Weerspreuken voor de maand januari

2 minuten leestijd
Januari staat van oudsher bekend als de ijsmaand
Januari staat van oudsher bekend als de ijsmaand (CC0 - Pixabay - _Alicja_)

Over het weer raakt de mens niet uitgesproken. Niet zo verwonderlijk dus dat onze taal veel spreuken en uitdrukkingen met verwijzingen naar het weer bevat. Hieronder een beknopt lijstje met enkele oude weerspreuken voor de maand januari, ook wel de ijsmaand, louwmaand of wolfsmaand genoemd.

     

  • Als de muggen in januari dansen, wordt de boer een bedelaar. (Als het erg warm is in januari heeft dat volgens deze spreuk een nadelig effect op de oogst)
  • In januari ziet de boer liever een wolf in het veld, dan een ploeg.
  • Draagt Nieuwjaarsmaand een sneeuw-wit kleed, dan is de zomer zeker heet.
  • Brengt januari ons strenge vorst, dan lijden we ’s zomers geen honger of dorst.
  • Heeft januari koude en droge dagen, dan zal in februari de sneeuw u plagen.
  • Als ’t in ​louwmaand mistig is, wordt de lentemaand heel fris.
  • Geeft januari een sneeuwtapijt, dan zijn we gauw de winter kwijt.
  • Als in januari de vorst niet komen wil, verschijnt zij stellig in april.
  • Januari zonder sneeuw maar met veel regen, brengt de boer geen zegen.
  • Sneeuw met donder in januaar, voelt men gans het jaar.
  • In januari veel regen, brengt de vruchten weinig zegen.
  • Als de dagen lengen, begint de winter te strengen.
  • Januari warm, dat God zich erbarm!
  • Is’t in januari nat, ledig blijven schuur en vat.
  • Als in januari de muggen zwermen, dan kun je in maart de oren wermen.
  • In januari veel regen en weinig sneeuw, doet bergen, dalen en bomen wee.
  • Knapt januari niet van kou, dan zit men ’s zomers in de rouw.
  • Een hommel in januaar, brengt een goed wijnjaar.
  • Met Nieuwjaar lengt de dag, zoveel een haantje kraaien mag.
  • Als de R is in de maand, is het weer niet altijd meegaand.

De maand januari is, net als de maand februari, relatief ‘nieuw’. Onze huidige maandnamen hebben allemaal een Latijnse oorsprong. De oude Romeinen kenden aanvankelijk een jaar met tien maanden. Het jaar eindigde in december (van het Latijnse woord decem, ’tien’). Na deze laatste maand begon een naamloze winterperiode. Het nieuwe jaar begon vervolgens in maart, vernoemd naar de Romeinse god van de oorlog: Mars. De naam januari (Mensis Ianuarius) is afgeleid van de Romeinse god Janus, die werd beschouwd als de personificatie van het begin en het einde en vaak werd afgebeeld met twee gezichten, een gericht op de toekomst en een op het verleden.

Louwmaand

De oudnederlandse bijnaam louwmaand, die tegenwoordig minder vaak wordt gebruikt, is afgeleid van looimaand en verwijst naar het oude gebruik om in de eerste maand van het jaar leer te looien. Hierbij werden dierlijke huiden bewerkt om ze te conserveren en geschikt te maken voor langdurig gebruik.

De sterrenbeelden van de maand zijn Steenbok (22 december – 19 januari) en Waterman (20 januari – 18 februari).

×