300 jaar graaf de Ferraris: de man die België in kaart bracht

9 minuten leestijd
Detail van de Ferrariskaart
Detail van de Ferrariskaart met de dorpen Soumagne en Forêt, ten oosten van Luik.

Dit jaar is het precies 300 jaar geleden dat Joseph François de Ferraris werd geboren. In België gaat die verjaardag niet onopgemerkt voorbij. Het was namelijk graaf de Ferraris die als eerste de toenmalige Oostenrijkse Nederlanden in kaart bracht. Zijn Carte de Cabinet des Pays-Bas Autrichiens geldt nog steeds als een hoogtepunt van de achttiende-eeuwse cartografie. Volgend jaar, in 2027, is het bovendien 250 jaar geleden dat hij dat huzarenstuk voltooide. En om het feestje compleet te maken, bestaat het Nationaal Geografisch Instituut (NGI) dit jaar precies vijftig jaar.

Drie verjaardagen in één: 300 jaar graaf de Ferraris, 250 jaar Ferraris-atlas en 50 jaar NGI. Voor de Belgische cartografie is 2026 dus een waar jubileumjaar — gevierd met niet één, maar twee bijzondere uitgaven: een herdruk van de beroemde Ferraris-atlas én een gloednieuwe wandelgids met 20 Ferraris-wandelingen op het ritme van de achttiende eeuw.

Een revolutionaire kaart

Grote Atlas van Ferraris
Cover van de herziene herdruk van de De Grote Atlas van Ferraris, die in augustus 2026 verschijnt
Een van de hoogtepunten van het jubileumjaar wordt de herdruk van de Grote Atlas van Ferraris. De eerste druk uit 2009 werd een bestseller. De indrukwekkende facsimile-uitgave bundelde een trouwe kopie van de 275 handgetekende en ingekleurde kaartbladen uit 1777, gebaseerd op de originele kabinetskaart van 40 op 50 centimeter en bijna 12 kilo zwaar.

Voor de nieuwe, herziene editie slaan uitgeverij Lannoo, de Koninklijke Bibliotheek van België en het NGI opnieuw de handen in elkaar, met nieuwe scans van de originele kaartbladen op een schaal van 1:24.000. De lancering staat gepland voor augustus, en het wordt opnieuw een prestigieus boekwerk – door de uitgever omschreven als “de Google Maps van de 18de eeuw”.

In 1777 overhandigde graaf de Ferraris zijn Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden aan keizer Jozef II: een pakket van 275 handgetekende en ingekleurde kaarten. Nooit eerder was een West-Europees land zo gedetailleerd en precies in kaart gebracht. De Kabinetskaart toonde het landschap van de Oostenrijkse Nederlanden en het Prinsbisdom Luik – een gebied dat grotendeels overeenkomt met het huidige België. Met symbolen, kleuren en uiterst nauwkeurige topografische aanduidingen gaven de kaarten een verbluffend gedetailleerd beeld van hoe het landschap er in de achttiende eeuw uitzag.

Wie was graaf de Ferraris?

Maar wie was de man achter dit monumentale werk? Wie zich een beeld wil vormen van graaf de Ferraris, kan terecht bij historica Karen De Coene. Zij schreef enkele jaren geleden Carte blanche, een biografie gebaseerd op de briefwisseling tussen de graaf en zijn vrouw. Die brieven bieden een fascinerende inkijk in het leven van de man die België in kaart bracht.

Joseph Jean François graaf de Ferraris
Joseph Jean François graaf de Ferraris
Joseph Jean François de Ferraris (1726-1814) werd geboren in Lotharingen en bouwde een militaire carrière uit in dienst van de Oostenrijkse keizer. De achttiende eeuw was een bewogen tijd in een Europa vol omwentelingen – en dat gold zeker voor de Zuidelijke Nederlanden, die tussen 1715 en 1795 onder bestuur stonden van de Oostenrijkse tak van de Habsburgers. Ferraris trok ’s zomers van het ene slagveld naar het andere en zocht in de winter het hofleven in Wenen op. In 1744 werd hij als artillerieofficier naar de Zuidelijke Nederlanden gestuurd om deel te nemen aan de militaire campagnes tegen de Fransen. De jaren daarna bekleedde hij verschillende militaire en bestuurlijke functies. Vanaf 1761 was hij majoor-generaal in het leger van Karel van Lotharingen, gouverneur van de Oostenrijkse Nederlanden. Tijdens zijn verblijf in Brussel ontmoette hij zijn vrouw, Henriette d’Ursel, telg van een adellijke Antwerpse familie. Zo deed hij ook zijn intrede in de achttiende eeuwse ‘beau monde’ en ging hij aan het hof van de gouverneur een niet onbelangrijke rol spelen.

In 1767 werd hij benoemd tot directeur-generaal van de artillerie in de Oostenrijkse Nederlanden. In die functie was hij nauw betrokken bij de uitbouw van de militaire infrastructuur in garnizoensstad Mechelen, waar keizerin Maria Theresia een militaire academie en legerkazerne liet bouwen. Daar ontmoette Ferraris de begaafde ingenieur-cartograaf Leopold François Cogeur, die er doceerde. Cogeur bleek de ideale partner voor het grote project dat Ferraris voor ogen had: de Oostenrijkse Nederlanden in kaart brengen. Zelf had Ferraris namelijk niet de wetenschappelijke kennis om dat plan uit te voeren. Voor het praktische werk deed hij een beroep op Cogeur en zijn studenten van de militaire academie in Mechelen. Ferraris trad vooral op als de hooggeplaatste opdrachtgever en organisator.

De kaart moest een minutieuze weergave worden van het landschap: de precieze ligging van dorpen, steden en gemeenten, elke straat, elke verharde of onverharde weg, elk plein, bos, kasteel, rivier of beek. Elk natuurlijk en door mensen aangelegd element zou een plaats krijgen op de kaart. Voor deze ambitieuze landopmeting kon Ferraris rekenen op 69 artilleristen die tijdens hun opleiding in Mechelen een grondige kennis van cartografie hadden opgebouwd. Samen met 30 arbeiders en 6 tekenaars – in totaal 105 mensen – trok het team drie jaar lang, van 1770 tot eind 1774, door de Zuidelijke Nederlanden om het land op te meten.

Niet alleen wetenschap, ook handel

Ferraris was zelf geen geograaf, en zijn wetenschappelijke verdienste was eerder beperkt. Hij zag zijn kaart wel als een nuttig instrument voor militairen bij de verdediging van het grondgebied, maar zijn interesse in cartografie kwam niet alleen uit militaire overwegingen. Ferraris was ook een gewiekste ondernemer, die zich het werk van vele anderen toe-eigende. Voor hem was het project zowel een manier om in de gunst te komen bij het Oostenrijkse keizerlijke hof, als een commerciële kans.

Daarom koos hij voor twee sporen. Enerzijds was er de kabinetskaart als militair instrument, in een tijd waarin de Oostenrijkse Nederlanden regelmatig het toneel waren van veldslagen tussen de Europese grootmachten. Deze kaart, bedoeld voor de autoriteiten, had een grote schaal (1:11.520) en zat vol details om indruk te maken – een pronkstuk om de keizer te behagen. Anderzijds bracht Ferraris een kleinschaliger variant uit die voor commercieel gewin moest zorgen: de Carte Marchande. Die verscheen op kleiner formaat (1:86.400), telde maar 25 kaarten en miste alle militaire details. Perfect voor het grote publiek, en handig voor wie – militair, handelaar of reiziger – zijn weg moest vinden in de Zuidelijke Nederlanden.

Prent van de plechtige overhandiging van de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden aan keizer Jozef II op 10 december 1777 - Charles Emmanuel Patas, naar Charles Eisen
Prent van de plechtige overhandiging van de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden aan keizer Jozef II op 10 december 1777 – Charles Emmanuel Patas, naar Charles Eisen

Het pronkstuk

Het absolute hoogtepunt, de Carte de Cabinet des Pays-Bas Autrichiens, werd op 10 december 1777 plechtig aangeboden aan keizer Jozef II. Er kwamen slechts drie handgetekende exemplaren van: 275 kaartbladen, samen met bijna 2.000 pagina’s handgeschreven historische, politieke en economische notities. Die drie exemplaren liggen vandaag respectievelijk in het Nationaal Archief in Den Haag, de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) in Brussel en het Kriegsarchiv in Wenen.

Ferraris leefde in een eeuw vol grote omwentelingen. Aan het einde van zijn leven kon hij terugblikken op een lange staat van dienst bij niet minder dan vier Habsburgse keizers. Tussen 1754 en 1792 was hij vooral actief aan het Brusselse hof van de Oostenrijkse gouverneur. Eind achttiende eeuw belandde hij opnieuw in Wenen, als invloedrijk hoveling van de Oostenrijkse keizer. Voor zijn jarenlange diensten werd hij uiteindelijk beloond met een domein in het toenmalige koninkrijk Hongarije, waar hij zijn laatste levensjaren sleet.

Zelf de kaart verkennen

De nieuwe editie van de Ferraris-atlas komt pas in augustus uit, maar als voorsmaakje lanceerde het NGI al de Topoferrarisviewer. Met die website en bijbehorende app kun je met eigen ogen zien hoe het Belgische landschap door de eeuwen heen is veranderd. Je kunt de kaart van Ferraris uit 1777 naast – of zelfs over – de meest actuele kaarten van het NGI leggen. Daarnaast zijn ook historische topografische kaartreeksen van het NGI en zijn voorlopers beschikbaar, zodat je de evolutie van het landschap stap voor stap kunt volgen.

Kortessem topoferraris
Met de Topoferrarisviewer kunnen gebruikers historische en actuele kaarten naast elkaar leggen. Hier: de omgeving van het Limburgse Kortessem toen en nu.

Wandelen met Ferraris

Wie met de kaarten van Ferraris liever op een meer actieve manier aan de slag wil, kan zijn hart ophalen aan een nieuwe wandelgids. Onder het motto “Op stap met historische kaarten van Ferraris” werden twintig wandelingen uitgewerkt, gebaseerd op de kaarten uit de beroemde atlas. Het resultaat is een wandelgids naar het verleden van België, waarbij de wandelaar meteen ook tijdreiziger wordt.

Voor de uitwerking van de wandelroutes deed uitgeverij Lannoo een beroep op Histories, de organisatie voor erfgoedvrijwilligers in Vlaanderen en Brussel. Onder de vleugels van die erfgoedorganisatie trok een ploeg enthousiaste heemkundigen het veld in, op zoek naar zichtbare sporen van wat er op de kaarten van graaf de Ferraris staat. Elke heemkundige stippelde een wandelroute uit langs de interessantste erfgoedplekken in zijn of haar regio, telkens met een link naar de Ferrariskaarten. Geen sinecure, zo blijkt uit ons gesprek met Hendrik Vandeginste, verantwoordelijk voor collectie, archief en onderzoek bij Histories. Hendrik Vandeginste:

Uitgeverij Lannoo was ervan overtuigd dat de kennis van erfgoedvrijwilligers een meerwaarde kon betekenen voor hun gids. Histories werkt echter vooral rond erfgoed, heem- en familiekunde en lokale cultuur. Wandelroutes uittekenen valt dus eigenlijk buiten onze comfortzone. Toch werd snel duidelijk dat dit een uitstekende kapstok was voor onze werking, waarin vrijwilligers centraal staan. We lanceerden een oproep waarop een tachtigtal geïnteresseerden zich aanmeldden. Uiteindelijk bleef een kern van zo’n 25 vrijwilligers over om lokaal op zoek te gaan naar sporen van de landmeters die driehonderd jaar geleden, in opdracht van graaf de Ferraris, Vlaanderen doorkruisten.

Voor de inhoudelijke begeleiding zette Histories een eigen medewerker in. Stagiair Razvan Oita werd het aanspreekpunt voor de vrijwilligers en bood hen de nodige ondersteuning. Razvan Oita:

Voor onze vrijwilligers was het een sprong in het diepe. Daarom werkten we een draaiboek uit, maakten een handleiding voor het samenstellen van een erfgoedwandeling, en organiseerden bijeenkomsten en vormingen over historisch onderzoek en het gebruik van online bronnen. Via een online community op Facebook konden de deelnemers ervaringen uitwisselen, problemen aankaarten of tips delen met elkaar. Er komt ook een vervolgtraject om de opgedane ervaring verder uit te werken.

Merelbeke op de Ferrariskaart
Detail van de Ferrariskaart met de omgeving van Merelbeke. De kaart laat zien hoe het Scheldelandschap er in de achttiende eeuw uitzag.

Een fluitje van een cent werd het dus allerminst. De opdracht kwam er pas eind 2025, terwijl de wandelgids al in juni klaar moest zijn. Tijdsdruk alom, dus. Hendrik Vandeginste:

Al snel bleek dit monnikenwerk, zonder garantie op succes. Tastbare sporen van de Ferraris-landmeters zijn schaars, en om hun verhaal te reconstrueren waren onze vrijwilligers vaak afhankelijk van minuscule aanwijzingen: kleine, sterk wisselende vermeldingen in rekeningen van dorpen, gemeenten en parochies die onderdak of kost en inwoon boden aan de rondtrekkende landmeters. In steden werd bovendien weinig tot niets opgemeten — het ging vooral om landelijke gebieden.

Onze vrijwilligers moesten zich dus ontpoppen tot ware spoorzoekers in tal van archieven. Daarbij waren er ook grote regionale verschillen: in West-Vlaanderen, met zijn vele steden en ambachten, was bijvoorbeeld veel meer te vinden dan in andere provincies. Daar komt nog bij dat de achttiende-eeuwse cartografen soms behoorlijk speculatief te werk gingen, waardoor de naamgeving van gehuchten en andere plekken niet altijd even precies of eenduidig was.”

Op stap met historische kaarten van Ferraris
 
Het samenstellen van de gids had dus heel wat voeten in de aarde — maar het resultaat mag er zijn. Op stap met historische kaarten van Ferraris is een inhoudelijk sterk en fraai vormgegeven boek geworden. De twintig wandelingen laten je ontdekken hoe het Belgische landschap er in 1777 uitzag, en wat daarvan vandaag nog te zien is. Zestien wandelingen liggen in Vlaanderen, vier in Wallonië. Het zijn telkens lusvormige routes van pakweg 5 tot 20 kilometer.

Aan de gids werkten verschillende auteurs mee, wat zich weerspiegelt in de stijl en kwaliteit van de teksten. Maar uit de kaderteksten — met verhelderende achtergrondinformatie en boeiende anekdotes — spreekt steeds opnieuw de passie van de vrijwilligers voor het erfgoed en de geschiedenis van hun streek. Heldere routebeschrijvingen en praktische tips ontbreken natuurlijk niet. Bij elke wandeling duikt graaf de Ferraris op, al is de link met zijn werk niet altijd even rechtstreeks. Een sterk punt is dat de wandelingen overzichtelijk in kaart worden gebracht en gespiegeld aan de bijbehorende Ferrariskaarten, met aanduiding van interessante haltes langs de weg.

Ferraris als ankerpunt

De gids zet de lezer en wandelaar aan tot stilstaan bij de ingrijpende veranderingen die het landschap de afgelopen driehonderd jaar heeft doorgemaakt. “Waar vroeger soldaten marcheerden, wandel je nu door de natuur, met vogelgezang en ruisende bladeren op de achtergrond,” lezen we bij een van de routes. Wat de historische omkadering betreft, kent de gids geen tijdsgrenzen: de Tachtigjarige Oorlog, het best bewaarde prehistorische geheim van België, het Romeinse en middeleeuwse verleden — het komt allemaal wel ergens aan bod. Als wandelaar word je dus ook een tijdreiziger, met de kaarten van graaf de Ferraris steeds als vast ankerpunt.

Zo is Op stap met historische kaarten van Ferraris geen saaie historische uiteenzetting geworden, maar wel een boeiende en actieve duik in het erfgoedverleden van België. Een ideale zomergids voor liefhebbers van wandelen, erfgoed en cartografie.

Bronnen

‘Carte Blanche: de diplomatie van Ferraris in een Europa in omwenteling’ / Karen De Coene (uitgeverij Lannoo, 2024)
Op stap met historische kaarten van Ferraris / diverse auteurs (uitgeverij Lannoo, 2026)
×