Twee Duits-joodse gezinnen, onder wie een beroemde schrijver, hoopten in Nederland veilig te zijn voor Hitlers nazibewind. Ze belandden allebei in Hilversum én ze raakten met elkaar verbonden. Maar ook in Nederland bleken ze niet veilig.
Historische literatuur over de gezinnen Borchardt en Kalmann kan verwarrend zijn door alle namen en bijnamen. Daarom allereerst een kort overzicht van de personen over wie dit verhaal gaat, zodat de lezer er desgewenst op kan teruggrijpen.
Ondernemer Adolf Kalmann (1889) trouwde met Lina Gerson (1889). Ze kregen vijf kinderen, maar Anna (1914) leefde slechts een week, Herta (1915) een half jaar, terwijl Lina in 1919 een levenloos en daardoor naamloos zoontje baarde. Resteerden twee gezonde zoons, Heinz (1913) en Herbert Joachim (1921). Herbert trouwde met Ursula (Uschi) Borchardt, met wie hij zoon Hendrik Peter Michael (Micky) kreeg, maar in de oorlog scheidden ze. Na de oorlog hertrouwde Herbert met de Zwitserse Agnes Matter. Ze kregen vier kinderen.
De joodse families Borchardt en Kalmann hadden het aanvankelijk goed. Voor de Borchardts ging het echter mis vanaf 1873. De familie Kalmann deed het economisch goed tot begin jaren dertig van de twintigste eeuw. Voor beide gezinnen pakten zich donderwolken samen met het om zich heen grijpende nazisme, waarvoor ze als joodse Duitsers op zijn zachtst gezegd op hun hoede moesten zijn. Alvorens hun emigrantenbestaan te belichten eerst een schets van de vooroorlogse wederwaardigheden van de Borchardts en de Kalmannen.
Vooroorlogse jaren
Het gezin Borchardt

Schrijven deed Georg Borchardt al vanaf zijn veertiende. Maar als volwassene verdiende hij zijn brood eerst bij een stropdassenfabriek. Wel verrichtte hij daarnaast zo nu en dan journalistiek werk. Aanvankelijk deed hij dat onder zijn eigen naam, maar vanaf 1897 onder het pseudoniem waarvoor hij zijn vaders voornaam gebruikte: Georg Hermann.
Zijn eerste boek was Spielkinder, dat in 1897 ook als feuilleton verscheen in het sociaaldemocratische blad Neue Welt. Rond die tijd kreeg hij een relatie met Martha Heynemann. Ook zij was in Berlijn geboren. Haar vader, Robert, was een succesvol zakenman, maar overleed al jong. Moeder Elise zorgde ervoor dat haar twee dochters een goedburgerlijke opvoeding kregen. Zo sprak Martha goed Frans en speelde ze goed piano.
Georg en Martha trouwden op 28 maart 1901 en gingen wonen in de Berlijnse wijk Friedenau. Hun eerste kind, Ilse, werd geboren in februari 1902, maar overleed in januari 1903 aan difterie. Er volgden nog drie dochters: Eva (september 1903), Hilde (augustus 1904) en Elise (mei 1906). Enkele dagen na Elises geboorte verscheen Borchardts tweede roman: Jettchen Gebert, waarin het joodse middenklasse-milieu wordt geschilderd in het Berlijn van de jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw. Twee jaar later kwam het vervolg, Henriette Jacoby.

Begin 1915 verhuisden ze naar Neckargemünd bij Heidelberg (zuidwest-Duitsland), mogelijk aangetrokken door de groene omgeving en wellicht ook omdat het daar gezonder was voor de wat ziekelijke dochter Liese. Niettemin spendeerde Georg ook toen de meeste tijd in Berlijn. Voor militaire dienst – de Eerste Wereldoorlog was gaande – werd hij afgekeurd, mogelijk wegens diabetes, waarmee hij ook later in Hilversum kampte.
Georg heeft eens opgemerkt dat hij het monogame huwelijk een uitdaging vond. In 1917 begon hij een buitenechtelijke relatie met Lotte Samter, redactrice bij uitgeverij Ulstein. Toen Lotte in 1918 zwanger bleek, was er geen ontkennen meer aan. Georg en Martha scheidden, Georg hertrouwde met Lotte en in juli 1919 werd dochter Ursula (Uschi) geboren in München. Lotte was toen tweeëntwintig jaar, Georg zevenenveertig.
In oktober leverde Borchardt aan het Algemeen Handelsblad de eerste van zijn wekelijkse columns Brieven over Duitsche literatuur. Aantrekkelijk was dat de krant betaalde in guldens, die waardevoller waren dan de aan oplopende inflatie onderhevige Duitse mark. Die column schreef hij viereneenhalf jaar lang, 221 afleveringen.
Kort daarna trof een drama het kleine (tweede) gezin Borchardt. Lotte overleed in februari 1926. Ze was negenentwintig jaar en dochter Uschi, die haar moeder levenloos in bed vond, pas zes. In de literatuur worden twee doodsoorzaken genoemd. In zijn Borchardt-biografie rept John Craig-Sharples over een nierziekte. In het boek Der Tausch meldt Menno Kalmann dat een leververgiftiging officieel de doodsoorzaak was, maar dat Lotte in werkelijkheid zelf gif had ingenomen dat boeren gebruikten tegen ratten, muizen en mollen. De achtergrond van de zelfmoord is overigens niet duidelijk.


Kort na de Rijksdagbrand (27 februari 1932) meldden zich NSDAP-functionarissen bij Georgs appartement. Hij was niet thuis, want op vriendenbezoek in Hildesheim (ten zuiden van Hannover). Toen Georg erover hoorde, besloot hij uit te wijken naar Nederland, waar hij bevriend was met uitgever Emanuel Querido. Dochters Liese en Uschi begrepen er niets van waarom hun vader niet thuiskwam. Liese opperde Querido eens te bellen en die zei: “Ja, jullie vader is hier”. Niet veel later kwamen ook Martha, Liese en Uschi naar Nederland. Hun emigrantenbestaan was begonnen.

Het gezin Kalmann
Dan het gezin Kalmann. Adolf Kalmann en Lina Gerson werden beiden in 1889 in Leipzig geboren. Ze vestigden zich na hun trouwen vijftig kilometer verderop, in het stadje Weissenfels. Daar exploiteerden ze Kaufhaus Kalmann, een klein warenhuis voor nette dames- en herenkleding en schoenen plus een assortiment etens- en genotwaren als chocola, tabaksproducten, bonen, noten en conserven in blik.
Het gezin Kalmann was joods, maar niet religieus. In Der Tausch vertelt kleinzoon Menno een fraaie anekdote. Lina had met huishoudhulp Lieschen onenigheid gehad over hoe het vleesgerecht Sauerbraten precies moet worden bereid. De volgende ochtend merkte Lieschen op: “Maar joden mogen toch helemaal geen varkensvlees eten?” Voor Lina was dat aanleiding eens haarfijn uit te leggen hoe dat zat. ,,Onzin, dat heeft met mogen niets te maken, maar met een onzinnig voorschrift dat God Mozes heeft gedicteerd, maar dat we hier in huize Kalmann niet volgen.” En:
Er zijn joden die aan die onzin meedoen en er zijn joden zoals wij die gewoon Duits zijn.

Om elke twijfel bij Lieschen weg te nemen meldde Lina ook nog: “En als hier iemand dicteert wat mag en wat niet mag, dan ben ik dat’’.
Op zeker moment verhuisde het gezin Kalmann naar het zestien kilometer verderop gelegen Bad Dürrenberg, een dorp, geen stadje zoals Weissenfels. Daar stond tegenover dat het een bekend kuuroord was en nazisme en antisemitisme er veel minder voet aan de grond hadden gekregen dan in Weissenfels.
In Bad Dürrenberg openden Adolf en Lina een filiaal van Kaufhaus Kalmann. Volgens kleinzoon Menno gebeurde dat niet omdat ze van de zaak in Weissenfels niet konden rondkomen, maar omdat ze wilden sparen voor het geval dat geld eens nodig mocht zijn. Hoewel er nog geen plan was, hielden ze er dus al rekening mee ooit hun koffers te moeten pakken. In deze periode bedacht Adolf Kalmann trouwens een industriële manier om schoudervullingen voor kleding te maken. Later, in Nederland, bouwde hij daarop verder.
In 1933 werd het antisemitisme steeds erger. Herbert moest naar een speciale joodse school. Op drie van de vijf etalageruiten van Kaufhaus Kalmann in Weissenfels werd gekalkt: ‘Deutsche! Wehrt Euch! Kauft nicht bei Juden!’ (Duitsers! Verzet jullie! Koopt niet bij joden!) Op de andere twee etalageruiten werden davidssterren geschilderd. En er kwam een functionaris langs van Hitlers partijknokploeg SA. Kalmann moest een schildje kopen en op de gevel aanbrengen dat duidelijk maakte dat het een winkel van een joodse ondernemer betrof.
Adolf en Lina besloten Duitsland te verlaten. Ze verkochten hun onderneming voor een bedrag ver onder de waarde die deze een jaar eerder nog had. Op kerstavond 1933 namen ze afscheid van het personeel en op 2 januari 1934 lieten ze hun geboorteland achter zich. Daarmee had ook hun emigrantenbestaan een aanvang genomen.
Emigranten
Het gezin Borchardt
In Nederlands wendde Georg Borchardt zich als eerste tot zijn vriend en uitgever Emanuel Querido. Met zijn vrouw Jane had deze in 1929 Amsterdam verlaten en zich in het groene Gooi gevestigd, Neuhuijsweg 10 in Laren. Borchardt kon er meteen intrekken. Krap twee maanden later betrok hij, samen met Martha, Liese en Uschi, die hem waren nagereisd, de woning Lantentijmen 12 in Laren.

In oktober 1934 verhuisde Borchardt met dochters Liese en Ursula naar Siriusstraat 59 in Hilversum. Martha was al eerder ergens anders gaan wonen, maar de archieven vertellen niet waar. Later voegde Liese zich bij haar. In een brief aan Hilde in Denemarken toonde Borchardt zich tevreden met de nieuwe woning: vijf kamers voor 40 gulden huur per maand. De melding in de Borchardt-literatuur dat het een bovenwoning betrof, kan onmogelijk kloppen. De woningen waren het jaar daarvoor gebouwd met vier slaapkamers op de eerste verdieping, waarvan er op nummer 59 inmiddels één was omgebouwd tot badkamer. Daar resteerden dus drie kamers, plus de voor- en achterkamer op de begane grond maakt dat vijf kamers – precies het aantal dat Borchardt noemde.

Ik ben de Hollanders flink zat, immigrant zijn betekent ongeveer hetzelfde als zakkenroller of inbreker zijn.

En dan, mopperde Borchardt, die Hollandse regen! In Berlijn kwam regen van boven, maar in Nederland kon hij van alle kanten komen, dus had je volgens hem weinig aan een paraplu. In 1935 schreef hij een somber essay. Hij stelde: “Echt, ik ben geboren in een gestoorde wereld en toch is de wereld die ik verlaat tien keer zo gek en misleid’’. Bewapening krijgt steeds voorrang boven verbetering van de levensomstandigheden van staatsburgers, verzuchtte Borchardt. En: zolang ‘de amokmaker onder de Europese staten’ (Duitsland, red.) niet onmachtig wordt gemaakt, zal er oorlogsdreiging zijn. Over Europa noteerde hij:
Ik droom van een federatie die is opgedeeld in veel autonome eenheden waar iedereen gelijke rechten heeft en gelijke kansen bij alle grote en kleine dingen des levens. Een genormeerde staat die het niet is toegestaan te doen wat het individu niet mag doen: moord, afpersing (…) en liegen en bedriegen.
In een joodse staat, die de zionisten nastreefden, zag Borchardt niets. Die zou dezelfde gebreken hebben als elke andere staat, meende hij.

Materieel ging het hem niet best. In de eerste helft van 1936 verdiende hij slechts zes gulden, schreef hij Hilde. Geregeld moest hij voor steun aankloppen bij het joodse vluchtelingencomité in Amsterdam. Gelukkig kwam in 1937 geld van De Arbeiderspers voor een pocketeditie van succesromans Jettchen Gebert en Henriette Jacoby. Borchardts gezondheid werd er inmiddels niet beter op. Zijn diabetes verergerde, hij had een hartvergroting en een lelijk hoge bloeddruk.
In mei 1938 verlieten Borchardts dochter Eva, haar man Ipi en hun twee kinderen eindelijk Berlijn. In Hilversum trokken ze in bij Borchardt, begin 1939 reisden ze door naar Engeland.
En toen begon op 10 mei 1940 de Duitse bezetting van Nederland. Martha en Liese wisten nog net vanuit IJmuiden per schip Engeland te bereiken. Waarom Georg en Ushi niet diezelfde route namen, maar in Hilversum bleven, is onbekend.

Het gezin Kalmann
Hoe was het intussen met het gezin Kalmann gegaan sinds het Duitsland had verlaten? Ze vestigden zich in Amsterdam op een onbekend adres in West en vader Adolf ging weer ondernemen. Vanuit een winkeltje aan de Postjesweg verkocht hij onder meer kussens en theemutsen, die thuiswerksters voor hem maakten. Het lukte hem zelfs leverancier van De Bijenkorf te worden. Ook ging hij weer kleding verkopen. In 1937 bracht hij de activiteiten onder in een onderneming: Bara. Waar die naam vandaan kwam, is niet overgeleverd.
Ze verhuisden naar Keizersgracht 108-hs, dat eerst alleen als woning diende, maar waarin vervolgens ook het bedrijf werd ondergebracht. Omdat dat steeds meer ruimte vergde, verhuisde het gezin in juli 1938 naar Hilversum. Aan de Diependaalselaan 272 (nu 270) betrokken ze een woning met (toen nog) uitzicht op de hei.

Zoon Herbert leerde in Hilversum Uschi Borchardt kennen. Op 18 september 1940 trouwden ze. Dat gebeurde uiteraard in het Hilversumse raadhuis, maar ook nog bij Herbert thuis onder leiding van een rabbijn. Herbert was toen negentien jaar, Uschi eenentwintig. Door het huwelijk werden de emigrantengezinnen Borchardt en Kalmann officieel met elkaar verbonden. Op 13 maart 1941 beviel Uschi van een zoon: Hendrik Peter Michael (roepnaam Micky). Met de kleine trok het jonge stel in bij Adolf en Lina aan de Diependaalselaan. Heel lang duurde dat niet, want tussen Uschi en haar schoonmoeder boterde het allerminst. Voor Uschi was het aanleiding met Micky weer bij haar vader te gaan wonen.
Een paar weken voor Micky’s geboorte vond op 22 en 23 februari 1941 in Amsterdam de eerste razzia plaats, waarbij 427 joodse mannen werden opgepakt. En precies op Micky’s geboortedag werden op de Waalsdorpervlakte bij Den Haag achttien leden van de verzetsgroep de Geuzen gefusilleerd, onder wie oprichter Bernard IJzerdraat.

De familie Kalmann besefte dat na hun vlucht uit Duitsland nu hun emigrantenbestaan in Nederland op instorten stond. Besloten werd dat zoons Heinz en Herbert een route door Nederland, België en bezet Frankrijk naar het onbezette Zuid-Frankrijk zouden beproeven. De anderen zouden hen nareizen. Herbert wilde de kleine Micky meteen meenemen. Hij en Uschi stevenden dan wel af op hun echtscheiding (uitgesproken in 1942) na vooral veel onmin tussen Uschi en haar schoonmoeder. Het leek Herbert belangrijk de baby snel in veiligheid te brengen. Maar bij Georg Borchardt stuitte hij op een onwrikbare weigering. Zo’n reis vond Borchardt veel te riskant. In hoeverre Uschi daarbij betrokken was, wordt uit de literatuur niet duidelijk. En zo stapten Herbert en Heinz Kalmann op 26 november 1941 in Hilversum op de trein voor hun eerste etappe, naar Maastricht.
De broers slaagden en een paar maanden later kwamen ook vader en moeder Kalmann naar Zuid-Frankrijk. Herbert schreef brieven naar Hilversum om Georg en Uschi te overreden met kleine Michael ook naar het zuiden te komen. Hij wilde ze zelfs ophalen, schreef hij. Maar antwoord bleef uit.

In augustus 1942 werd bekend dat Hitler had bevolen alle joden in het onbezette deel van Frankrijk te deporteren. Heinz kreeg een brief met de opdracht zich in een werkkamp te melden. Na ook nog een bezoek van enkele Franse politiemensen was het wel duidelijk: verder vluchten naar het neutrale Zwitserland was de enige optie. De avond na het politiebezoek namen ze de trein naar Chamonix. Uiteindelijk ging het medio 1943 vanaf Argentière te voet over bergpas Col de la Terrasse naar het veilige Zwitserland, waar de Kalmannen tot het einde van de oorlog bleven.


Voor Georg kwam het te laat. In november was de Borchardts opgedragen zich klaar te maken voor verder transport. Maar op het laatst werd Micky untransportfähig verklaard. Al een poosje werd hij in het kampziekenhuisje in isolatie gehouden, al is onduidelijk wat hij had. Hoe dan ook, Micky hoefde (nog) niet naar het oosten. En omdat hij nog geen drie jaar was, mocht moeder Uschi in Westerbork bij hem blijven.

Voor Georg was er echter geen ontkomen aan. Op 16 november vertrok uit Westerbork een trein waarmee hij naar vernietigingskamp Auschwitz werd gedeporteerd. Uschi kreeg van het Rode Kruis bericht dat haar vader on arrival (bij aankomst) in Auschwitz was overleden. Dat duidt erop dat hij, met zijn slechte gezondheid, al in de trein is gestorven. Als overlijdensdatum noteerde het Rode Kruis echter: 19 november 1943. En Hermann-biograaf C.G. van Liere ontleende in 1974 aan de administratie van Auschwitz-Birkenau dat daar op 17 november een trein met 995 joden uit Westerbork aankwam. Na selectie werden 275 mannen en 189 vrouwen in het kamp opgesloten, de anderen vergast. Gezien zijn leeftijd (72) en slechte gezondheid zal Borchardt niet zijn geselecteerd voor werk en opsluiting in het kamp. In dat geval lijkt het, in combinatie met genoemde overlijdensdatum, waarschijnlijker dat hij is vergast. Daar staat weer tegenover dat de gegevens uit de kampadministratie niet per definitie uitsluiten dat een van de gedeporteerden bij aankomst al was overleden. Al met al is onduidelijk hoe Borchardt aan zijn einde is gekomen.
Uitwisselingsprogramma
Uschi en Micky verging het anders. Het document dat ze eind 1943 kregen, betekende dat ze welkom waren in Palestina. Maar hoe het kwam dat ze vervolgens deel gingen uitmaken een uitwisselingsprogramma is een onbeantwoorde vraag. Het betrof de ruil van Europese joden tegen Duitsers in het destijds onder Brits bestuur staande Palestina.

Voor de achtergrond moeten we even terug naar het midden van de negentiende eeuw. In het toenmalige Duitse koninkrijk Württemberg scheidde zich een sekte die zich de Templer noemde af van de lutherse kerk. De Templer vestigden zich vanaf 1869 als kolonisten bij Haifa, in Palestina. Als Duitsers waren de tot ruim tweeduizend leden uitgegroeide Templer in de Tweede Wereldoorlog officieel staatsvijanden van het Britse bestuur. Ze werden geïnterneerd. Met het Hitler-bewind kwam het tot de afspraak een aantal joden te ruilen tegen Templer.

Michael (Micky) groeide op in Israël, trouwde er en kreeg kinderen. Pas in de jaren zestig ontmoette hij zijn vader, Herbert, weer. Uschi, die zich inmiddels Shulamit noemde, hertrouwde in Israël. Ze kreeg een zoon die in de Yom Kippur-oorlog (1973) sneuvelde. Shulamit/Uschi overleed in 2012, tweeënnegentig jaar oud.
Martha Heynemann bleef in Engeland, haar en Georgs dochters Eva en Liese eveneens. Martha overleed er in 1955, Liese in 1987 en Eva in 1994.

Ook Adolf en Lina Kalmann en oudste zoon Heinz keerden na de oorlog terug naar Nederland. Adolf ging weer aan de slag met zijn bedrijf, Bara, dat hij in de oorlog had verkocht met het recht op terugkoop na uiterlijk vijf jaar. Bara werd in 1952 verplaatst van Amsterdam naar Spakenburg. In de jaren vijftig nam Herbert de bedrijfsleiding van Adolf over, waarna in 1983 de derde generatie aantrad in de persoon van Herberts zoon Menno. Waren er ooit in Weissenfels en Bad Dürrenberg drieëntwintig werknemers, in Spakenburg groeide het personeelsbestand naar tweehonderdvijftig. In 1988 nam branchegenoot Helsa-Werke uit het Duitse Bayreuth Bara over. Wegens zakelijk meningsverschil schoof Helsa-Werke Menno Kalmann in 1990 terzijde. Onder de Duitse eigenaar ging het bedrijf vervolgens ten onder. In mei 2005 werd het uitgeschreven uit het handelsregister.
– Kees Bestebreurtje: Vier huizen, vier verhalen. Over joodse bewoners uit de Siriusstraat in Hilversum (Hilversum 2018).
– John Craig-Sharples: Georg Hermann: a Life (ongepubliceerde biografie, 2016)
– De traditie van het geploeter, Het familiebedrijf 1. In: NRC Handelsblad 17 juli 1985.
– Kamer van Koophandel.
– Menno Kalmann: Der Tausch. Geschichte einer jüdischen Familie (Coesfeld 2023). In het Nederlands beschikbaar als luisterboek ‘De ruil’, voorgelezen door Co de Kloet.
– Noord-Hollands Archief.
– Stadsarchief Amsterdam.

Wanhoopsbrieven van Joodse vluchtelingen: ‘Red ons, red ons’
Ontheemden en vluchtelingen in na-oorlogs Europa (1945)
Een vergeten geschiedenis: de Caraïben als toevluchtsoord tijdens WOII
Constantin Karadja – De Roemeen die 51.000 Joden redde
Boek over Joodse jongen die 22.000 kilometer aflegde om te overleven