Twee gevluchte joodse gezinnen: in Nederland stortte hun wereld in

De gezinnen Borchardt en Kalmann
18 minuten leestijd
Georg Borchardt en Martha Heynemann in 1908
Georg Borchardt en Martha Heynemann in 1908 - Foto: Marta Wolff - wiki

Twee Duits-joodse gezinnen, onder wie een beroemde schrijver, hoopten in Nederland veilig te zijn voor Hitlers nazibewind. Ze belandden allebei in Hilversum én ze raakten met elkaar verbonden. Maar ook in Nederland bleken ze niet veilig.

Historische literatuur over de gezinnen Borchardt en Kalmann kan verwarrend zijn door alle namen en bijnamen. Daarom allereerst een kort overzicht van de personen over wie dit verhaal gaat, zodat de lezer er desgewenst op kan teruggrijpen.

Georg Borchardt (1871, bijnaam Peps) was een gevierd schrijver onder het pseudoniem Georg Hermann. Uit zijn eerste huwelijk, met Martha Heynemann (1875, bijnaam Mu), kwamen vier dochters voort. Ilse (1902) overleed al binnen een jaar. Eva Maria (1903) trouwde met Siegfried (bijnaam Ipi) Rothschild. Hilde (1904, bijnaam Mulle) huwde eerst met Henning Aschenberg, daarna met Villum Hansen. Elise (1906, roepnaam Liese) trouwde met Walter Kuhnberg. Met zijn tweede vrouw, Lotte Samter (1896), kreeg Georg Borchardt een dochter: Urusula Henriette (1919, roepnaam Uschi). Zij trouwde eerst met Herbert Joachim Kalmann (zie hieronder), daarna in Israël met Aaron Ben Dror. In Israël ging Ursula als Shulamith door het leven. Met Herbert Kalmann kreeg ze een zoon, Hendrik Peter Michael (1941, roepnaam Micky).

Ondernemer Adolf Kalmann (1889) trouwde met Lina Gerson (1889). Ze kregen vijf kinderen, maar Anna (1914) leefde slechts een week, Herta (1915) een half jaar, terwijl Lina in 1919 een levenloos en daardoor naamloos zoontje baarde. Resteerden twee gezonde zoons, Heinz (1913) en Herbert Joachim (1921). Herbert trouwde met Ursula (Uschi) Borchardt, met wie hij zoon Hendrik Peter Michael (Micky) kreeg, maar in de oorlog scheidden ze. Na de oorlog hertrouwde Herbert met de Zwitserse Agnes Matter. Ze kregen vier kinderen.

De joodse families Borchardt en Kalmann hadden het aanvankelijk goed. Voor de Borchardts ging het echter mis vanaf 1873. De familie Kalmann deed het economisch goed tot begin jaren dertig van de twintigste eeuw. Voor beide gezinnen pakten zich donderwolken samen met het om zich heen grijpende nazisme, waarvoor ze als joodse Duitsers op zijn zachtst gezegd op hun hoede moesten zijn. Alvorens hun emigrantenbestaan te belichten eerst een schets van de vooroorlogse wederwaardigheden van de Borchardts en de Kalmannen.

Vooroorlogse jaren

Het gezin Borchardt

Borstbeeld van Nefertiti
Borstbeeld van Nefertiti (Wiki/Philip Pikart, CC BY-SA 3,0)
Georg Borchardt werd in 1871 geboren als jongste kind van Hermann Borchardt en Bertha Levin. Het gezin woonde in het centrum van Berlijn. Hermann verdiende goed als effectenmakelaar. Maar de beurskrach van 1873 en daarop volgende lange recessie in Duitsland maakten daaraan een einde. Pa belandde zelfs even achter de tralies vanwege schulden. Enkele dagen voor ze in 1910 overleed, drukte moeder Bertha haar zoons Ludwig, Heinrich en Georg op het hart de eer van de familie te herstellen. Dat is gelukt. Heinrich maakte naam als architect. Ludwig werd een befaamd egyptoloog. Een opgravingsteam onder zijn leiding bracht in 1912 het borstbeeld van koningin Nefertiti aan het licht. Het is nog altijd een pronkstuk van het Neues Museum in Berlijn. Georg tot slot werd een veelgelezen schrijver.

Schrijven deed Georg Borchardt al vanaf zijn veertiende. Maar als volwassene verdiende hij zijn brood eerst bij een stropdassenfabriek. Wel verrichtte hij daarnaast zo nu en dan journalistiek werk. Aanvankelijk deed hij dat onder zijn eigen naam, maar vanaf 1897 onder het pseudoniem waarvoor hij zijn vaders voornaam gebruikte: Georg Hermann.

Zijn eerste boek was Spielkinder, dat in 1897 ook als feuilleton verscheen in het sociaaldemocratische blad Neue Welt. Rond die tijd kreeg hij een relatie met Martha Heynemann. Ook zij was in Berlijn geboren. Haar vader, Robert, was een succesvol zakenman, maar overleed al jong. Moeder Elise zorgde ervoor dat haar twee dochters een goedburgerlijke opvoeding kregen. Zo sprak Martha goed Frans en speelde ze goed piano.

Georg en Martha trouwden op 28 maart 1901 en gingen wonen in de Berlijnse wijk Friedenau. Hun eerste kind, Ilse, werd geboren in februari 1902, maar overleed in januari 1903 aan difterie. Er volgden nog drie dochters: Eva (september 1903), Hilde (augustus 1904) en Elise (mei 1906). Enkele dagen na Elises geboorte verscheen Borchardts tweede roman: Jettchen Gebert, waarin het joodse middenklasse-milieu wordt geschilderd in het Berlijn van de jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw. Twee jaar later kwam het vervolg, Henriette Jacoby.

Georg Hermann
Georg Borchardt getekend door Herman Struck
Beide boeken werden enorme bestsellers, Jettchen Gebert nog het meest. Daarvan verscheen in 1909 al de tweeëndertigste druk en in 1919 de vijfentachtigste. Vertalingen kwamen er ook, als eerste in 1909 de Nederlandse, daarna de Zweedse, Franse, Deense, Hongaarse, Finse, Russische, Engelse en tot slot in 1940 de Hebreeuwse. Het leverde inkomsten op die de Borchardts in staat stelden in Berlijn-Grunewald een villa te betrekken.

Begin 1915 verhuisden ze naar Neckargemünd bij Heidelberg (zuidwest-Duitsland), mogelijk aangetrokken door de groene omgeving en wellicht ook omdat het daar gezonder was voor de wat ziekelijke dochter Liese. Niettemin spendeerde Georg ook toen de meeste tijd in Berlijn. Voor militaire dienst – de Eerste Wereldoorlog was gaande – werd hij afgekeurd, mogelijk wegens diabetes, waarmee hij ook later in Hilversum kampte.

Georg heeft eens opgemerkt dat hij het monogame huwelijk een uitdaging vond. In 1917 begon hij een buitenechtelijke relatie met Lotte Samter, redactrice bij uitgeverij Ulstein. Toen Lotte in 1918 zwanger bleek, was er geen ontkennen meer aan. Georg en Martha scheidden, Georg hertrouwde met Lotte en in juli 1919 werd dochter Ursula (Uschi) geboren in München. Lotte was toen tweeëntwintig jaar, Georg zevenenveertig.

Een van Georgs columns in het Handelsblad
Een van Georgs columns in het Algemeen Handelsblad (Delpger)

In oktober leverde Borchardt aan het Algemeen Handelsblad de eerste van zijn wekelijkse columns Brieven over Duitsche literatuur. Aantrekkelijk was dat de krant betaalde in guldens, die waardevoller waren dan de aan oplopende inflatie onderhevige Duitse mark. Die column schreef hij viereneenhalf jaar lang, 221 afleveringen.

Kort daarna trof een drama het kleine (tweede) gezin Borchardt. Lotte overleed in februari 1926. Ze was negenentwintig jaar en dochter Uschi, die haar moeder levenloos in bed vond, pas zes. In de literatuur worden twee doodsoorzaken genoemd. In zijn Borchardt-biografie rept John Craig-Sharples over een nierziekte. In het boek Der Tausch meldt Menno Kalmann dat een leververgiftiging officieel de doodsoorzaak was, maar dat Lotte in werkelijkheid zelf gif had ingenomen dat boeren gebruikten tegen ratten, muizen en mollen. De achtergrond van de zelfmoord is overigens niet duidelijk.

Gebouw van de Künstlerkolonie Berlin
Gebouw van de Künstlerkolonie Berlin (CC BY-SA 3.0 – Rhetorik-Netz – wiki)
In 1931 verlieten Georg en Uschi Neckargemünd en betrokken een appartement in de Künstlerkolonie Berlin in stadsdeel Wilmersdorf. De kunstenaarskolonie was in 1927 gesticht op initiatief van schrijversvereniging Schutzverband Deutscher Schriftsteller. Eva, dochter van Georg en Martha, was inmiddels getrouwd en woonde zelfstandig elders, maar ook Martha en dochter Liese verhuisden naar de kunstenaarskolonie. Dochter Hilde en een vriend betrokken er eveneens een appartement.

De in 1988 onthulde gedenkplaquette voor Georg bij de Künstlerkolonie Berlin
De in 1988 onthulde gedenkplaquette voor Georg bij de Künstlerkolonie Berlin (CC BY 2.5 – Erik Dunsing – wiki)
Voor de joodse, als links en pacifistisch bekend staande schrijver Georg Hermann werd het steeds riskanter in Berlijn. In 1931 ontving hij de eerste doodsbedreigingen. Ook stond Georg op een lijst prominenten die de nazi’s, zodra ze aan de macht zouden zijn, wilden opsluiten in een concentratiekamp. Dochter Hilde, die in 1933 naar Kopenhagen verhuisde, was in haar Berlijnse tijd lid van de Duitse communistische partij KPD. Die had spionnen in Hitlers NSDAP en zij ontdekten het bestaan van de lijst.

Kort na de Rijksdagbrand (27 februari 1932) meldden zich NSDAP-functionarissen bij Georgs appartement. Hij was niet thuis, want op vriendenbezoek in Hildesheim (ten zuiden van Hannover). Toen Georg erover hoorde, besloot hij uit te wijken naar Nederland, waar hij bevriend was met uitgever Emanuel Querido. Dochters Liese en Uschi begrepen er niets van waarom hun vader niet thuiskwam. Liese opperde Querido eens te bellen en die zei: “Ja, jullie vader is hier”. Niet veel later kwamen ook Martha, Liese en Uschi naar Nederland. Hun emigrantenbestaan was begonnen.

Weissenfels
Weissenfels, het slot gezien vanaf het marktplein (CC BY-SA 3.0 – Z thomas – wiki)

Het gezin Kalmann

Dan het gezin Kalmann. Adolf Kalmann en Lina Gerson werden beiden in 1889 in Leipzig geboren. Ze vestigden zich na hun trouwen vijftig kilometer verderop, in het stadje Weissenfels. Daar exploiteerden ze Kaufhaus Kalmann, een klein warenhuis voor nette dames- en herenkleding en schoenen plus een assortiment etens- en genotwaren als chocola, tabaksproducten, bonen, noten en conserven in blik.

Het gezin Kalmann was joods, maar niet religieus. In Der Tausch vertelt kleinzoon Menno een fraaie anekdote. Lina had met huishoudhulp Lieschen onenigheid gehad over hoe het vleesgerecht Sauerbraten precies moet worden bereid. De volgende ochtend merkte Lieschen op: “Maar joden mogen toch helemaal geen varkensvlees eten?” Voor Lina was dat aanleiding eens haarfijn uit te leggen hoe dat zat. ,,Onzin, dat heeft met mogen niets te maken, maar met een onzinnig voorschrift dat God Mozes heeft gedicteerd, maar dat we hier in huize Kalmann niet volgen.” En:

Er zijn joden die aan die onzin meedoen en er zijn joden zoals wij die gewoon Duits zijn.

Maaltijd met Saksische Sauerbraten
Maaltijd met Saksische Sauerbraten (CC0 – Brücke-Osteuropa – wiki)

Om elke twijfel bij Lieschen weg te nemen meldde Lina ook nog: “En als hier iemand dicteert wat mag en wat niet mag, dan ben ik dat’’.

Op zeker moment verhuisde het gezin Kalmann naar het zestien kilometer verderop gelegen Bad Dürrenberg, een dorp, geen stadje zoals Weissenfels. Daar stond tegenover dat het een bekend kuuroord was en nazisme en antisemitisme er veel minder voet aan de grond hadden gekregen dan in Weissenfels.

In Bad Dürrenberg openden Adolf en Lina een filiaal van Kaufhaus Kalmann. Volgens kleinzoon Menno gebeurde dat niet omdat ze van de zaak in Weissenfels niet konden rondkomen, maar omdat ze wilden sparen voor het geval dat geld eens nodig mocht zijn. Hoewel er nog geen plan was, hielden ze er dus al rekening mee ooit hun koffers te moeten pakken. In deze periode bedacht Adolf Kalmann trouwens een industriële manier om schoudervullingen voor kleding te maken. Later, in Nederland, bouwde hij daarop verder.

In 1933 werd het antisemitisme steeds erger. Herbert moest naar een speciale joodse school. Op drie van de vijf etalageruiten van Kaufhaus Kalmann in Weissenfels werd gekalkt: ‘Deutsche! Wehrt Euch! Kauft nicht bei Juden!’ (Duitsers! Verzet jullie! Koopt niet bij joden!) Op de andere twee etalageruiten werden davidssterren geschilderd. En er kwam een functionaris langs van Hitlers partijknokploeg SA. Kalmann moest een schildje kopen en op de gevel aanbrengen dat duidelijk maakte dat het een winkel van een joodse ondernemer betrof.

Adolf en Lina besloten Duitsland te verlaten. Ze verkochten hun onderneming voor een bedrag ver onder de waarde die deze een jaar eerder nog had. Op kerstavond 1933 namen ze afscheid van het personeel en op 2 januari 1934 lieten ze hun geboorteland achter zich. Daarmee had ook hun emigrantenbestaan een aanvang genomen.

Emigranten

Het gezin Borchardt

In Nederlands wendde Georg Borchardt zich als eerste tot zijn vriend en uitgever Emanuel Querido. Met zijn vrouw Jane had deze in 1929 Amsterdam verlaten en zich in het groene Gooi gevestigd, Neuhuijsweg 10 in Laren. Borchardt kon er meteen intrekken. Krap twee maanden later betrok hij, samen met Martha, Liese en Uschi, die hem waren nagereisd, de woning Lantentijmen 12 in Laren.

Emanuel Querido
Emanuel Querido (CC0 – NIOD – wiki)
Querido vond actie geboden. In april vroeg hij de in het boekenvak gelouterde Fritz Landshoff van Berlijn naar Amsterdam te komen. Ze stichtten Querido Verlag. Die ging boeken van in Duitsland verboden schrijvers uitgeven en verspreiden. Concurrentie kwam van uitgeverij Allert de Lange, die ook een Exil-fonds begon. Ook Georg Hermann publiceerde daar, met instemming van Querido.

In oktober 1934 verhuisde Borchardt met dochters Liese en Ursula naar Siriusstraat 59 in Hilversum. Martha was al eerder ergens anders gaan wonen, maar de archieven vertellen niet waar. Later voegde Liese zich bij haar. In een brief aan Hilde in Denemarken toonde Borchardt zich tevreden met de nieuwe woning: vijf kamers voor 40 gulden huur per maand. De melding in de Borchardt-literatuur dat het een bovenwoning betrof, kan onmogelijk kloppen. De woningen waren het jaar daarvoor gebouwd met vier slaapkamers op de eerste verdieping, waarvan er op nummer 59 inmiddels één was omgebouwd tot badkamer. Daar resteerden dus drie kamers, plus de voor- en achterkamer op de begane grond maakt dat vijf kamers – precies het aantal dat Borchardt noemde.

Krantenfoto van Georg Borchardt in 1933 in Laren
Krantenfoto van Georg Borchardt in 1933 in Laren. (Delpher.nl/Nieuwe Tilbursche Courant)
Hoewel hij in Hilversum rustig kon schrijven was hij er niet echt tevreden. Bij kranten kon hij niet meer terecht en de houding tegenover emigranten beviel hem niet. Eerder had hij in het Algemeen Handelsblad geschreven: “Ik houd zeer veel van Nederland”. Nu constateerde hij: de mensen in Nederland zijn heel vriendelijk als je een bezoeker bent, maar tegen mensen die gedwongen zijn om blijvend tussen hen te wonen zijn ze een stuk minder vriendelijk. Iets soortgelijks noteerde de gevluchte Duitse schrijfster Irmgard Keun:

Ik ben de Hollanders flink zat, immigrant zijn betekent ongeveer hetzelfde als zakkenroller of inbreker zijn.

Siriusstraat 59 in Hilversum
Siriusstraat 59 in Hilversum – Foto: Dian Suwarsaputri

En dan, mopperde Borchardt, die Hollandse regen! In Berlijn kwam regen van boven, maar in Nederland kon hij van alle kanten komen, dus had je volgens hem weinig aan een paraplu. In 1935 schreef hij een somber essay. Hij stelde: “Echt, ik ben geboren in een gestoorde wereld en toch is de wereld die ik verlaat tien keer zo gek en misleid’’. Bewapening krijgt steeds voorrang boven verbetering van de levensomstandigheden van staatsburgers, verzuchtte Borchardt. En: zolang ‘de amokmaker onder de Europese staten’ (Duitsland, red.) niet onmachtig wordt gemaakt, zal er oorlogsdreiging zijn. Over Europa noteerde hij:

Ik droom van een federatie die is opgedeeld in veel autonome eenheden waar iedereen gelijke rechten heeft en gelijke kansen bij alle grote en kleine dingen des levens. Een genormeerde staat die het niet is toegestaan te doen wat het individu niet mag doen: moord, afpersing (…) en liegen en bedriegen.

In een joodse staat, die de zionisten nastreefden, zag Borchardt niets. Die zou dezelfde gebreken hebben als elke andere staat, meende hij.

Revolutionaire Duitse matrozen
Revolutionaire Duitse matrozen, eind 1918. Op het bord staat: ‘Soldatenraad’ en ‘Leve de socialistische republiek’ (Bundesarchiv, Bild 183-J0908-0600-002 / CC-BY-SA 3.0)
Hij toonde sympathie voor de revolutiepogingen van 1918 en 1919 in Duitsland. Dat hij moest emigreren weet hij aan het verraad van die revolutiepogingen door de Duitse sociaaldemocratie. Tegelijk moest hij van het bolsjewisme weinig hebben. De Russische regeringsvorm noemde hij misschien goed, maar alleen voor Russen en niet voor andere Europeanen. Over Hitler en zijn trawanten was hij duidelijk: voor hen ‘is geen galg te hoog, geen kogel te snel, geen gifgas te kwellend’. En toch, het allerergst vond hij niet eens het misbruik dat Hitler van het aloude antisemitisme maakte voor politieke doelen, maar het feit dat het Duitse volk, dat Borchardt laf en onprincipieel noemde, zich erdoor had laten meeslepen.

Materieel ging het hem niet best. In de eerste helft van 1936 verdiende hij slechts zes gulden, schreef hij Hilde. Geregeld moest hij voor steun aankloppen bij het joodse vluchtelingencomité in Amsterdam. Gelukkig kwam in 1937 geld van De Arbeiderspers voor een pocketeditie van succesromans Jettchen Gebert en Henriette Jacoby. Borchardts gezondheid werd er inmiddels niet beter op. Zijn diabetes verergerde, hij had een hartvergroting en een lelijk hoge bloeddruk.

In mei 1938 verlieten Borchardts dochter Eva, haar man Ipi en hun twee kinderen eindelijk Berlijn. In Hilversum trokken ze in bij Borchardt, begin 1939 reisden ze door naar Engeland.

En toen begon op 10 mei 1940 de Duitse bezetting van Nederland. Martha en Liese wisten nog net vanuit IJmuiden per schip Engeland te bereiken. Waarom Georg en Ushi niet diezelfde route namen, maar in Hilversum bleven, is onbekend.

Peter van Anrooy
Peter van Anrooy, hier in 1949, toen het Residentie Orkest hem huldigde ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag (CC0 – Nationaal Archief – Rolf Winterbergen)
Nog voor de bezetting verliet Ushi de Siriusstraat en betrok een kamer aan de Oude Loosdrechtseweg bij het gezin van een vriend van Borchardt: componist en dirigent Peter van Anrooy. In 1937 had deze geweigerd tijdens een gala voorafgaand aan het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard het nazistische Horst Wessellied ten gehore te brengen. In de laatste periode voor de bezetting kreeg Ushi in Hilversum een vaste vriend: Herbert Kalmann. In augustus 1940 schreef Borchardt aan Hilde dat Ushi en Herbert trouwplannen hadden en dat Ushi net zwanger was. In het gezin Kalmann zag Borchardt niet veel. Hij vond ze materialistisch en zonder waardering voor de betere dingen in het leven: kunst en cultuur. Later bleken ze hem toch mee te vallen.

Het gezin Kalmann

Hoe was het intussen met het gezin Kalmann gegaan sinds het Duitsland had verlaten? Ze vestigden zich in Amsterdam op een onbekend adres in West en vader Adolf ging weer ondernemen. Vanuit een winkeltje aan de Postjesweg verkocht hij onder meer kussens en theemutsen, die thuiswerksters voor hem maakten. Het lukte hem zelfs leverancier van De Bijenkorf te worden. Ook ging hij weer kleding verkopen. In 1937 bracht hij de activiteiten onder in een onderneming: Bara. Waar die naam vandaan kwam, is niet overgeleverd.

Ze verhuisden naar Keizersgracht 108-hs, dat eerst alleen als woning diende, maar waarin vervolgens ook het bedrijf werd ondergebracht. Omdat dat steeds meer ruimte vergde, verhuisde het gezin in juli 1938 naar Hilversum. Aan de Diependaalselaan 272 (nu 270) betrokken ze een woning met (toen nog) uitzicht op de hei.

Diependaalselaan 270, Hilversum
Diependaalselaan 270 (in de oorlog nog 272) in Hilversum. – Foto: Dian Suwarsaputri

Zoon Herbert leerde in Hilversum Uschi Borchardt kennen. Op 18 september 1940 trouwden ze. Dat gebeurde uiteraard in het Hilversumse raadhuis, maar ook nog bij Herbert thuis onder leiding van een rabbijn. Herbert was toen negentien jaar, Uschi eenentwintig. Door het huwelijk werden de emigrantengezinnen Borchardt en Kalmann officieel met elkaar verbonden. Op 13 maart 1941 beviel Uschi van een zoon: Hendrik Peter Michael (roepnaam Micky). Met de kleine trok het jonge stel in bij Adolf en Lina aan de Diependaalselaan. Heel lang duurde dat niet, want tussen Uschi en haar schoonmoeder boterde het allerminst. Voor Uschi was het aanleiding met Micky weer bij haar vader te gaan wonen.

Een paar weken voor Micky’s geboorte vond op 22 en 23 februari 1941 in Amsterdam de eerste razzia plaats, waarbij 427 joodse mannen werden opgepakt. En precies op Micky’s geboortedag werden op de Waalsdorpervlakte bij Den Haag achttien leden van de verzetsgroep de Geuzen gefusilleerd, onder wie oprichter Bernard IJzerdraat.

Kopie van Ushi’s op 31 juli 1941 in Hilversum afgegeven persoonsbewijs
Kopie van Ushi’s op 31 juli 1941 in Hilversum afgegeven persoonsbewijs, voorzien van twee keer een grote J (joods). (Archief Gooi en Vechtstreek)

De familie Kalmann besefte dat na hun vlucht uit Duitsland nu hun emigrantenbestaan in Nederland op instorten stond. Besloten werd dat zoons Heinz en Herbert een route door Nederland, België en bezet Frankrijk naar het onbezette Zuid-Frankrijk zouden beproeven. De anderen zouden hen nareizen. Herbert wilde de kleine Micky meteen meenemen. Hij en Uschi stevenden dan wel af op hun echtscheiding (uitgesproken in 1942) na vooral veel onmin tussen Uschi en haar schoonmoeder. Het leek Herbert belangrijk de baby snel in veiligheid te brengen. Maar bij Georg Borchardt stuitte hij op een onwrikbare weigering. Zo’n reis vond Borchardt veel te riskant. In hoeverre Uschi daarbij betrokken was, wordt uit de literatuur niet duidelijk. En zo stapten Herbert en Heinz Kalmann op 26 november 1941 in Hilversum op de trein voor hun eerste etappe, naar Maastricht.

De broers slaagden en een paar maanden later kwamen ook vader en moeder Kalmann naar Zuid-Frankrijk. Herbert schreef brieven naar Hilversum om Georg en Uschi te overreden met kleine Michael ook naar het zuiden te komen. Hij wilde ze zelfs ophalen, schreef hij. Maar antwoord bleef uit.

Station Hilversum, rond 1940
Station Hilversum, hier rond 1940, waar de reis van Heinz en Herbert Kalmann naar Zuid-Frankrijk begon. (Het Utrechts Archief)

In augustus 1942 werd bekend dat Hitler had bevolen alle joden in het onbezette deel van Frankrijk te deporteren. Heinz kreeg een brief met de opdracht zich in een werkkamp te melden. Na ook nog een bezoek van enkele Franse politiemensen was het wel duidelijk: verder vluchten naar het neutrale Zwitserland was de enige optie. De avond na het politiebezoek namen ze de trein naar Chamonix. Uiteindelijk ging het medio 1943 vanaf Argentière te voet over bergpas Col de la Terrasse naar het veilige Zwitserland, waar de Kalmannen tot het einde van de oorlog bleven.

Col de la Terrasse
Bovenop de Col de la Terrasse (CC BY-SA 4.0 – Rémih – wiki)
In Nederland kregen de Borchardts te maken met maatregelen waarvoor de Kalmannen juist waren gevlucht. In januari 1943 kregen Georg, Uschi en Micky van een Duitse officier opdracht Siriusstraat 59 binnen 48 uur te verlaten. Ze moesten naar Amsterdam, waar ze eerst werden ingekwartierd bij joden in de Sarphatistraat, later in de Jekerstraat. Op aandringen van iemand met contacten in het verzet gaf Ushi Micky uit handen om hem te laten onderduiken. Maar drie dagen later werd de kleine teruggebracht. Hij had onophoudelijk gehuild en gekrijst – daarmee de andere kinderen op het onderduikadres in gevaar brengend.

Barakken in kamp Westerbork
Barakken in kamp Westerbork. De foto is rond 1943 gemaakt. (Beeldbankwo2.nl/collectie NIOD)
Zondag 20 juni 1943 werden Georg, Uschi en Micky naar Westerbork afgevoerd. In Palestina was dat voor een aantal schrijvers aanleiding in actie te komen om collega Georg Hermann te behoeden voor verder transport naar het oosten. Onder meer de Joodse Agentschappen in Jeruzalem en Genève hielden zich ermee bezig. Het resultaat was dat Uschi eind 1943 via het Rode Kruis twee documenten kreeg, het ene voor Georg, het andere voor haar en Micky: ze mochten naar Palestina komen.

Voor Georg kwam het te laat. In november was de Borchardts opgedragen zich klaar te maken voor verder transport. Maar op het laatst werd Micky untransportfähig verklaard. Al een poosje werd hij in het kampziekenhuisje in isolatie gehouden, al is onduidelijk wat hij had. Hoe dan ook, Micky hoefde (nog) niet naar het oosten. En omdat hij nog geen drie jaar was, mocht moeder Uschi in Westerbork bij hem blijven.

Auschwitz 1945. Bron: Bundesarchiv, Bild 175-04413
Toegang voor treinen tot vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau in januari 1945. Bron: Bundesarchiv, Bild 175-04413

Voor Georg was er echter geen ontkomen aan. Op 16 november vertrok uit Westerbork een trein waarmee hij naar vernietigingskamp Auschwitz werd gedeporteerd. Uschi kreeg van het Rode Kruis bericht dat haar vader on arrival (bij aankomst) in Auschwitz was overleden. Dat duidt erop dat hij, met zijn slechte gezondheid, al in de trein is gestorven. Als overlijdensdatum noteerde het Rode Kruis echter: 19 november 1943. En Hermann-biograaf C.G. van Liere ontleende in 1974 aan de administratie van Auschwitz-Birkenau dat daar op 17 november een trein met 995 joden uit Westerbork aankwam. Na selectie werden 275 mannen en 189 vrouwen in het kamp opgesloten, de anderen vergast. Gezien zijn leeftijd (72) en slechte gezondheid zal Borchardt niet zijn geselecteerd voor werk en opsluiting in het kamp. In dat geval lijkt het, in combinatie met genoemde overlijdensdatum, waarschijnlijker dat hij is vergast. Daar staat weer tegenover dat de gegevens uit de kampadministratie niet per definitie uitsluiten dat een van de gedeporteerden bij aankomst al was overleden. Al met al is onduidelijk hoe Borchardt aan zijn einde is gekomen.

Uitwisselingsprogramma

Uschi en Micky verging het anders. Het document dat ze eind 1943 kregen, betekende dat ze welkom waren in Palestina. Maar hoe het kwam dat ze vervolgens deel gingen uitmaken een uitwisselingsprogramma is een onbeantwoorde vraag. Het betrof de ruil van Europese joden tegen Duitsers in het destijds onder Brits bestuur staande Palestina.

Inscriptie in een woning in een Templer-kolonie bij Haifa
Inscriptie in een woning in een Templer-kolonie bij Haifa: ‘Tot hier toe heeft de Heer geholpen’.

Voor de achtergrond moeten we even terug naar het midden van de negentiende eeuw. In het toenmalige Duitse koninkrijk Württemberg scheidde zich een sekte die zich de Templer noemde af van de lutherse kerk. De Templer vestigden zich vanaf 1869 als kolonisten bij Haifa, in Palestina. Als Duitsers waren de tot ruim tweeduizend leden uitgegroeide Templer in de Tweede Wereldoorlog officieel staatsvijanden van het Britse bestuur. Ze werden geïnterneerd. Met het Hitler-bewind kwam het tot de afspraak een aantal joden te ruilen tegen Templer.

Gevangenen in Bergen-Belsen in april 1945, bij de bevrijding van het kamp.
Gevangenen in Bergen-Belsen in april 1945, bij de bevrijding van het kamp. (Beeldbankwo2.nl/collectie NIOD)
In 1941 vond een eerste uitwisseling plaats, in 1944 zou een tweede volgen. Met het oog daarop werden Uschi en Micky op 1 februari van Westerbork naar kamp Bergen-Belsen gebracht. Daar bleven ze tot 30 juni, waarna de joodse uitwisselingsgroep naar Istanbul (Turkije) werd gebracht. Daar vond op 6 juli 1944 de uitwisseling plaats, met schepen op de Bosporus: 112 Templer tegen 283 joden. Vier dagen later arriveerden Uschi en Micky veilig in Palestina.

Michael (Micky) groeide op in Israël, trouwde er en kreeg kinderen. Pas in de jaren zestig ontmoette hij zijn vader, Herbert, weer. Uschi, die zich inmiddels Shulamit noemde, hertrouwde in Israël. Ze kreeg een zoon die in de Yom Kippur-oorlog (1973) sneuvelde. Shulamit/Uschi overleed in 2012, tweeënnegentig jaar oud.

Martha Heynemann bleef in Engeland, haar en Georgs dochters Eva en Liese eveneens. Martha overleed er in 1955, Liese in 1987 en Eva in 1994.

Adolf, Lina en zoon Herbert Kalmann terug in Nederland., voorjaar 1946 aan de Torenlaan in Laren.
Adolf, Lina en zoon Herbert Kalmann terug in Nederland., voorjaar 1946 aan de Torenlaan in Laren. (Collectie Menno Kalmann)
Herbert Kalmann ontmoette in Zwitserland Agnes Matter. Ze verhuisden naar Nederland, trouwden in 1948 en kregen vier kinderen, onder wie Menno, schrijver van de familiegeschiedenis. Herbert overleed in 1992 als eenenzeventigjarige in Laren.

Ook Adolf en Lina Kalmann en oudste zoon Heinz keerden na de oorlog terug naar Nederland. Adolf ging weer aan de slag met zijn bedrijf, Bara, dat hij in de oorlog had verkocht met het recht op terugkoop na uiterlijk vijf jaar. Bara werd in 1952 verplaatst van Amsterdam naar Spakenburg. In de jaren vijftig nam Herbert de bedrijfsleiding van Adolf over, waarna in 1983 de derde generatie aantrad in de persoon van Herberts zoon Menno. Waren er ooit in Weissenfels en Bad Dürrenberg drieëntwintig werknemers, in Spakenburg groeide het personeelsbestand naar tweehonderdvijftig. In 1988 nam branchegenoot Helsa-Werke uit het Duitse Bayreuth Bara over. Wegens zakelijk meningsverschil schoof Helsa-Werke Menno Kalmann in 1990 terzijde. Onder de Duitse eigenaar ging het bedrijf vervolgens ten onder. In mei 2005 werd het uitgeschreven uit het handelsregister.

Bronnen

– Archief Gooi en Vechtstreek
– Kees Bestebreurtje: Vier huizen, vier verhalen. Over joodse bewoners uit de Siriusstraat in Hilversum (Hilversum 2018).
– John Craig-Sharples: Georg Hermann: a Life (ongepubliceerde biografie, 2016)
– De traditie van het geploeter, Het familiebedrijf 1. In: NRC Handelsblad 17 juli 1985.
– Kamer van Koophandel.
– Menno Kalmann: Der Tausch. Geschichte einer jüdischen Familie (Coesfeld 2023). In het Nederlands beschikbaar als luisterboek ‘De ruil’, voorgelezen door Co de Kloet.
– Noord-Hollands Archief.
– Stadsarchief Amsterdam.
×