Waarom vrouwelijke auteurs uit de geschiedenis verdwenen

Wat de schoolboeken niet vertellen
4 minuten leestijd
Promotiebeeld voor de opname van de laatste aflevering van de Historische Klassiekers-podcast
Promotiebeeld voor de opname van de laatste aflevering van de Historische Klassiekers-podcast

Pak je oude schoolboeken er nog eens bij. Ja, die van geschiedenis, of die van Nederlands, of denk er even aan terug (met gemengd genoegen). Welke vrouwelijke auteurs werden daarin besproken? En uit het verleden, specifiek: tussen 1500 en 1800? Drie eeuwen, hoeveel vrouwen? Ik schat twee: Aagje Deken en Betje Wolff.

Inmiddels zien we overal een inhaalslag; vrouwelijke denkers, vrouwelijke kunstenaars, vrouwelijke auteurs. Zoals in de podcast-serie Historische Klassiekers, waarin vrouwelijke auteurs uit de vroegmoderne tijd centraal staan die in het Nederlands schreven. Want vrouwen schreven natuurlijk net als mannen. De Republiek was in de zeventiende eeuw zelfs het meest geletterde gebied van Europa. Meiden en jongens volgden allemaal onderwijs, reden waarom vrouwen later het bedrijf van hun man (die op zee zat, oorlog voerde of was overleden) over konden nemen. Ze waren herbergier, bierbrouwer, zoutkeetmeid, zoetelaar, noem maar op.

historische klassiekers podcast
 
Het werk van vrouwen bleef niet in de la liggen. Ook in de vroegmoderne tijd circuleerde dat, werd het gelezen en besproken en heel vaak erg gewaardeerd, getuige de vele lofdichten. Toch verdwenen veel van die vrouwelijke auteurs uit het collectieve geheugen. En kwamen dus niet in je schoolboeken terecht. En nog steeds gebeurt dat maar mondjesmaat. Er is dus iets aan de hand: we hebben te maken met een hardnekkig verschijnsel. Hoe komt dat?

Over precies die vraag gaat het op vrijdagavond 15 mei in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Dan en daar nemen we de laatste aflevering van Historische Klassiekers op, de Epiloog. We gaan in gesprek met Manon Uphoff, Imre Besanger, Adbelkader Benali en u over de vraag hoe het komt dat deze vrouwelijke auteurs zijn verdwenen. En wat we zelf kunnen doen om daar verandering in te brengen. Als aanvulling op die schoolboeken. Hier licht ik alvast een tipje van de sluier op.

Eeuwenlange selectieprocessen

Dat verdwijnen is zelden toevallig. Het is het resultaat van selectieprocessen die zich over de eeuwen hebben opgebouwd: in onderwijs, in uitgaven, in archieven en vooral in de manier waarop literatuurgeschiedenis is verteld: vaak als een reeks van groepjes mannen die zich afzetten tegen andere groepjes mannen enzovoort. Vrouwelijke auteurs deden dat minder, zich afzetten; zich op die manier profileren was voor hen minder vanzelfsprekend. Al wil dat niet zeggen dat zij hun mond daarom maar hielden.

Toch worden zij daarom vaak gezien als eenlingen. Als stipjes. Als unieke gevallen. En het lastige aan een unicum is, dat er maar één van is. Dus als je die ene hebt gevonden, ben je klaar en hoef je niet verder te zoeken. Zo zijn ook schoolboeken gevormd. Vrouwen stonden eenzaam vermeld in een aparte alinea, samengenomen in een hoofdstuk apart of werden opgenomen als ‘Damescompartiment’ (als in de trein: zo’n coupé alleen voor vrouwen). Ze maakten geen vanzelfsprekend onderdeel uit van de literatuurgeschiedenis vanwege hun geslacht. Ze werden ernaast geplaatst, apart gehouden in een reservaat. In latere literuurgeschiedenissen worden ze wel genoemd, maar vaak zonder in te gaan op hun werk. Alsof literatuurhistorici er snel vanaf wilden zijn, hun handen niet wilden branden aan de “mindere literaire kwaliteit” van hun werk.

Dan komt er nog iets bij. Genres die als “vrouwelijk” werden gezien – zoals brieven, religieuze teksten of gelegenheidspoëzie (voor sociale gelegenheden als huwelijk, geboorte of overlijden) – kregen ook nog eens minder status. En dat terwijl recent onderzoek juist liet zien hoe belangrijk religieuze teksten van vrouwen waren voor het welslagen van de Reformatie en daarmee voor het ontstaan van de Republiek.

Corina Koolen laat in haar studie Dit is geen vrouwenboek (2020) zien dat zodra mannen zich een genre toe-eigenen, de status ervan stijgt. Maar het omgekeerde geldt ook: zodra mannen zich ervan afkeren, daalt die status. Geen wonder dus dat het idee is ontstaan dat deze genres ’typisch vrouwelijk” en dus minder belangrijk zouden zijn, terwijl dat beeld historisch niet klopt. Arianne Baggerman moest voor haar studie over brieven en tijd, De storm die wij vooruitgang noemen (2025), met een lampje op zoek naar brieven van vrouwen. Die dus maar dun gezaaid waren, of – ander probleem – waar er maar weinig van waren overgeleverd.

Dat overleveren is natuurlijk meteen een cruciaal punt. Van Tesselschade Roemers, een van de bekendere auteurs uit de podcast-serie, zijn maar 34 gedichten overgeleverd. Eén daarvan is teruggevonden op de achterkant van een aantekening van Pieter Hooft voor zijn Historiëen. Of eigenlijk is het andersom: Roemers had haar gedicht prachtig gecalligrafeerd aan hem gestuurd en hij gebruikte dat achteloos als kladje. Doordat hij alles van zichzelf manisch bewaarde, hebben wij nu ook haar gedicht nog. Zelf vond Roemers het archiveren van haar werk onbelangrijk. Zij dateerde haar gedichten en brieven niet, ondertekende ze vaak ook niet, maar schijnt er wel dagelijks een geschreven te hebben. Haar neefje beheerde haar nalatenschap. Hij had zelf literaire ambities en vond het werk van zijn tante (én dat van zijn moeder, Anna Roemers) maar matig. Niet echt het bewaren waard. Wat moet er in zijn handen niet verloren zijn gegaan.

historische klassiekers kb

Je moet je bovendien realiseren dat aan het begin van de zeventiende eeuw op het schrijverschap nog een beetje werd neergekeken – Roemers deed het volgens het boekje. Er was een onderscheid tussen beroepsschrijvers en literaire auteurs die hun werk lieten circuleren in handschrift. Publiceren deed je alleen als je vrienden vonden dat het écht moest, met disclaimer. Vanaf de tweede helft van die eeuw verandert dat: schrijverschap wordt steeds sterker gekoppeld aan publieke erkenning en institutionele zichtbaarheid, waartoe vrouwen structureel minder toegang hadden of ruimte kregen.

Het gevolg is een literatuurgeschiedenis die niet alleen selecteert, maar ook vervormt. Vrouwen die in hun tijd bekend waren – zoals Katharina Lescailje, Christina Leonora de Neufville of Juliana Cornelia de Lannoy – worden vaak gereduceerd tot randfiguren of uitzonderingen. En dat terwijl zij middenin het literaire leven stonden; Lescailje zelfs als drukker en De Lannoy aan de top van de Parnassus met haar tragedies. Anderen verdwijnen vrijwel volledig uit beeld, ondanks hun invloed of populariteit. Daarmee ontstaat een historisch beeld dat niet alleen incompleet is, maar ook misleidend.

Live opname en discussie

En precies dat proces – van aanwezigheid naar verdwijning – staat centraal op vrijdagavond 15 mei. Niet als afgerond verhaal, maar als iets waar je als publiek middenin zit. Omdat het pas zichtbaar wordt als je het hardop hoort, en samen onderzoekt wat er ontbreekt en waarom. Dus kom mee-discussiëren.

Tickets € 7,50, hier te verkrijgen. Hier vindt u meer informatie: kb.nl

×