Vuurzee vernietigde een derde van Hilversum (1766)

11 minuten leestijd
brand hilversum 1766
Grote brand in Hilversum, 25 juni 1766. Het brandende dorp gezien vanuit het omringend land, op de voorgrond gevluchte inwoners met huisraad en dieren. (Rijksmuseum)

In 1725 was het al erg toen zestig woningen afbrandden. Maar in 1766 was het een ongekende ramp: liefst een derde van Hilversum werd weggevaagd door een vernietigende vuurzee. En voor in geschiedenis geïnteresseerden ook wel een ‘dingetje’: bijna het hele gemeentearchief ging verloren.

De joodse slager Hartog Michielse Levie werkte op woensdag 25 juni 1766 keurig volgens de joodse spijswetten. Een van die voorschriften: bij de slacht van runderen moet vet worden verwijderd omdat (gelovige) joden het niet mogen eten. Wel konden joodse slagers het destijds op andere manieren te gelde maken – als smeermiddel voor wagenassen of als brandstof voor lampen.

brand hilversum 1766
Ets voorstellende de brand in 1766 in Hilversum. (Archief Gooi en Vechtstreek/Collectie François Renoù)
Dus was Levie achterin zijn pand aan de Groest, in het centrum van Hilversum, die dag bezig vet te smelten. Dat deed hij uiteraard vaker, maar die middag, iets na half twee, ging het mis: het vet vatte vlam. Al snel stond de achterkant van Levies pand in brand. Het vuur baande zich een weg naar buiten, waarna er door de vrij harde zuidoostenwind geen houden meer aan was. Toen het vuur tegen het einde van de dag uitdoofde, lag ruwweg een derde van het dorp in as.

Over menselijke slachtoffers bestaat geen zekerheid, maar afgaande op de literatuur lieten in elk geval een kind en een blinde oude vrouw het leven. Het Amsterdamse blad Mercurius meldde: “Binnen het Dorp zag men een oude Vrouw en kind zwart verbrand leggen”. Amsterdammer Jacob Bieker Raije noteerde in zijn dagboek dat er ook veel gewonden waren. Meer daarover is niet bekend. Wel staat vast dat in juli 1766, kort na de brand, zeker drie volwassenen en negen kinderen zijn overleden – mogelijk dus brandslachtoffers.

De dorpsbrand op 30 april 1725 was al iets wat de Hilversummers nog nooit hadden meegemaakt. Doordat archiefbronnen ontbreken (verloren gegaan in 1766), is daarover weinig bekend, al weten we dat het vuur ook toen aan de Groest is ontstaan. Beweerd is wel dat het in hetzelfde pand was als in 1766, maar blijkens nader onderzoek is dat onwaarschijnlijk. Zo’n zestig woningen en vijftien schuren vielen in 1725 ten prooi aan de vlammen. Meer dan honderdtwintig gezinnen waren alles kwijt.

Hilversum was in de tweede helft van de achttiende eeuw een voor die tijd flink dorp met ruim drieduizend inwoners, meest arme spinners en wevers die hun beroep vaak thuis uitoefenden. Het dorp produceerde veel textiel en tapijten. Voor een deel gebeurde dat in zo’n zeventig (piep)kleine fabriekjes (de eigenaren heetten fabrikeurs). In het dorp woonden ook nog ongeveer zestig boeren. De protestanten hadden het sinds de Reformatie voor het zeggen in het dorpsbestuur, maar driekwart van de bevolking was katholiek.

De vuurzee bereikt de Kerkbrink

Naar aanleiding van de brand in 1725 had het dorpsbestuur enkele maatregelen genomen. Er werden twee blusspuiten aangeschaft – karren met elk een waterbak en twee slangen. In 1730 werd bepaald dat bij brand iedereen, mannen én vrouwen, zich met emmers naar de plek des onheils moest haasten. Verder moest in erg droge tijden bij elk huis een ton staan met genoeg water voor ten minste zes emmers. Maar op 25 juni 1766 was het allemaal volstrekt onvoldoende. Ook de twee uit Loosdrecht en ’s-Graveland aangerukte brandspuiten vermochten niets. Voedsel voor de vlammen was er in overvloed. De daken van de woningen waren bedekt met stro. En tussen de huizen stonden nogal wat hooibergen.

ruine kerk hilversum 1766
Ruïne van de kerk in 1766. (Archief Gooi en Vechtstreek/ Collectie François Renoù)

De vuurzee raasde vanaf de Groest door het dorp tot en met de Kerkbrink. Daar stond onder meer de (protestantse) Grote Kerk. Dat stenen gebouw met lei op het dak zou wel onaangetast blijven, zo werd gedacht, dus sleepten heel wat Hilversummers er bezittingen naar toe. Maar ook de kerk brandde uit, net als de naastgelegen panden: de pastorie, het rechthuis (het lokale bestuurscentrum) en het schooltje. Daarnaast vielen 157 van de 475 huizen (vaak verdeeld in meerdere woningen) en zestig schuren en loodsen ten prooi aan de vlammen. Honderden dorpelingen waren dakloos. Volgens de betrouwbaarste opgave bedroeg de schade aan huizen 185.425 gulden en aan goederen 146.916 gulden. Daar kwam de schade aan kerk, rechthuis en school nog bij.

Ooggetuigen

Een Amsterdammer, die dag toevallig in Hilversum, tekende op wat hij waarnam. Het niet ondertekende verslag verscheen op 7 juli 1766 in het blad De Philosooph.

Help Hemel! ach! Welk eene vertooning nu ik nader koome! wie zijn die Rampzaligen, die my met losgerukte haaren, met verwilderde oogen, en met deerelykst geloey te gemoete rennen? ’k Zie hen de armen wringen, zy slaan op hunne borst, trekken zig de haaren uit het hoofd, en eene doodelyke wanhoop vertoont zig in elke beweeging die zy maakten.

De rapporteur zag hoe de vlammenzee dorpelingen ‘dwong (…) om hunne Zieken, Kraamvrouwen, Kinderen enz. naar ’t open veld te brengen’. Ook vertelt hij dat een man, bang dat zijn eigen woning vlam zou vatten, zijn blinde vrouw naar een ander huis bracht. Achteraf bleek de eigen woning ongeschonden. Het huis waar hij zijn vrouw in veiligheid dacht te hebben gebracht vatte wél vlam, waardoor volgens de Amsterdamse ooggetuige de ‘blinde vrouw verbrandde onder een ysselyk geloey, dat een steenen hart tot medelyden zou bewoogen hebben’.

verwoeste pastorie hilversum
De verwoeste pastorie. Op de achtergrond de uitgebrande kerk en de toren, die zijn spits verloor. (Noord-Hollands Archief)

Over de brand in de kerk vertelt de rapporteur een luguber detail. Hij schrijft dat het vuur er zo hevig woedde dat niet alleen de spullen die mensen erheen hadden gebracht verloren gingen, maar dat zelfs de grafstenen in de kerkvloer barstten…

…en de beenderen der afgestorvene Lyken, den volgenden Donderdag morgen nog even heftig brandeden, en eindelyk tot asch verteerden.

Hulpverlening

Heel wat Hilversummers wier woningen aan het noodlot waren ontsnapt namen dakloos geworden dorpsgenoten op – soms wel twintig en meer in één woning. In De Philosooph viel te lezen: “de Natuur zegepraalde; die Geest van secte en partyschap, welke anders de Christenheid zo jammerlyk verdeelt, week voor een Menschelyk mededogen, en Roomschen en Onroomschen beschouwden malkanderen niet anders dan als Christenen en Medeburgers”. Ook bewoners van diverse buitenplaatsen in het nabije ’s-Graveland boden gedupeerden onderdak. Daarnaast werd in ’s-Graveland geld ingezameld om de eerste tijd elke dag een kar vol brood naar Hilversum te laten rijden. Dat was zeer welkom, want drie Hilversumse bakkerijen waren verwoest en van de zes grutterijen (winkels voor granen en andere levensmiddelen) was er slechts één gespaard gebleven.

hilversum voor brand
Gezicht op Hilversum vóór de brand van 1766, in 1837 afgebeeld in het blad Penning-magazijn voor de jeugd. (Noord-Hollands Archief)

Met medische en geestelijke bijstand was het direct na de brand slecht gesteld. De drie dorpsdokters konden daar niets aan doen. Van twee van hen (Reinier du Bois en Hendrik Smit) was de eigen woning, inclusief alle medische hulpmiddelen, in vlammen opgegaan. De woning van de derde arts, Cordemans, was gespaard, maar zijn medische instrumenten en andere hulpmiddelen hadden elders gelegen, in een pand dat was afgebrand.

Met dominee Arnoldus van der Voort was het een ander verhaal. Zeker, hij had maar net het vege lijf kunnen redden toen de pastorie in brand vloog. Maar daarna? Op één plek in de literatuur staat dat hij zijn toevlucht nam bij een dorpsgenoot aan de Groest. Vaker komt de vermelding voor dat de dominee daags na de brand vertrok naar familie in Amsterdam. Op 6 juli was hij weliswaar terug om in een woning de eerste dienst na de brand te leiden (hij preekte over Psalm 119:137: ‘Heere, Gy zyt Rechtveerdig, ende elk een Uwer Oordelen is recht’), maar een goede indruk zal hij direct na de brand niet hebben gemaakt. Mogelijk niet toevallig vertrok hij vrij snel daarna naar een nieuwe standplaats: Staphorst. Maar wellicht was dat toch al zijn plan.

collecte stadsbrand hilversum
Prent ten bate van de collecte voor Hilversum. (Noord-Hollands Archief)

Collectes en lagere belastingen

Het dorpsbestuur probeerde snel hulp te regelen om Hilversum er weer bovenop te krijgen. Al een week na de brand stond het op de agenda van de Staten, zo blijkt uit de ‘Resolutien van de Heeren Staten van Hollandt ende Westvrieslandt’. Het verzoek om een landelijke geldinzameling werd afgewezen, wel mocht worden gecollecteerd in steden in Holland. Hilversum moest zelf maar bepalen waar dat kansrijk werd geacht. Het verzoek om vergoeding van de herbouwkosten van publieke gebouwen werd eveneens afgewezen. Er kwam wel een subsidie van 10.000 gulden. Die werd betaald ‘uyt het comptoir generaal van onze kerkelijke goederen en inkomsten’ ofwel het Geestelijk Kantoor in Delft. Daar berustte het geld dat na de Reformatie was voortgekomen uit beslaglegging op goederen en geld van de rooms-katholieke kerk. Voorts mocht, met een garantstelling door de Staten, 12.000 gulden worden geleend tegen 3-3,5 procent rente. De kosten moesten worden verhaald op de eigenaren van te herbouwen huizen.

Ook werd tijdelijke ontheffing of verlaging van bepaalde belastingen gevraagd. Voor afgebrande panden werd vrijstelling verleend van ‘ordinaris & extraordinaris verpanding’ (nu zeggen we: onroerendezaakbelasting, ozb) voor de jaren 1767 en 1768. Tol voor bouwmateriaal van buiten Hilversum hoefde niet te worden betaald en de belasting op gemalen graan werd tot 1 juli 1767 opgeschort. Voor betalingen aan huiseigenaren gold de voorwaarde dat het nieuwe dak niet met riet mocht worden bedekt. Bij dat alles letten de Staten goed op dat de wederopbouw tot nut van ‘het land’ zou strekken.

Dat hulp naar huiseigenaren ging en verlies van inboedel niet werd vergoed, betekende dat huurders achter het net visten. En hoewel het aantal behoeftigen door de ramp flink toenam, werd geen substantiële steun aan de armenzorg verleend. Dat was niet alleen zo in Hilversum, deze uitgangspunten golden destijds na alle rampen in het land.

Een spontane landelijke collecte van burgers, waarover verder vrijwel niets bekend is, bracht tot 18 oktober 4.072 gulden op. Dat geld werd gestoken in de herbouw van het Hilversumse rechthuis, aanbesteed voor 4.800 gulden. In het pand zetelt anno 2026 Fotomuseum Hilversum. Herbouw van het schooltje kostte 2.950 gulden, met herbouw van de pastorie was 5.997 gulden gemoeid en met herbouw en herstel van kerk en toren 13.400 gulden.

Dominee Yssum hilversum
Dominee Van Yssum
De collecte in Hollandse steden bracht 107.882 gulden op. Amsterdam leverde met 54.506 gulden (ook wordt genoemd: 55.100 gulden) de grootste bijdrage, Naarden kwam tot 1.200 gulden, Weesp tot 951 gulden en in Bussum, hoewel geen stad, werd 44 gulden ingezameld. Het waren gulle gaven, maar beslist onvoldoende om alle schade te dekken. De Hilversummers bleven dus met een forse rekening zitten.

Een nieuwe kerk én dominee

De herbouwde kerk (inclusief de uit 1481 daterende, herstelde toren) werd ingewijd op 3 juli 1768. Dat deed de nieuwe dominee, de pas vijfentwintigjarige Johannes Wilhelmus van Yssum. De kerk had onder meer een nieuwe preekstoel. Voor het vervoer daarvan van Delft naar Hilversum had ene Jan Goedhart 22 gulden in rekening gebracht, aldus een kwitantie in Archief Gooi en Vechtstreek.

Een gelukkige bijkomstigheid verdient aparte vermelding. Tussen de afgebrande pastorie en kerk stond een stenen tuinhuisje, dat de rampdag van 1766 wonderlijk genoeg ongeschonden doorkwam. Het was gebouwd in 1700. De eerste tijd na de brand in 1766 gebruikte het dorpsbestuur het als vergaderruimte. Toen er op 3 december 1971 opnieuw vuur woedde in de kerk, ontstaan tijdens renovatiewerk, stortten het kerkdak en de torenspits in, maar bleef het tuinhuisje nogmaals gespaard. In opgeknapte vorm staat het er anno 2026 nog steeds.

Het dorpsarchief

Slechter liep het af met het dorpsarchief. Dat lag in het rechthuis en ging bij de brand grotendeels verloren, wat historisch onderzoek tot op de huidige dag hindert. Dat een klein deel is gered is te danken aan Hendrik de Blinde. In het dorpsbestuur was hij buurmeester en als zodanig met zijn collega-buurmeester belast met het financieel beheer. Samen met de secretaris waren ze ook verantwoordelijk voor de kist met belangrijke rekeningen en boeken.

Hendrik de Blinde
Hendrik de Blinde. (Archief Gooi en Vechtstreek)
Met gevaar voor eigen leven ging Hendrik de Blinde tijdens de grote dorpsbrand het rechthuis binnen en wist enkele stukken mee te nemen. Daaronder was de zeer belangrijke ‘geboorteakte’ van Hilversum. In die oorkonde bepaalde de Hollandse graaf Jan van Beieren op 4 maart 1424 dat Hilversum werd losgemaakt van Laren en aan een zelfstandig bestuurlijk bestaan kon beginnen.

De kerkelijke archieven, opgeslagen in de Grote Kerk, gingen bij de brand geheel verloren. Dominee Van Yssum heeft veel moeite gedaan het doop-, trouw- en lidmatenboek zo goed mogelijk te reconstrueren. Door met tal van Hilversummers te spreken is het Van Yssum gelukt gegevens te vergaren die teruggaan tot 1689.

Was Levie de zondebok?

Tot slot nog iets over Hartog Michielse Levie, bij wie de brand begon. Vanwege de publicatie van het door haar samengestelde boek Crisis en Catastrofe sprak de Nijmeegse hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis Lotte Jensen in 2021 met het Historisch Nieuwsblad. Over Levie maakte ze enkele opmerkingen. Gevraagd werd of ze bij haar onderzoek naar rampen in de achttiende eeuw ook complotdenkers was tegengekomen. “Niet zozeer complotdenkers, maar wel zondebokdenkers”, zei ze.

Als voorbeeld noemde ze de Hilversumse brand. “In 1766 woedde er in Hilversum een grote brand, die was ontstaan bij een Joodse bakker.’’ Kennelijk had ze de zaak niet op een rijtje. Levie was geen bakker maar slager en er was een direct verband tussen dat beroep en het ontstaan van de brand. Het verhinderde Jensen niet om ook nog te zeggen: “Men wees meteen naar de Joden als degenen die deze brand over Hilversum hadden afgeroepen”. Een pittige uitspraak; in feite betichtte Jensen de dorpelingen van antisemitisme. Waarop ze dat baseerde, liet ze onvermeld.

pand brand hilversum
Het pand waar in 1766 de brand ontstond. De foto, door Hilversums geschiedenistijdschrift Eigen Perk in 2006 geput uit de collectie van het toenmalige Goois Museum, stamt uit 1928. Kort daarna is het pand afgebroken.
Laten we daarom even kijken naar wat vader Coen en zoon Harry van der Voort in 2006 schreven in het Hilversumse geschiedenistijdschrift. Al langer hadden ze zich verdiept in joods Hilversum en in deze bijdrage richtten ze de blik op de ramp van 1766 en met name op Levie. Ruim drie maanden na de brand verkocht deze zijn pand aan de Groest om zich als slager in Naarden te vestigen. Aan het stadsbestuur daar schreef hij ‘om diverse reedenen sig genoodsaakt bevindende alsdus metterwoon’ Hilversum te verruilen voor Naarden. Zou een van die redenen het door Jensen gesuggereerde Hilversumse antisemitisme zijn?

De vijf slagers in Naarden zaten op Levies concurrentie niet te wachten en ze kregen van hun stadsbestuur gelijk: Levie mocht er geen slagerij beginnen. Hij keerde terug naar Hilversum, betrok voor de rest van zijn leven een woning aan de Groest, schuin tegenover zijn oude pand, en werd actief als koopman. In het artikel van de Van der Voorts is vooral deze passage relevant:

Uit niets blijkt dat er speciale maatregelen genomen werden tegen Hartog Michielse Levie. Er is voor het gerecht van Hilversum, noch voor de hoge vierschaar te Naarden een proces tegen hem aangespannen. Zelfs zijn licentie als slager werd niet ingetrokken. Ook lijkt het erop dat in het algemeen geen anti-joodse stemming onder de Hilversumse bevolking ontstond.

Dat lezende, dringt de conclusie zich op dat Jensens insinuatie een slag in de lucht was.

Joodse Begraafplaats hilversum
Gooise Vaart met achter de joodse begraafplaats waar slager Levie werd begraven. Foto uit 1905. (Archief Gooi en Vechtstreek/Fotoarchief Pieter Jan Siewer)

Levie overleed in februari 1774 en werd ter aarde besteld op de toenmalige joodse begraafplaats aan de Gooise Vaart in Hilversum. Deze is in 1937 geruimd om plaats te maken voor een bedrijventerrein aan de Nieuwe Havenweg, bij het destijds net gereed gekomen Hilversums Kanaal. Het pand waarin de rampzalige brand begon, kreeg in 1882 een nieuwe voorgevel en is in 1928 of iets later afgebroken. Op die plek staat nu een veel nieuwer winkelpand met als adres Groest 110.

Bronnen

– Archief Gooi en Vechtstreek: Verhalen, Het vernietigende vuur van 1766 – streekarchief – 25/6/1766 (Hilversum, z.j.).
– Erica Boersma: Noodhulpbeleid bij stads- en dorpsrampen in de Republiek. Bovenregionale solidariteit in de achttiende eeuw. In: Lotte Jensen (ed.): Crisis en Catastrofe (Amsterdam 2021).
– Branden in beeld: De Grote Kerk, 3 december 1971. In: Hilversums Historisch Tijdschrift Eigen Perk 2015/4.
– Dudok Architectuur Centrum: Grote Kerk 1891/J. Wolbers. Op: dudokarchitectuurcentrum.nl (Hilversum z.j.).
– D.Th. Enklaar, A.C.J. de Vrankrijker: Geschiedenis van Gooiland (Amsterdam 1939-1941).
– Jan J. van Herpen: De grote brand in Hilversum van 25 juni 1766. In: Eigen Perk 1998/2.
– Hilversum.nl, Verhalen: Hoe een derde van Hilversum in vlammen opging (Hilversum 19 oktober 2022).
– ‘Bij vroegere rampen was er een enorme solidariteit onder burgers’. Historisch Nieuwblad, online 24 februari 2021, update 18 december 2024.
– Pieter Hoogenraad: Leesbaar Hilversum. In: Hilversums Historisch Tijdschrift Eigen Perk 2003/4.
– P.J. van Ravesteijn, Jan Boerhout, C.L. Heek: Gedenkboek Hilversum 1424-1924 (Hilversum 1924).
– Ineke de Ronde: De dorpsbranden van 1725 en 1766. In: Hilversums Historisch Tijdschrift Eigen Perk 2015/4.
– Jan Scheele: Materieel en locaties van de Hilversumse brandweer. In: Hilversums Historisch Tijdschrift Eigen Perk 2015/4.
– Gerrit Schutte: Tolerantie op dorpsniveau. Geloofsverhoudingen in achttiende-eeuws Hilversum. In: Hilversums Historisch Tijdschrift Eigen Perk 2006/4.
– Harry en Coen van der Voort: Bij hem begon de dorpsbrand in 1766. In: Hilversums Historisch Tijdschrift Eigen Perk 2006/4.
×