De jaren zeventig
De jaren zeventig waren een verwarrend decennium. Er leek geen duidelijk patroon in te zitten. Bij de termen ‘fifties’ en ‘sixties’ rijst er onmiddellijk een beeld op, al is dat deels misleidend. ‘The seventies’ echter wekken geen kritische of nostalgische sentimenten op. In de jaren zeventig werden velen geplaagd door gevoelens van malaise, teleurstelling en desillusie na de opwinding van de jaren zestig. Iemand karakteriseerde de jaren zeventig eens met de observatie:
‘It seemed like nothing happened.’
Twee tijdgeesten
Zelf vond ik die jaren ook lastig te karakteriseren. Het was niet duidelijk waar het heen ging, hoogstens was duidelijk dat ‘the sixties’ stervende waren. Ondertussen heb ik het gevoel iets meer duidelijkheid in die jaren te zien, zij het dat die duidelijkheid deels bestaat uit het besef dat de jaren zeventig onvermijdelijk onduidelijk zijn. Dat is omdat dat decennium eigenlijk twee tijdgeesten heeft. De ene is bezig achter de historische horizon te zinken, de andere schuifelt uit de coulissen het toneel op. De ene is de tijdgeest van ‘the sixties’, de ander die van het neoliberalisme, ofwel het obsessieve geloof in de zaligmaking door de markt.

De groeiende wanhoop over de ineffectiviteit van het vigerende keynesiaanse model blies wind in de zeilen van de neoliberalen, die sedert de Tweede Wereldoorlog een bestaan in de marge van de economische wetenschap hadden geleid. Het was ongetwijfeld geen toeval dat Friedrich Hayek in 1974 de Nobelprijs voor zijn economische denkbeelden kreeg en de Amerikaanse econoom Milton Friedman twee jaar later. Zij waren verreweg de meest prominente neoliberale economen.
De wijsheid van de markt
De neoliberalen meenden dat de overheid een veel te dominante rol in de economie speelde. Vrijwel alles kon worden overgelaten aan de magische wijsheid van de markt. Verder moest er vooral gedereguleerd en geprivatiseerd worden. Uit een bescheiden start in de jaren zeventig ontwikkelde zich in de volgende decennia een gedreven, dominante marktideologie, die overal potentieel heilbrengende markten zag en zodoende alles wilde ‘vermarkten’. Dat heeft tot op de dag van vandaag, zoals we zullen zien, deels zeer negatieve gevolgen.

Het land leek ten prooi te zijn gevallen aan een langdurig proces van aftakeling. In een gedurfde politieke manoeuvre diende Thatcher, sedert 1975 leider van de Conservatieven, een motie van wantrouwen in tegen de zittende regering. Zij won die stemming met één stem meerderheid. Dat betekende verkiezingen. Bij die verkiezingen van 3 mei 1979 deed zich een verhoudingsgewijs aanzienlijke swing voor, de grootste sinds 1945. Thatcher won een comfortabele meerderheid. Allerlei mensen die nog nooit op de Conservatieven hadden gestemd deden dat nu wel, zoals traditioneel linkse intellectuelen en geschoolde arbeiders. Het zou achttien jaar duren voor er weer een Labourregering werd gekozen.
De Conservatieven gebruikten een even effectieve als vermakelijke campagneposter: een grote foto van een eindeloze rij wachtenden voor het ‘unemployment office’, met daarboven de tekst: ‘labour isn’t working’. De vakbonden hadden hun hand zwaar overspeeld en zouden een paar jaar later in een directe confrontatie met Thatcher hun Waterloo vinden.

Zelfredzaamheid als kernprincipe
Thatcher en haar minister van Financiën boden het Lagerhuis een radicale begroting aan. Beperkingen van het kapitaalverkeer met het buitenland werden opgeheven. In de toenmalige omstandigheden een gedurfde maatregel. De belastingen werden ruimhartig verlaagd en op de publieke uitgaven werd enorm bezuinigd. Alleen de National Health Service werd, zoals Thatcher beloofd had, uit de wind gehouden.
Thatcher vond dat de Engelsen moesten leren zelf verantwoordelijkheid te nemen. Zelfredzaamheid was het kernprincipe van de neoliberale vernieuwing. Voor Thatcher, de ambitieuze kruideniersdochter, was dat meer nog een moreel beginsel dan een economisch inzicht. Thatcher had in de aanloop naar de verkiezingen haar voornemens nog vrij vaag gehouden. Eenmaal aan de macht radicaliseerde haar beleidsagenda.
Kenmerkend voor haar beleid was vergaande deregulering, in het bijzonder van de financiële markten (de Big Bang), en privatisering. Een groot deel van de overheidsbedrijven werd verkocht. Gemeentelijke woningbouwverenigingen verkochten voor een zacht prijsje miljoenen woningen aan de bewoners, hetgeen een deel van de middenklasse aan een klein kapitaal hielp. De resultaten van Thatchers beleid waren aanvankelijk rampzalig. De toch al omvangrijke werkloosheid schoot verder omhoog. De industriële productie nam met 16 procent af. Een aanzienlijk deel van de traditionele productiesector heeft Thatcherism niet overleefd.
Mijnsluitingen
In 1982 zag het er electoraal zeer somber uit voor de Conservatieven. Thatcher werd echter gered door de Argentijnse bezetting van de Falklandeilanden. Haar kordate optreden in deze crisis was als een warme, concrete herinnering aan het imperiale gedrag van weleer. De verkiezingen resulteerden in een aardverschuiving. De Conservatieven hadden nu bijna tweemaal zoveel zetels als Labour. Thatcher had vrijwel onbeperkt politiek krediet. In 1984 staakten de Britse mijnwerkers tegen de voorgenomen sluiting van verliesgevende mijnen. Thatcher had de confrontatie verwacht en zich goed voorbereid. De mijnwerkers verloren na een langdurige strijd. Op de middellange termijn werden alle mijnen in Engeland gesloten. In 2015 ging de laatste dicht. De macht van de bonden was gebroken.

De langetermijneffecten van dit eerste grote neoliberale experiment waren gemengd. Dat een deel van de industrie, en zeker de financiële dienstverlening, enorm heeft geprofiteerd van Thatcherism staat buiten kijf. Denk daarbij aan de grote vitaliteit van Londen, dat New York overvleugelde als financieel centrum. De middenklasse en de geschoolde arbeiders gingen er ook aanzienlijk op vooruit, in het bijzonder in de Londense regio. Maar elders waren er miljoenen verliezers. Waar de mijnen werden gesloten en traditionele industriële bedrijven simpelweg verdwenen waren, is nog steeds sprake van schrijnende armoede.
Toen Thatcher in 2013 overleed waren er tal van plaatsen waar de vlag werd uitgestoken en een extra pint werd gedronken. Zelfredzaamheid is een prachtig principe, maar niet iedereen is zelfredzaam, en hoe zelfredzaam kan iemand zijn in een plaatselijke gemeenschap waar alle betalende activiteit verdwijnt. Privatisering leidde lang niet altijd tot de gewenste en verwachte effecten. De spoorwegen bleven een janboel. Beleidsmatig was Thatcher een echte trendsetter.
Ontwikkelingen in andere landen
De problemen waar Engeland mee worstelde, deden zich ook in andere hoogontwikkelde landen voor, zij het in mindere mate. Ook daar werd de naoorlogse consensus, het fundament van de Gouden Jaren, opgedoekt of op zijn minst ingrijpend gesnoeid. Ook daar werd voortvarend geprivatiseerd en gedereguleerd of verdwenen traditionele bedrijven. Neem bijvoorbeeld Nederland. Daar werd een prachtig, modern overheidsbedrijf als de Postbank zonder bedenken aan de ING verkocht. De ingrijpende hervormingen in India in 1991 van premier Manmohan Singh, die verstrekkende gevolgen zouden hebben, waren deels geïnspireerd door het economische beleid van Thatcher.

Ook Bill Clinton bekende zich tot die Third Way. Vooral buiten Nederland werd Wim Kok beschouwd als een perfecte vertegenwoordiger van de Third Way (Derde Weg). Was hij er immers niet in geslaagd de verzorgingsstaat te saneren zonder al te grote sociaaleconomische schade aan te richten? Daarbij moet worden opgemerkt dat de neoliberale beginselen in Engeland en de VS veel meer impact hebben gehad dan in de West-Europese landen. Het zal niet verbazen dat Thatcher te spreken was over Blair en dat omgekeerd Blair complimenteus was over Thatcher.
De jaren 1970: tijd van optimisme, idealisme en crisis
Neoliberalisme jaren ’80 en ‘90 – klopt de term wel?
Margaret Thatcher: leven en beleid van de ‘Iron Lady’
Afnemende ongelijkheid in de uitzonderlijke twintigste eeuw
John Maynard Keynes (1883-1946) – Een korte biografie
Embargo Act (1807) – Amerikaanse wet
De Britse East India Company (EIC)