Het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam

15 minuten leestijd
Plankaart van het Algemeen Uitbreidingsplan
Plankaart van het Algemeen Uitbreidingsplan (Archief Amsterdam)

In 1868 schrijft Conrad Busken Huet zijn in veler ogen onzedelijke en voor die tijd zeker baanbrekende roman, Lydewyde. Niet onzedelijk, maar wel zo baanbrekend is het in 1948 door de afdeling Stadsontwikkeling van de dienst Publieke Werken te Amsterdam ontworpen speelstraatje in de wijk Bos en Lommer dat de naam draagt van deze roman: het Lidewijdepad. Het is een zevenhonderd meter lange route die door acht woonstroken heensnijdt, onder de A10 doorduikt en voorzien is van speeltoestellen.

Een sublieme plek1 en onderdeel van het nieuwe denken over stedelijke ontwikkeling dat zich voordoet in de eerste decennia van de twintigste eeuw en uitmondt in het Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam (AUP). Dit plan is het antwoord dat de gemeente in 1935 geeft op de te verwachten demografische groei tot het jaar 2000 en voorziet in de bouw van 50.000 woningen in nog te ontginnen gebieden, vooral aan de westkant van de stad. Leidend is het concept van de tuinstad: woningen ingebed in het groen.

Lidewijdepad in Amsterdam
Lidewijdepad in Amsterdam – Foto: Willem Peeters

Groot Amsterdam en de tuinstadgedachte

In Nederland ziet in 1901 de Woningwet het licht die gemeenten de ruimte biedt om zelf met woningbouw aan de slag te gaan. Voor Amsterdam is dat een zegen omdat rond 1910 de bebouwing van Amsterdam de gemeentegrenzen nadert en er behoefte is aan verdere uitbreiding. Ook omdat omliggende gemeentes zoals Sloten en Watergraafsmeer eigen plannen ontwikkelen die indruisen tegen de manier waarop Amsterdam is ingericht, wordt in 1921 overgegaan tot annexatie van deze twee gemeentes plus delen van Oostzaan, Nieuwendam en Buiksloot. Amsterdam wordt vier keer zo groot en vanaf dat moment kan de stad vooruit en gaan nadenken over hoe in de nieuw verworven gebieden uitbreiding nieuwbouw gerealiseerd zou kunnen worden.

Een eerste stap is de instelling van de Commissie Groot Amsterdam onder voorzitterschap van de directeur Publieke Werken, op dat moment Andries Bos. In 1926 draagt hij het stokje over aan Wichert de Graaf die uiteindelijk tekent voor het AUP. Van meet af aan is er discussie over de vraag of de stadsuitbreiding in gecentraliseerde of gedecentraliseerde vorm dient plaats te vinden, oftewel aaneengesloten of verspreid over verschillende kernen rond de stad.

Annexaties Amsterdam 1921
Annexaties Amsterdam 1921

De discussie wordt beïnvloed door de al twee decennia eerder in Engeland ontwikkelde tuinstadgedachte, in 1902 door Ebenezer Howard uitgewerkt in zijn verhandeling Garden Cities of To-morrow2 en die in 1906 door Jan Bruinwold Riedel, algemeen secretaris van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen, wordt geïntroduceerd in Nederland.3

Salomon Rodrigues de Miranda
Salomon Rodrigues de Miranda
Toepassing van de tuinstadgedachte in het Amsterdamse plangebied krijgt vorm door het werk van de in 1923 ingestelde Tuinstadcommissie met als opdracht om de gemeenteraad inzicht te geven in de mogelijkheden van de creatie van een tuinstad of tuindorpen. Een van de twee voorzitters van deze commissie is de socialist Monne de Miranda, wethouder Volkshuisvesting en opvolger van Floor Wibaut die zich al eerder heeft ingezet voor de realisatie van tuindorpen benoorden het IJ.

Het eindrapport van de Tuinstadcommissie verschijnt pas in 19294, maar niet nadat er binnen de commissie een stevig debat heeft plaatsgevonden over de vraag of er een tuinstad naar het model van Howard gerealiseerd zou moeten worden in het Gooi, een idee dat al in 1924 schipbreuk leidt. Iets wat De Miranda en medestander Arie Keppler – directeur van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht – er overigens niet van weerhoudt om twee jaar later in een aparte nota5 een krachtig pleidooi te houden om Gooistad te bouwen voor 50.000 inwoners met een omvang van 250 hectare en een bebouwingsdichtheid (laagbouw) van 40 woningen per hectare. Hun hartenkreet:

Wanneer de roep „naar buiten” weerklinkt en de neiging geconstateerd wordt, om de groote stad te ontvlieden en buiten te gaan wonen dan wordt aan de schoone natuur van bosch en hei gedacht. De welgestelden geven een voorbeeld. Zij, die zich thans reeds als forens buiten Amsterdam gaan vestigen, plegen zich niet in den polder, doch in het Gooi of de duinstreek te vestigen. Dit is op het oogenblik slechts alleen voor beter gesitueerden mogelijk. De „tuin van Amsterdam” staat voor de meeste Amsterdammers alleen voor een Zondagsch bezoek open, doch is niet een aan hun wonen inhaerent iets. De duizenden minder welgestelden, de arbeiders, die gaarne buiten gevestigd zouden willen zijn, zijn daartoe thans niet in staat, wijl economisch bereikbare woongelegenheid voor hen niet aanwezig is. Deze te scheppen is de grondslag van de tuinstadplannen. Doch het ligt dan voor de hand, om aan te sluiten bij de plekken, die reeds bewezen hebben aantrekkelijk te zijn.6

Gooistad
Gooistad
Het mag niet baten. Gooistad, als verwezenlijking van het oorspronkelijke idee van Howard, wordt afgeserveerd en het is het nooit formeel gepubliceerde schemaplan voor Groot Amsterdam oftewel het plan-Bos, dat in 1926 aan de gemeenteraad wordt voorgelegd. Het plan-Bos situeert de uitbreiding voornamelijk ten westen van de bestaande stad evenals de havenuitbreiding. In het plan is ruimte gemaakt voor een groot park ongeveer op de plaats waar nu de Sloterplas ligt.

Ook voorziet het in de bouw van een ringspoorbaan waarvoor de Spoorwegen plannen hebben ontwikkeld en waarvan de aanleg al gestart is. Wat ontbreekt is een duidelijke aansluiting van de beoogde verkeerswegen binnen de gemeentegrenzen aan de bestaande voorzieningen buiten de stad. Arie Keppler, lid van zowel de Commissie Groot Amsterdam als van de Tuinstadcommissie, zet zijn handtekening niet onder het plan voor Groot Amsterdam, maar komt met een tegenplan waarin hij pleit voor aanleg van woonwijken als ‘eilandjes in het groen’. Zijn kritiek op het plan-Bos is niet mals, waarop de voorzitter van de commissie met Keppler de vloer aanveegt en het tegenplan afschildert als ‘gesproten uit buitenlandsche litteratuur’ en de door Keppler geplande groenstroken kwalificeert als ‘malariastroken’.7

Het plan van Keppler heeft in het vervolg geen rol meer gespeeld, maar onder invloed van internationale ontwikkelingen op het gebied van stedenbouw delft ook het plan Groot Amsterdam uiteindelijk het onderspit. Ontwikkelingen die besproken worden tijdens het Internationale Stedebouw Congres – georganiseerd door International Federation for Housing and Townplanning – dat in de zomer van 1924 in Amsterdam gehouden wordt.

Plan Groot Amsterdam (plan-Bos)
Plan Groot Amsterdam (plan-Bos)

Een nieuwe aanpak

In de aanloop van dit congres verschijnt op 10 april 1923 in het Algemeen Handelsblad van Amsterdam een opmerkelijke kritiek van natuurbeschermer en planoloog Hendrik Cleyndert op het zogeheten Plan Berlage, het uitbreidingsplan voor Amsterdam-Zuid dat een jaar eerder in uitvoering is genomen.8 Cleyndert verwijt de stedenbouwers dat zij vanaf 1870, het moment dat de enorme groei van steden begint ten gevolge van de Industriële Revolutie, twee principes uit het oog hebben verloren. Het eerste is dat van de stedenbouwkundige eenheid. Het ontwerpen van uitbreidingsplannen:

…zonder eerst een groot geraamte-plan voor de gehele stad vastgesteld te hebben, met al de slechte gevolgen aan deze methode verbonden: een der ergste wel is, naast het gemis aan de noodigen samenhang tusschen de verschillende stadsdelen, het gebrek aan de groote lijn, aan monumentaliteit, aan karakter in het totale plan van de nieuw ontstane stad.

Hij had hier aan kunnen toevoegen dat het niet de eerste keer is dat dit principe is verwaarloosd. Ook in de zeventiende eeuw zijn het de kooplieden-regenten die weliswaar een mooie grachtengordel ontwerpen, maar dit doen om voor henzelf een aantrekkelijk stadsdeel te creëren en zich niet bekommeren over het totale geraamte van de stad.9

Het tweede principe waaraan volgens Cleyndert moderne stadsontwikkelaars geen aandacht hebben geschonken is de…

…aan de eisen des tijds aangepaste ‘Grünpolitik’. Immers, noch de parken (en speelterreinen) zijn in de meeste Hollandse steden, evenmin als in Amsterdam, in voldoende mate aanwezig, noch bestaan de voor het parksysteem noodzakelijk parkverbindingswegen.

Dit gemis leidt ertoe dat…

…ten gevolge van de onafgebroken doorgaande stadsontwikkeling, de bewoners, speciaal de armste klassen, steeds meer het contact met de natuur verliezen.

Zo groeide Amsterdam de afgelopen eeuw

Cleyndert uit zijn zorgen als lid van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw (NIVS) dat in 1923 de Stedenbouwkundige Raad in het leven roept welke geacht wordt een nieuwe vorm van stadsuitbreiding te ontwikkelen. Stadsuitbreiding niet slechts als een kwestie van huizen aaneenrijgen om het probleem van de volkshuisvesting op te lossen, maar ook om een menswaardige leefomgeving te scheppen voor bewoners en de stad een aantrekkelijk architectonisch karakter te geven.

Omdat Amsterdam uit zijn voegen dreigt te barsten en er dringend behoefte bestaat aan een plan voor verantwoorde stadsuitbreiding, verenigen zich enkele leden van de Stedenbouwkundige Raad zich in de Groep Groot Amsterdam die de bevordering van de belangstelling voor het levende en groeiende Amsterdam voor ogen heeft.

Dan volgt in de zomer van 1924 het Internationale Stedebouw Congres te Amsterdam waar deelnemers uit achtentwintig landen aanwezig zijn. Hoofdthema van dit congres is de vraag of:

…regionale of gewestelijke planvorming, waarbij de stedelijke en ecologische problematiek vanuit een multidisciplinair en gemeentegrens overschrijdend perspectief [kan worden] geadresseerd als een antwoord om verstedelijking in goede banen te leiden. De algemene perceptie van verstedelijking was destijds dat een snel, autonoom en desastreus proces gaande was, leidend tot onbeheersbare metropolen waarin de levenskwaliteit slecht is.10

Belangrijk vraagstuk is of de door de Britten aangedragen oplossing van de decentralisatie van tuinsteden voor Nederland en met name Amsterdam een geschikte oplossing is. Theodoor van Lohuizen, die een belangrijke rol zal spelen in de totstandkoming van het AUP, constateert dat:

…het systeem van satellietsteden met de voor Engeland voorgestelde afstanden in Nederland gewoonweg niet paste. Daarmee zou het agrarisch gebied tussen Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht nagenoeg volgebouwd worden, terwijl er bij verstedelijking juist ook behoefte was aan groene gebieden. Van Lohuizen stelde verder dat men zich in een relatief nieuw vakgebied niet de luxe van dogmatiek kon permitteren. Iedere casus had zijn eigen kenmerken en daarmee zijn eigen zoektocht naar een oplossing. Satellieten en tuinsteden zouden zonder twijfel worden toegepast, maar konden niet als universele remedie beschouwd worden.11

In 1926 verschijnt een publicatie van het NIVS en de Groep Groot Amsterdam getiteld Het Uitbreidingsplan van Groot Amsterdam waarin door vier auteurs het plan-Bos wordt afgekraakt. De Delftse hoogleraar Marinus Jan Granpré Molière concludeert:

Hetgeen voor ons ligt is een stap; [….] maar het is noodig goed te weten dat het de eerste stap is. [….] een plan, dat in den Raad zou kunnen worden aangenomen, dat zit er niet in. Het is een begin, maar tusschen dit en het uitbreidingsplan, het plan dus, waarnaar verkeerslijnen en detailplannen veilig kunnen worden uitgewerkt, ligt nog een wereldje.12

Ook voor de Commissie Groot Amsterdam is het nu duidelijk, zij neemt afstand van haar eigen plan en schrijft aan het college van Burgemeester en Wethouders dat:

De studie van het vraagstuk van stedenbouw vereischt een vast Bureau, dat zich in nauw contact met alle diensten en bedrijven, bezighoudt met het verzamelen van gegevens, het uitwerken van gevolgtrekkingen het in beeld brengen van een daarop steunenden uitbouw voor de toekomst.13

Daarmee start een discussie over de vraag hoe zo’n bureau kan worden ingebed in de gemeentelijke organisatie. Floor Wibaut (SDAP) pleit ervoor een nieuwe dienst voor stadsontwikkeling in het leven te roepen waarin ook het grondbedrijf zou moeten worden opgenomen, maar uiteindelijk besluiten B&W dat de dienst Stadsontwikkeling (SO) wordt ondergebracht bij Publieke Werken (PW).

Cornelis van Eesteren

Directeur PW De Graaf staat nu voor de taak om de nieuwe afdeling te bemensen. Per 1 september 1928 benoemt hij Louis Scheffer tot hoofd van SO, terwijl Van Lohuizen de functie krijgt van stedenbouwkundig onderzoeker. Op de advertentie voor een stedenbouwkundig ontwerper (hoofdarchitect) solliciteren tal van kandidaten die echter door De Graaf te licht worden bevonden. Een van de afgewezenen is de jonge Cornelis van Eesteren die zich presenteert als een ‘architect-urbanist’ en toch in maart 1929 door De Graaf wordt aangesteld naast Van Lohuizen als hoofdarchitect. Het is Van Eesteren die zijn stempel zal drukken op het AUP.

Cornelis van Eesteren wordt geboren in 1897 als zoon van een bouwondernemer die Boele en Van Eesteren opricht, een bedrijf dat nog altijd bestaat. Cornelis is voorbestemd om in de voetsporen te treden van zijn vader, maar kiest voor de architectuur. In 1921 wint hij de eerste prijs in de Prix de Rome competitie.14 Het winnen van deze prijs – een beurs – stelt Van Eesteren in staat om kennis te maken met de architectonische avant-garde van de jaren twintig zoals het Bauhaus te Weimar.

Ontwerp van Van Doesburg en Van Eesteren
Ontwerp van Van Doesburg en Van Eesteren

In deze periode ontwikkelt Van Eesteren zijn functionalistische ideeën in de architectuur die hij later toepast op de stadsontwikkeling van Amsterdam. Hij maakt kennis met Theo van Doesburg, die hem introduceert in de wereld van De Stijl, een beweging waar ook Piet Mondriaan deel van uitmaakt. Samen met Van Doesburg ontwerpt hij modellen voor landhuizen voor de Stijl-tentoonstelling in Parijs in 1923, een tentoonstelling waarbij het niet zozeer gaat om de uitvoerbaarheid van de ontwerpen, maar om de bezoeker een indruk te geven van wat ideale architectuur inhoudt.15

Ontwerp van Van Eesteren voor Unter den Linden
Ontwerp van Van Eesteren voor Unter den Linden
In 1925 maakt Van Eesteren een ontwerp voor de vernieuwing van Berlijns hoofdstraat Unter den Linden in het kader van de Lindenprijsvraag die deelnemers uitdaagt om een antwoord te geven op de vraag hoe deze hoofdstraat zich in de loop van de twintigste eeuw dient te ontwikkelen. Onder het motto alles afbreken en weer opbouwen dient Van Eesteren een gedurfd ontwerp in dat de jury beloont met de eerste prijs.16 Dit winnende ontwerp doet denken aan in door Van Eesteren in 1924 ingezonden schets voor het Rokin in Amsterdam dat niet in de smaak valt bij de jury. De Telegraaf meldt:

Van Eesteren zelf is, zoo zeide hij ons, een weinig verbaasd, dat zijn ontwerp bekroond werd omdat het zoo hypermodern is en zijn op gelijke leest geschoeid ontwerp voor de Rokin-prijsvraag, door een jury, met Berlage als voorzitter, werd afgewezen. Wel typisch vindt hij het dus, dat hetgeen vooruitstrevend Nederland verwerpt, door modern Duitschland gretig wordt aanvaard.17

Intermezzo: de Binnenstad

Centraal Station van Amsterdam met op de voorgrond het Open Havenfront, 1897
Centraal Station van Amsterdam met op de voorgrond het Open Havenfront, 1897
Allang voordat de medewerkers van De Graaf een begin maken met studies ter voorbereiding van het AUP, worden er tal van ideeën ontwikkeld en uitgevoerd om de toenemende verkeersstromen op te vangen die het gevolg zijn van de ontmanteling van de Amsterdam als vestingstad aan het eind van de negentiende eeuw. Van grote betekenis zijn de aanleg van het Noordzeekanaal in 1876 en de bouw van het Centraal Station in het open havenfront van het IJ in 1885 waarmee een nationaal en internationaal vervoersknooppunt wordt gecreëerd. Dat heeft consequenties voor de binnenstad waar de verkeersdrukte toeneemt en een aantal grachten wordt gedempt zoals bijvoorbeeld de Martelaarsgracht en de Nieuwezijds Voorburgwal. Het proces van cityvorming, de vervanging van de woonfunctie door werkfuncties, neemt een aanvang. In dat kader ontwerpt de dienst PW plannen die worden opgenomen in het plan Groot Amsterdam.

In 1925 lanceert Cleyndert een eigen ontwerp dat een antwoord geeft op de toenemende cityvorming, een binnenstadsplan waarin een aantal verkeersaders:

…niet alleen tegemoet komen aan de eisen van het verkeer, maar ook ruimte bieden aan hotels, restaurants, grote banken, om de vestiging daarvan op de grachten tegen te gaan.18

Cleyndert wijst onder meer op de betekenis van de Vijzelstraat en van het openbreken van de Haarlemmerhouttuinen. Genoemde plannen monden uit in het Schemaplan voor de binnenstad (de nota Stadsontwikkeling en Verkeer) dat in 1931 wordt besproken in de gemeenteraad.19 Het daarin ontwikkelde verkeersschema is – aldus de toelichting van B&W – opgesteld in samenhang met de uitbreidingsplannen en wordt de binnenstad gezien als onderdeel van een groter geheel.

Een aantal van de voornemens uit dit plan, eveneens bepleit door de Groep Groot Amsterdam20, is later gerealiseerd waaronder de demping van het Rokin en de afbraak van de Haarlemmer Houttuinen:

Het is nog wel gelukt om de Haarlemmer Houttuinen te vernielen. Daar ligt nu de meest dwaze verkeersweg van Amsterdam, die aan de westzijde doodloopt op het Haarlemmerplein en zich aan de oostzijde moeizaam rond het voormalige hoofdkantoor van de Hollandsche IJzeren SpoorwegMaatschappij wringt – dat gesloopt had moeten worden maar geheel terecht een plaats kreeg op de rijksmonumentenlijst.21

Het AUP

Vanaf 1931 wordt het gemeenten toegestaan om plannen op hoofdlijnen op te stellen die goedkering behoeven van de Kroon en gaandeweg kunnen worden ingevuld. Dat is het moment waarop De Graaf en zijn medewerkers hun ambitie tonen: de creatie van een stadsuitbreiding met de allure van de zeventiende-eeuwse grachtengordel22 die geschoeid is op nieuwe principes en gedegen voorstudies. Het wordt een plan dat tegemoet komt aan de behoefte van mensen aan ruimte, groen en licht. Het motto: Groen + Water + Zon = Gezondheid wordt leidend voor de bouw van de Tuinsteden.

Ebenezer Howard
Ebenezer Howard
Geïnspireerd door de filosofie van Ebenezer Howard en het nieuwe denken over woningbouw: niet het aaneenrijgen van woningen in lange straten, maar losstaande woonblokken in het groen. Het wordt ook een plan gebaseerd op gedegen onderzoek, op bevolkingsprognoses, inschattingen van de benodigde aantallen woningen, berekeningen over de toename van verkeersstromen, over uitbreiding van het havengebied en industrieterreinen et cetera.

Uiteindelijk presenteert De Graaf het AUP in november 1934 als uitwerking van de taakstelling om, uitgaande van een groei van de stad tot het jaar 2000 naar 960.000 inwoners23, 50.000 woningen te bouwen in nieuw te ontginnen gebieden die vooral te vinden zijn aan de west- en zuidkant van de bestaande bebouwing. Het plan wordt door de gemeenteraad vastgesteld in 1935 en bij Koninklijk Besluit in 1939 bekrachtigd.

Naschrift

De realisatie van het AUP start al voor de Tweede Wereldoorlog in de wijk Bos en Lommer en duurt tot in de jaren zestig van de vorige eeuw. Daarvan getuigen een aantal bijzondere boeken zoals het monumentale De Nieuwe Grachtengordel onder redactie van Marinke Steenhuis24 en Ton Heijdra’s Amsterdam Nieuw-West. Wim Kok, die in Geuzenveld, Osdorp en Slotervaart heeft gewoond, schrijft in het voorwoord van dit boek:

Ik woon er nog altijd prettig. Er zijn voldoende winkels, je kunt er heerlijk fietsen en dan is er natuurlijk de Sloterplas, waar ons gezin op zondagmiddag zo vaak omheen gewandeld heeft.25

Westelijke Tuinsteden als onderdeel van het AUP (bMA - wiki)
Westelijke Tuinsteden als onderdeel van het AUP (bMA – wiki)
Vanaf de jaren 1980 krijgt de nieuwe grachtengordel te maken met fysieke veroudering, sociaaleconomische achterstanden en integratieproblematiek. Een langdurig proces van stadsvernieuwing wordt ingezet waarbij renovatie, herstructurering en sociaal beleid hand in hand gaan. De waarde van de in het AUP ontworpen groenstructuur wordt herontdekt en versterkt zoals te lezen valt in De Groene Kracht26 van de hand van Yttje Feddes. En wat er op gebied van vernieuwbouw heeft plaatsgevonden in de periode 2000-2021 is opgetekend in de publicatie Super West, Vernieuwing van de Amsterdamse Tuinsteden die is samengesteld onder redactie van Maurits de Hoog en Anouk de Wit. In die periode zijn:

…in de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam 25.312 woningen nieuw gebouwd, gerenoveerd of tot woning getransformeerd, een onwaarschijnlijke operatie. In IJburg werden in deze periode zo’n 12.000 nieuwe woningen gebouwd en in Bijlmermeer 8.000.27

De publicatie Super West is een initiatief van het Van Eesteren Museum dat gevestigd is in het Van Eesterenpaviljoen gelegen aan de Sloterplas. Het museum geeft een goed beeld van de ontwikkelingen in de Tuinsteden van West en organiseert voor belangstellenden excursies door dit bijzondere gebied.

Van Eesterenpaviljoen
Van Eesterenpaviljoen – Foto: Willem Peeters

Noten

1 – Steenhuis, M (red.), De Nieuwe Grachtengordel, De realisatie van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam, Thoth, Bussum 2017 p. 16.
2 – Howard, E., Garden Cities of To-morrow, 1902.
3 – Bruinwold Riedel, J., Tuinsteden, Van Broekhoven, Utrecht 1906
4 – RAPPORT van de commissie ter bestudeering van het vraagstuk van de bouw eener TUINSTAD of van tuindorpen in de omgeving van Amsterdam, Stadsdrukkerij Amsterdam 1929.
5 – Nota van den Heer S. R. de Miranda in zake de vestiging van een tuinstad in het Gooi door de gemeente Amsterdam. Deze nota is als bijlage XIII toegevoegd aan het eindrapport van de Tuinstadcommissie.
6 – Op. cit., p. 183.
7 – Heilinga, H. et. al., Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam 50 jaar, Amsterdamse Raad voor de Stedenbouw, Konklijke Bibliotheek, Den Haag 1985 p. 30.
8 – Cleyndert, H., Nederlandsche Stedebouw en een Gewestelijk Plan voor Amsterdam. “Algemeen Handelsblad”. Amsterdam, 10-04-1923, p. 9. Delpher; https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010656574:mpeg21:p009
9 – Taverne, W., In ‘t land van belofte: in de nieue stadt, Uitgeverij Gary Schwartz, Maarssen 1978 p. 172.
10 – Schram A. en Doevendans K., Plannen over de grenzen heen. Een vakgebied in wording op het Internationale Stedebouwkundig Congres van 1924, Bulletin Knop 2018 p. 104 (https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/154.).
11 – Op. cit. p. 110.
12 – Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de Groep Groot Amsterdam, Het Uitbreidingsplan van Groot Amsterdam, H. D. Tjeenk Willink, Haarlem 1926 p. 5.
13 – Heilinga, op. cit. p. 31.
14 – Ooit is deze prijs, een beurs, ingesteld door de Franse koning Lodewijk XIV in 1666, zie: https://www.wikiwand.com/nl/articles/Prix_de_Rome.
15 – Guarda, S., Cornelis van Eesteren, Meeting the avant-garde 1914 – 1929, Toth Publishers, Bussum 2013 p. 72.
16 – Urban visions for the architectural project of public space – Scientific Figure on ResearchGate. Available from: https://www.researchgate.net/figure/Unter-den-Linden-avenue-project-Berlin-by-Van-Eesteren-C-Urbanismo-Revista-n8_fig2_320338875 [accessed 10 Jun 2025].
17 – NEDERLAND „UNTER DEN LINDEN”. De architect over zijn plannen. UITVOERING NIET ZEKER.. “De Telegraaf”. Amsterdam, 26-10-1925, p. 7. https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:110564645:mpeg21:p007
18 – Heilinga op. cit., p. 66.
19 – Gemeenteblad 1931, afd. 1, p. 253-273
20 – Embden, S. J. van, Amsterdam’s Toekomstige Gedaante, geschreven op verzoek van de Groep Groot-Amsterdam, N.V. Van Munster’s Uitgevers-Maatschappij, Amsterdam 1931.
21 – Rossem, V. van, De belegerde stad, Ons Amsterdam, februari 2013. https://onsamsterdam.nl/artikelen/de-binnenstad-belegerd
22 – Steenhuis, op. cit. p. 84.
23 – Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam, Deel 1 Nota van Toelichting, 1934 p.30.
24 – Zie noot 1)
25 – Heijdra, T., Amsterdam Nieuw-West, René de Milano, Alkmaar/Amsterdam 2010.
26 – Feddes, Y., De Groene Kracht, Uitgeverij Sun, Amsterdam 2010.
27 – De Hoog, M. en De Wit, A. (red.) Super West, Toth, Bussum 2022.
×