijd gespiegeld zien.
Liberale waarheid
Met feiten onderbouwde waarheden, en een zeker respect daarvoor, zijn er altijd al geweest. Maar in de tweede helft van de negentiende eeuw kregen ze een meer uitgesproken betekenis en raakten ze sterker maatschappelijk verankerd – de status die we nu aan feiten toekennen is te traceren in deze periode. Het was ook de tijd dat onze liberale rechtsstaat vorm kreeg. Dat is geen toeval, de opkomst van het feit en die liberale rechtsstaat houden verband met elkaar.
In 1848 haalden de liberalen, onder leiding van Johan Rudolph Thorbecke, een klinkende politieke overwinning met hun grondwetswijziging. Die legde het fundament voor onze liberale rechtsstaat. Maar de strijd was nog niet gestreden. Conservatieve krachten – met kerk en koning hoog in hun vaandel – verweerden zich fel. Net als nu was de politieke strijd ook een strijd om de waarheid, of over waarop waarheid berust. In die strijd zetten liberalen het feit als wapen in.

De oorsprong van het liberalisme ligt in achttiende-eeuwse theehuizen, salons en genootschappen. Daar troffen verlichte geestverwanten elkaar. Ze wilden een einde maken aan het vanzelfsprekende gezag van adel, vorsten en de kerk. De weg naar hogere waarheden en vooruitgang was voor hen die van een open en kritische uitwisseling van opinie. Niet alleen geprivilegieerde personen, maar ieder ‘redelijk’ denkend sujet, ongeacht rang of stand, kon hier deel aan hebben. Alleen het argument telde, niet wie deze verwoordde. Zoals de Duitser August Friedrich Hecker het verwoordde:
Wahrheit ist nicht die Tochter des Ansehens, sondern der Zeit.1 (Waarheid is niet de dochter van het aanzien, maar van de tijd.)
Voor die uitwisseling van opinies was het cruciaal dat de argumenten transparant en controleerbaar waren. Die konden daarom niet langer op persoonlijk inzicht leunen of naar onbewijsbare metafysische zaken als religieuze dogma’s verwijzen. Ze moesten op aantoonbare feiten of op logisch consistente redeneringen berusten – evidence based, zouden we nu zeggen.
Het was dit rationele waarheidsdiscours dat de liberalen tegenover de conservatieve tegenstanders plaatsten. Voor die laatsten draaide waarachtigheid meer om persoonlijk gezag. Lokale regenten, aristocraten en vorst oordeelden vanuit hun nobele achtergrond en vorming. Priesters en dominees voerden namens God het woord. De koning wist wat goed was voor zijn onderdanen, de dominee voor zijn parochianen. Ze hadden de waarheid – persoonlijk – in pacht. Waarheid overlapte met loyaliteit.
Zo werd de tweede helft van de negentiende eeuw het spiegelbeeld van onze eigen tijd, met een activistisch liberalisme dat met een nieuw waarheidsdiscours de gevestigde orde naar de kroon stak – zie hier het strijdtoneel van de Eerste Epistemische Oorlog.
Disciplinering
Hoe vanzelfsprekend is het eigenlijk dat iemand zich overlevert aan het abstracte gezag van feiten? Is de mens van nature niet veel meer geneigd zich te onderwerpen aan het persoonlijk gezag van stamhoofden, sjamanen, directeuren, geestelijken en paters familias? Ouders die hun kinderen naar bed sturen doen dat gewoonlijk fact free als een volleerd autocratisch vorst: omdat ze weten dat het goed voor ze is.
Onderwerping aan feiten betekent terughoudendheid van oordeel, zelfbeheersing, rationaliteit en emotionele onthechting. Dit vereist training. Dat is precies wat er ten tijde van de Eerste Epistemische Oorlog moet zijn gebeurd: op de Hogere Burgerscholen, universiteiten, vanuit tijdschriften, thuis in progressief-liberale gezinnen.
Het vehikel voor die waarheidstraining was ‘wetenschap’, en meer precies de ‘natuurwetenschappelijke methode’. Deze wetenschap raakte in deze periode sterk in de mode, en dan bij uitstek in progressief-liberale kringen. In de kern berustte ze op hetzelfde waarheidsdiscours als de liberale ideologie: het gebruik van empirie en ratio om tot waarachtige kennis te komen. Veelzeggender nog is wat wetenschap dan niet was: het leunen op gezagsargumenten, traditie, dogma’s of intuïtie.2
Zoals de wetenschapshistorici Loraine Daston en Peter Galison hebben laten zien, kwam de wetenschap in die tijd in de greep van het objectivisme.3 Het was niet langer gewenst dat de geleerde – hoe briljant ook – zijn eigen inzicht en eruditie inbracht – want niet transparant en controleerbaar. Slechts de ongefilterde waarneming of de onwrikbare wiskundige deductie was toelaatbaar. Ook de wetenschap zelf plooide zich interessant genoeg om de waarden van de liberale rechtsstaat.
De laboratoria die na 1850 aan de universiteiten begonnen te verschijnen, symboliseerden de strenge, ‘objectieve’ wetenschap. Het lab onderwierp de student aan een regime van meetinstrumenten en -protocollen. Die hielpen hem op onbevooroordeelde wijze feiten uit de natuur los te peuteren. Het was de ideale burgerschapstraining voor de liberale rechtsstaat. En de studenten bewogen mee. Waar ze in het begin van de eeuw nog sterk onder de bevoogding stonden van ouders, hoogleraren en hospita’s, ontwikkelden ze later meer zelfdiscipline: Fremdzang werd Selbstzwang.4
In mijn eigen onderzoek heb ik gekeken naar hoe de wetenschappelijkheid het domein binnendrong van het verzamelen van natuurlijke historie (planten, dieren, gesteenten).5 Dit verzamelen gebeurde in musea, universiteiten, genootschappen en biologische verenigingen, maar ook door private verzamelaars en kinderen. In het begin van de eeuw illustreerden de verzamelde objecten veelal nog Gods schepping aan de hand van vaak wonderlijke uitingen daarvan: een reuzenradijs, exotische dieren van ver weg, een kuiken met vier poten. Ze verwezen naar het hogere.
Op het einde van de eeuw werden systematische, ‘wetenschappelijke’ collecties gangbaar. Curieuze eigenaardigheden werden daarin als ‘onwetenschappelijk’ terzijde geschoven. Iedere metafysica was verdwenen. Wetenschap disciplineerde de verzamelaar tot koele observator. Verzamelingen moesten eenvormig en gestandaardiseerd van opzet zijn – en zonder opsmuk.
De auteur van een Handboek voor den verzamelaar uit 1880 plaatste alledaagse gesteenten op gelijke voet met ‘het prachtigste edelgesteente’ – de verzamelaar mocht zich niet afleiden door de gevoelswaarde van zijn objecten. De objecten in de nieuwe collectiestrategie fungeerden als wat wetenschapsfilosoof Bruno Latour ‘pieces of evidence’ noemt, het bewijs voor het voorkomen van een soort in een bepaald gebied. Oftewel, feiten.
Beschouwers van de opkomst van het populisme zien in het negeren van feiten een aberratie. Historisch gezien is eerder het omgekeerde het geval. Het vertrouwen in feiten is wat verklaring behoeft. Deze verklaring schuilt in de waarden die werden doorgegeven in opvoeding en onderwijs. En die scheelden nogal tussen pakweg een ingenieurszoon op een HBS of een boerenknecht uit een Brabants dorp waar mijnheer pastoor de wijsheid in pacht had.
Zo zien we eind negentiende eeuw ontstaan wat Mark Bovens en Anchrit Willen identificeren als ‘diplomademocratie’. Aan de ene kant: gestudeerde, en minder in traditie gewortelde anywheres. Aan de andere zijde: in praktische beroepen werkzame en regionaal georiënteerde somewheres aan wie een stringente training in het liberale waarheidsdiscours voorbij is gegaan. Vooral in deze laatste groep bevinden zich de ‘afhakers’. Zij herkennen zich slecht in het politieke bestel van de liberale rechtsstaat. Ze spreken de taal niet.6

Macht
Het was vooral de klasse van deskundigen en professionals als bureaucraten, journalisten, artsen, hoogleraren en ingenieurs die zich vereenzelvigden met het liberale waarheidsdiscours. Deze gestudeerde klasse zat flink in de lift en streefde op het einde van de eeuw zelfs het patriciaat voorbij qua sociaal prestige.7 Deze opmars hield verband met de expansie van de centrale en formeel bestuurde staat. Een blik op een bekende beroepsprestigeladder van 1954 volstaat om in te zien hoe krachtig de positie van deze gestudeerde elite werd. De top 3: chirurg, rechter en hoogleraar. Verder dikke toptiennoteringen voor de notaris, advocaat en huisarts.
En wie de macht heeft, bepaalt de spelregels van de waarheid.
Alle universalistische pretenties van hun ideologie ten spijt hield het emancipatiestreven van de liberalen halt bij de eigen klasse. Dat begon al bij Thorbecke. Van volkssoevereiniteit moest hij weinig hebben. Binnen het huis van Thorbecke maakte een geboorteadel plaats voor een opleidingsadel, en niet voor de stem van het volk. Waar de gestudeerde klasse zich onder de bevoogding van de oude machthebbers uitwerkte, hielden zij met eenzelfde betutteling de lagere klassen onmondig. De liberalen voelden weinig aandrang om die deelgenoot te maken van het publieke debat. ‘Een geleerd proletariaat is een vloek voor het volk’, aldus de in andere opzichten alleszins progressieve hoogleraar Van der Wijck (de filosoof was een vocaal pleitbezorger van vrouwen in de wetenschap). Goed, in 1919 kwam er dan universeel stemrecht, maar in de hiërarchische verzuilingscultuur bepaalden de leiders onderling waarmee het volk diende in te stemmen.
Technocratie
Ook op een ander terrein schoot de liberale democratie tekort. Beslissingen berustten in toenemende mate op rapporten en calculaties van technocratische instituties als ministeries, planbureaus of laboratoria – heel evidence-based, maar weinig transparant. Weinig ruimte bleef over voor verschillende opinies en open debat. Experts produceerden de feiten en ja, welk ‘redelijk’ mens kan deze tegenspreken?
Deze trend tot technocratisering versnelde na de Tweede Wereldoorlog, toen beslissingsbevoegdheden ook nog eens bij internationale organisaties en oppertechnocratische instellingen belandden als de EU of het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Naarmate iemands leefwereld verder van de technocratische klasse afstaat, zal deze gebrekkige transparantie een potentiële bron van wantrouwen zijn. Spelen die lui niet allemaal onder één hoedje?
Zoals de Vicente Valentim in zijn geprezen studie The Normalization of the Radical Right (2024) laat zien, komt de opkomst van radicaal-rechts (dat zich bedient van het populistische discours) niet per se voort uit dramatisch veranderende politieke voorkeuren als zodanig, maar uit een kanalisering van bestaande sentimenten die eerder onder de oppervlakte bleven. Is de huidige situatie dan het gevolg van een ontvoogding van de groepen die nooit volwaardig deelgenoot zijn gemaakt van het discours van de rechtsstaat? Is het populisme in wezen een revolte tegen de gestudeerde klasse?
De Tweede Epistemologische Oorlog
Het rationele waarheidsdiscours met zijn feiten is kortom onlosmakelijk verbonden aan de liberale rechtsstaat. Wie aan het ene morrelt, beschadigt het ander. Waar het geloof in feiten klassengebonden is, geldt dat ook voor de doorvoelde acceptatie van de liberale democratie, en al helemaal voor de technocratische variant daarvan. Het populisme ontsteekt vandaar niet enkel een politieke revolte, maar ook een strijd om de waarheid.
Het is geen toeval dat populisten, naast de ‘politieke elite’, juist alle instituties op de korrel nemen die zich baseren op het liberale waarheidsdiscours: ambtenarij, wetenschap, journalistiek, rechtspraak. In ‘nepparlementen’, ‘D66-rechters’, ‘woke’ universiteiten en de aanvallen op de mainstream media tekenen zich de beschietingen af van de Tweede Epistemische Oorlog. Aan de andere kant van die frontlinie zien we bijvoorbeeld de weerstand om extreemrechtse denkers en klimaatontkenners een podium te bieden bij de universiteiten of in de media. Ze houden zich immers niet aan de feiten, en miskennen de grondslagen van het liberale debat.

Uitholling
Maar de aanval op het feit komt niet alleen van gene zijde van de frontlinie. Ook van binnenuit vindt een uitholling plaats. De afgelopen decennia zijn scholen en opvoeders steeds meer de training in rationeel denken gaan loslaten waarop het gezag van het feit rust.
Terug naar de natuurlijke historie. Als Eli Heimans, samen met Jac. P. Thijsse initiator van het ‘Biologische Reveil’ rond 1900, de liefde voor de natuur probeert aan te wakkeren, tekent hij op dat wetenschappelijke training en kennis onontbeerlijk zijn om écht van de natuur te kunnen genieten – het rationele gaat aan de emotie vooraf.
In een recente masterscriptie bespeurt de Leidse museoloog Margot Stoppels een saillante omkering die zich vanaf het begin van deze eeuw inzette. Haar analyse richt zich op het verschijnsel ‘verwondering’, waarmee hedendaagse wetenschapsmusea, zeg maar de erfgenamen van de eerdergenoemde natuurhistorische collecties, hun publiek trachten te engageren. Waar negentiende-eeuwse burgers leerden hun emoties te temmen ten gunste van de rationele orde, ziet Stoppels het omgekeerde gebeuren. Via verwondering verheffen musea het gevoel tot bron van waarheid. Verwondering vervangt oefening.8
Zoals Stoppels laat zien maakt de verwonderhype deel uit van een bredere trend om te appelleren aan het ‘innerlijke kind’ in de plaats van aan de ratio. Het eigen gevoel wordt steeds meer als het meest wezenlijke gezien, in plaats van de feitelijke, waarneembare buitenwereld.
Spindokters bij politieke partijen weten dit al lang. Ze zijn ervan overtuigd dat het electoraat zich maar moeilijk laat kietelen door rationele argumenten. ‘Het probleem is (…) dat ons brein niet is geprogrammeerd om door feiten overtuigd te worden’, schrijft oud-VVD-campagnestrateeg Bas Erlings.9 Hij en zijn collega’s baseren zich op psychologische inzichten als die van Daniel Kahneman. Die onderscheidt twee verschillende ‘systemen’ in het menselijke beoordelingsvermogen: een Systeem I dat spontaan, snel, intuïtief oordeelt en gevoelig is voor – soms onderhuidse – signalen die op de emotie inwerken. Systeem II is bedachtzaam, weloverwogen en beredeneerd. Systeem II kan Systeem I corrigeren, maar het gebruik daarvan vereist inspanning en zelfbeheersing.10

Het rationele arcadië van de liberalen duurde op de keper beschouwd maar kort. Al vanaf 1880 begonnen politici als Abraham Kuyper, Ferdinand Domela Nieuwenhuis en Pieter Jelles Troelstra onbeschaamd – en nog erger, met succes – de emoties van hun kiezersvolk te bespelen. De lat was te hoog gelegd. Maar de liberalen begrepen wel – ook zonder Systemen I en II – wat een psycholoog als Kahneman óók laat zien, namelijk dat mensen die geleerd hebben om zelfbeheersing en terughoudendheid te betrachten hun Systeem II meer zeggenschap kunnen geven over Systeem I. Opvoeding loont.
We zullen nooit geheel rationele wezens zijn. Maar dat wij mensen ‘simpelweg geen rationele controle [hebben] over onze keuzes’, zoals Erlings schrijft, is wat al te defaitistisch.11 De hier beschreven geschiedenis laat zien dat we onszelf wel degelijk kunnen aanleren meer redelijkheid te betrachten. En ons aan de feiten te houden. Een klein beetje meer van dit, en het maatschappelijke debat zou er al flink van opknappen.
2 – Meer hierover in mijn boek De onderzoekers: wetenschap, waarheid en werkelijkheid in de negentiende eeuw, dat later dit jaar bij Prometheus verschijnt.
3 – L. Daston en P. Galison, Objectivity (New York 2007)
4 – P. Caljé, Student, universiteit en samenleving: de Groningse universiteit in de negentiende eeuw (Nijmegen 2009)
5 – Zie hiervoor mijn inaugurele rede: A. Maas, Feiten in vitrines (Leiden 2024)
6 – M. Bovens en A. Wille, Diplomademocratie: over de spanning tussen meritocratie en democratie (Amsterdam 2014); Atlas van Afgehaakt Nederland | Kennisbank Openbaar Bestuur
7 – Caljé, Student, universiteit en samenleving
8 – M. Stoppels, Wonder Trouble: Searching for ‘verwondering’ in science museums (dubbel MA/ResMA-scriptie, Universiteit Leiden 2025). Leiden University Student Repository. https://studenttheses.universiteitleiden.nl/handle/1887/4258854
9 – Bas Erlings, Het spel van de populist (Alfabet Uitgevers 2025), 73.
10 – Daniel Kahneman, Ons feilbare denken (Amsterdam 2014)
11 – Erlings, Spel van de populist, 45.
De wetenschappelijke reuzen van Robbert Dijkgraaf
Isaac Newton (1642-1727) – Ontdekker van de zwaartekracht
Marie Curie – Pools-Franse natuurkundige
Arabische invloed op de Wetenschappelijke Revolutie