De jaren zeventig en de opkomst van het neoliberalisme

7 minuten leestijd
Margaret Thatcher en president Jimmy Carter in 1979
Margaret Thatcher en president Jimmy Carter in 1979
In zijn boek De 21e eeuw, die in 1979 begon onderzoekt historicus Maarten van Rossem de ingrijpende politieke en economische veranderingen die de wereld sinds het einde van de jaren zeventig hebben gevormd. Hij plaatst de opkomst van het neoliberalisme en de groeiende invloed van China in de context van bredere mondiale machtsverschuivingen, die het einde markeerden van de naoorlogse orde en de contouren van een nieuwe wereldorde zichtbaar maakten. Op Historiek publiceren we een fragment uit dit boek, waarin Van Rossem ingaat op de jaren zeventig als kantelpunt. In dit decennium raakte de naoorlogse economische consensus in crisis en ontstond ruimte voor nieuwe economische ideeën, die in de daaropvolgende jaren het beleid in veel westerse landen zouden bepalen.

De jaren zeventig

De jaren zeventig waren een verwarrend decennium. Er leek geen duidelijk patroon in te zitten. Bij de termen ‘fifties’ en ‘sixties’ rijst er onmiddellijk een beeld op, al is dat deels misleidend. ‘The seventies’ echter wekken geen kritische of nostalgische sentimenten op. In de jaren zeventig werden velen geplaagd door gevoelens van malaise, teleurstelling en desillusie na de opwinding van de jaren zestig. Iemand karakteriseerde de jaren zeventig eens met de observatie:

‘It seemed like nothing happened.’

Twee tijdgeesten

Zelf vond ik die jaren ook lastig te karakteriseren. Het was niet duidelijk waar het heen ging, hoogstens was duidelijk dat ‘the sixties’ stervende waren. Ondertussen heb ik het gevoel iets meer duidelijkheid in die jaren te zien, zij het dat die duidelijkheid deels bestaat uit het besef dat de jaren zeventig onvermijdelijk onduidelijk zijn. Dat is omdat dat decennium eigenlijk twee tijdgeesten heeft. De ene is bezig achter de historische horizon te zinken, de andere schuifelt uit de coulissen het toneel op. De ene is de tijdgeest van ‘the sixties’, de ander die van het neoliberalisme, ofwel het obsessieve geloof in de zaligmaking door de markt.

Friedrich Hayek
Friedrich Hayek (CC BY-SA 3.0 – Mises Institute – wiki)
De aflossing, een soort Gestalt-switch, vond ergens halverwege de jaren zeventig plaats. Voor allerlei mensen zag de wereld er plotseling anders uit. Dat het neoliberalisme kon triomferen was het gevolg van de langdurige economische problemen van de jaren zeventig. Rond 1970 begon de snelle groei van de Gouden Jaren (1945-1975) te haperen en de werkloosheid op te lopen. De hele jaren zeventig werden vervolgens geplaagd door een structureel hoge inflatie. Volgens de keynesiaanse regels kon een haperende economie gestimuleerd worden met verhoging van de overheidsuitgaven. Maar dat leek in deze jaren nauwelijks te helpen. Volgens de neoliberale economen leidde de stimulering van de vraag door de overheid alleen maar tot nog meer inflatie.

De groeiende wanhoop over de ineffectiviteit van het vigerende keynesiaanse model blies wind in de zeilen van de neoliberalen, die sedert de Tweede Wereldoorlog een bestaan in de marge van de economische wetenschap hadden geleid. Het was ongetwijfeld geen toeval dat Friedrich Hayek in 1974 de Nobelprijs voor zijn economische denkbeelden kreeg en de Amerikaanse econoom Milton Friedman twee jaar later. Zij waren verreweg de meest prominente neoliberale economen.

De wijsheid van de markt

De neoliberalen meenden dat de overheid een veel te dominante rol in de economie speelde. Vrijwel alles kon worden overgelaten aan de magische wijsheid van de markt. Verder moest er vooral gedereguleerd en geprivatiseerd worden. Uit een bescheiden start in de jaren zeventig ontwikkelde zich in de volgende decennia een gedreven, dominante marktideologie, die overal potentieel heilbrengende markten zag en zodoende alles wilde ‘vermarkten’. Dat heeft tot op de dag van vandaag, zoals we zullen zien, deels zeer negatieve gevolgen.

Margareth Thatcher in 1977
Margareth Thatcher in 1977
De eerste politicus die de nieuwe wijsheid in vernieuwend overheidsbeleid omzette was Margaret Thatcher. In Engeland staat de winter van 1978-1979 bekend als de Winter of Discontent. Het land werd geteisterd door eindeloze stakingen. De bakkers staakten en de vrachtautochauffeurs staakten, waardoor regionaal voedselgebrek ontstond. Eind januari waren er op Action Day 1,5 miljoen stakers in de publieke sector. De Labourregering onder leiding van Jim Callaghan leek machteloos. Er was sprake van een noodtoestand. Volgens velen was die noodtoestand niet incidenteel, maar was er iets fundamenteel mis in Engeland.

Het land leek ten prooi te zijn gevallen aan een langdurig proces van aftakeling. In een gedurfde politieke manoeuvre diende Thatcher, sedert 1975 leider van de Conservatieven, een motie van wantrouwen in tegen de zittende regering. Zij won die stemming met één stem meerderheid. Dat betekende verkiezingen. Bij die verkiezingen van 3 mei 1979 deed zich een verhoudingsgewijs aanzienlijke swing voor, de grootste sinds 1945. Thatcher won een comfortabele meerderheid. Allerlei mensen die nog nooit op de Conservatieven hadden gestemd deden dat nu wel, zoals traditioneel linkse intellectuelen en geschoolde arbeiders. Het zou achttien jaar duren voor er weer een Labourregering werd gekozen.

De Conservatieven gebruikten een even effectieve als vermakelijke campagneposter: een grote foto van een eindeloze rij wachtenden voor het ‘unemployment office’, met daarboven de tekst: ‘labour isn’t working’. De vakbonden hadden hun hand zwaar overspeeld en zouden een paar jaar later in een directe confrontatie met Thatcher hun Waterloo vinden.

'Labour isn't working', campagneposter van de Conservatieven uit 1978
‘Labour isn’t working’, campagneposter van de Conservatieven uit 1978
Het gevoel van aftakeling was reëel. Vergeleken met landen als Frankrijk en Duitsland was Engeland achteropgeraakt. Qua inkomen per hoofd van de bevolking was Engeland in 1950 nummer 7 in de wereld en een kwarteeuw later nummer 20. Het ontbrak de Engelse economie aan dynamiek en innovatief vermogen. De helft van de industriële productiecapaciteit was in overheidshanden. Daar was van vernieuwing geen sprake. De mijnbouw overleefde alleen met subsidie en dat gold ook voor de spoorwegen. Critici meenden dat de fameuze naoorlogse consensus – de keynesiaanse consensus waarover overheid, werkgevers en werknemers het eens waren – al enige tijd vastgelopen was. Dat was ook Thatchers vaste overtuiging. De zelfgenoegzame consensus moest worden opgeblazen. Sedert de jaren zestig had zij zich verdiept in de neoliberale opvattingen. Dat werd totale ideologische zekerheid in de jaren zeventig: The drift to socialism had to be stopped, zoals Thatcher zei.

Zelfredzaamheid als kernprincipe

Thatcher en haar minister van Financiën boden het Lagerhuis een radicale begroting aan. Beperkingen van het kapitaalverkeer met het buitenland werden opgeheven. In de toenmalige omstandigheden een gedurfde maatregel. De belastingen werden ruimhartig verlaagd en op de publieke uitgaven werd enorm bezuinigd. Alleen de National Health Service werd, zoals Thatcher beloofd had, uit de wind gehouden.

‘De resultaten van Thatchers beleid waren aanvankelijk rampzalig’

Thatcher vond dat de Engelsen moesten leren zelf verantwoordelijkheid te nemen. Zelfredzaamheid was het kernprincipe van de neoliberale vernieuwing. Voor Thatcher, de ambitieuze kruideniersdochter, was dat meer nog een moreel beginsel dan een economisch inzicht. Thatcher had in de aanloop naar de verkiezingen haar voornemens nog vrij vaag gehouden. Eenmaal aan de macht radicaliseerde haar beleidsagenda.

Kenmerkend voor haar beleid was vergaande deregulering, in het bijzonder van de financiële markten (de Big Bang), en privatisering. Een groot deel van de overheidsbedrijven werd verkocht. Gemeentelijke woningbouwverenigingen verkochten voor een zacht prijsje miljoenen woningen aan de bewoners, hetgeen een deel van de middenklasse aan een klein kapitaal hielp. De resultaten van Thatchers beleid waren aanvankelijk rampzalig. De toch al omvangrijke werkloosheid schoot verder omhoog. De industriële productie nam met 16 procent af. Een aanzienlijk deel van de traditionele productiesector heeft Thatcherism niet overleefd.

Mijnsluitingen

In 1982 zag het er electoraal zeer somber uit voor de Conservatieven. Thatcher werd echter gered door de Argentijnse bezetting van de Falklandeilanden. Haar kordate optreden in deze crisis was als een warme, concrete herinnering aan het imperiale gedrag van weleer. De verkiezingen resulteerden in een aardverschuiving. De Conservatieven hadden nu bijna tweemaal zoveel zetels als Labour. Thatcher had vrijwel onbeperkt politiek krediet. In 1984 staakten de Britse mijnwerkers tegen de voorgenomen sluiting van verliesgevende mijnen. Thatcher had de confrontatie verwacht en zich goed voorbereid. De mijnwerkers verloren na een langdurige strijd. Op de middellange termijn werden alle mijnen in Engeland gesloten. In 2015 ging de laatste dicht. De macht van de bonden was gebroken.

Demonstratie voor de mijnwerkersstaking in Londen, 1984
Demonstratie voor de mijnwerkersstaking in Londen, 1984 (CC BY-SA 2.0 – Nick – wiki)

De langetermijneffecten van dit eerste grote neoliberale experiment waren gemengd. Dat een deel van de industrie, en zeker de financiële dienstverlening, enorm heeft geprofiteerd van Thatcherism staat buiten kijf. Denk daarbij aan de grote vitaliteit van Londen, dat New York overvleugelde als financieel centrum. De middenklasse en de geschoolde arbeiders gingen er ook aanzienlijk op vooruit, in het bijzonder in de Londense regio. Maar elders waren er miljoenen verliezers. Waar de mijnen werden gesloten en traditionele industriële bedrijven simpelweg verdwenen waren, is nog steeds sprake van schrijnende armoede.

Toen Thatcher in 2013 overleed waren er tal van plaatsen waar de vlag werd uitgestoken en een extra pint werd gedronken. Zelfredzaamheid is een prachtig principe, maar niet iedereen is zelfredzaam, en hoe zelfredzaam kan iemand zijn in een plaatselijke gemeenschap waar alle betalende activiteit verdwijnt. Privatisering leidde lang niet altijd tot de gewenste en verwachte effecten. De spoorwegen bleven een janboel. Beleidsmatig was Thatcher een echte trendsetter.

Ontwikkelingen in andere landen

De problemen waar Engeland mee worstelde, deden zich ook in andere hoogontwikkelde landen voor, zij het in mindere mate. Ook daar werd de naoorlogse consensus, het fundament van de Gouden Jaren, opgedoekt of op zijn minst ingrijpend gesnoeid. Ook daar werd voortvarend geprivatiseerd en gedereguleerd of verdwenen traditionele bedrijven. Neem bijvoorbeeld Nederland. Daar werd een prachtig, modern overheidsbedrijf als de Postbank zonder bedenken aan de ING verkocht. De ingrijpende hervormingen in India in 1991 van premier Manmohan Singh, die verstrekkende gevolgen zouden hebben, waren deels geïnspireerd door het economische beleid van Thatcher.

De 21e eeuw, die in 1979 begon - Maarten van Rossem
 
Dat Thatcher beleid en samenleving voorgoed had veranderd bleek toen de Labour Party, onder leiding van Tony Blair, in 1997 na achttien jaar eindelijk weer aan de macht kwam. Er werd nu gesproken van New Labour en dat hield vooral in dat premier Blair de erfenis van Thatcher accepteerde. Allerlei klassieke verlangens van Labour werden uit het partijprogramma verwijderd. Thatcherism werd Blatcherism. Blatcherism was neoliberalisme met een rood randje. Dat heette in die jaren ook wel de Third Way: een neoliberale aanpak, waarbij de ruwe randen werden bijgevijld.

Ook Bill Clinton bekende zich tot die Third Way. Vooral buiten Nederland werd Wim Kok beschouwd als een perfecte vertegenwoordiger van de Third Way (Derde Weg). Was hij er immers niet in geslaagd de verzorgingsstaat te saneren zonder al te grote sociaaleconomische schade aan te richten? Daarbij moet worden opgemerkt dat de neoliberale beginselen in Engeland en de VS veel meer impact hebben gehad dan in de West-Europese landen. Het zal niet verbazen dat Thatcher te spreken was over Blair en dat omgekeerd Blair complimenteus was over Thatcher.

×