In het luide koor van bezorgde stemmen over landschap en natuur is landschapshistoricus Theo Spek niet een van de minste. Als hoogleraar landschapsgeschiedenis te Groningen leidt hij jonge mensen op om landschappen in kaart te brengen. Instrument is de landschapsbiografie waarbij het hele wetenschappelijke arsenaal wordt ingezet, van geschiedenis en archeologie tot bodemkunde, klimaat en hydrologie.
Een zinvolle wetenschap, nu er weer aanspraken/aanslagen op dat landschap gedaan worden: nieuwe huizen, oefenterreinen, vliegvelden, nieuwe natuur en ga zo maar door. Op basis van de ‘lange lijnen’ in de geschiedenis kunnen overheden lastige beslissingen beter onderbouwen, uitleggen of – zo lang er gestudeerd wordt – uitstellen.

Een landschap is behalve een geheel van natuurlijke fenomenen ook een ‘mentaal construct’, mensen hebben vaak een band met het landschap. Vaak wordt die relatie ervaren in termen van neergang. In 1989 schreef de romanschrijver Koos van Zomeren:
Elk levend wezen heeft een inwendig plaatje van het landschap waar hij of zij thuis hoort. Het landschap van je jeugd, daar was het goed, het pure feit dat je er bent opgegroeid, bewijst dat. En probeer in Nederland eens een element in het landschap te noemen dat sinds je jeugd niet grondig is veranderd.Alleen de horizon boven zee misschien.’ (Een jaar in scherven, 1988)
Bijna veertig jaar later is die overpeinzing nog steeds trefzeker… behalve dan het slot ervan. Juist aan zee bepalen windparken steeds vaker de horizon. Ook het ‘zeelandschap’ is totaal aan het veranderen. Alles verandert dus.

Landschapspijn en -medicijn
Spek c.s. hebben de Nederlandse landschappen ingedeeld in zes hoofdcategorieën: heuvel-, zand-, rivieren-, kust-, veen- en modern landschap. Het eerste deel gaat in twee hoofdstukken in op het Zuid-Limburgse heuvellandschap, dat voor Nederlandse begrippen heel bijzonder is, maar in Europees perspectief juist vrij gewoon. De kustlandschappen komen in vijf hoofdstukken aan de orde, onderverdeeld in de Wadden, het Hollandse en Zeeuwse kustgebied en het noordelijke en het zuidwestelijke zeekleigebied. Elk ‘deel’ begint ongeveer bij de IJstijden om na klimaat en bodem het menselijk ingrijpen te belichten. Telkens zoom je dus uit en in, in de tijd en in het landschap dat bestaat uit zo’n 17 landschapsdelen, onderverdeeld in 130 streken.
Het voert veel te ver om al deze hoofdstukken hier op te voeren. Maar in het algemeen slagen de meer dan dertig schrijvers er in een overzichtelijk beeld te geven van de ontwikkelingen. Voorgaande generaties zadelen ons op met grote problemen, maar sommige rampen van toen pakken nu nog niet zo slecht uit. Neem de grote ontginningen in de zompige achterlanden van laag Nederland. Dat enorme karwei begon misschien al in de IJzer- en Romeinse tijd, stokte een tijd lang, maar zette door in de Middeleeuwen. Toen in de elfde en twaalfde eeuw de bevolking snel toenam – misschien wel door een in het boek niet aangeroerd klimaatoptimum – gaven adellijke en geestelijke heren grond uit aan (collectieven van) pioniers. In ruil voor herendiensten of belastingen trokken zij de natte kikkerlanden in, groeven sloten, lieten het water weglopen, legden akkers aan en floreerden… althans, een tijdje.

Maar al snel zegen de bodems in dit sponsland eerst centimeters en daarna meters in. De kolonisten kregen natte voeten en trokken verder de hoogvenen in. Daar herhaalde dat proces zich na enige tijd. Uiteindelijk vonden deze scheppers met schop vastigheid op zand- of kleibodems. In het verlaten, soms weer onbegaanbare land, bleven niet alleen sloten- en verkavelingspatronen achter, maar soms ook kerkhoven, kerkjes en andere relicten. Die restanten en toponiemen maken de gebeurtenissen van toen voor ons leesbaar.

In de ruwe omgang met ons landschap vond in de late negentiende eeuw een enorme intensivering plaats. Mensen voelden zich heren van de schepping, dat ze boven de natuur konden staan. De introductie van kunstmest maakte van de enorme heidevelden nutteloos ‘onland’, ruilverkavelingen zorgden voor rationalisatie van het landschap. Rivieren en beken werden rechtgetrokken en wegen-, communicatie- en energienetwerken aangelegd. Moderne landschappen ontstonden door de enorme groei van de steden en bijvoorbeeld door de aanleg van de IJsselmeerpolders. Kortom, dit is een boek over de duizendvoudige vorming van ons landschap, de problemen en de kansen. Een lijst met bodemkundige termen, kadertjes met veldnamen en landschapstaal en natuurlijk de vele illustraties helpen dat alles te begrijpen.
De landschapsbijbel van Spek
Natuurlijk hebben de schrijvers ook een boodschap. Houd bij landschapsinrichting ‘rekening met de belangen van zowel de vorige als toekomstige generaties’ en creëer ‘bewustwording van de rijke erfenis die alle generaties voor ons hebben achtergelaten in het landschap’. Erfenissen verpats je niet in één generatie, maar beheer je als een goede rentmeester. Kernwoord is dat elk gebied een specifieke aanpak verlangt, die past bij zijn historische ontwikkeling. Zonder boeren gaat dat niet, laat Theo Spek in een lang Volkskrant-interview weten, waarbij hij zich afzet tegen de polarisatie.
Zet de boeren in om het land diverser te maken en betaal ze er goed voor. Werk samen en verklein het verschil tussen natuurvrije landbouw en landbouwloze natuur. Landschap is niet links en landbouw niet rechts. Elk gebied, elk landschap kent een eigen ontwikkeling en verdient daarom een gebiedsspecifieke aanpak. Nederland, zegt Spek, ‘zal er over 20 à 30 jaar beter aan toe zijn’. Verlies de moed niet.

2 – NRC, 21 mei 1987
De Nederlandse natuur door de eeuwen heen
Natuur verdween uit de landbouw, maar niet uit de boer
Eeuwenoud Nederlands landschap bijna verdwenen
Nationale parken in Amerika – geschiedenis en uitdagingen
Geheimen geeft Gooise heide mondjesmaat prijs