Nepal, een klein land in de bergen van de Himalaya, heeft zich altijd aan de westerse overheersing kunnen onttrekken. Zijn levendige hoofdstad Kathmandu is een samenraapsel van gebouwen in uiteenlopende Aziatische architectuurstijlen. Tussen de hindoetempels, boeddhistische pagoden en mogol-heiligdommen springen enkele opzienbarende gebouwen er uit. Bij de aanblik van hun wit gepleisterde façaden en classicistische zuilen waant men zich in het Victoriaanse Engeland.
Maar schijn bedriegt. Het zijn namelijk geen koloniale bouwwerken, want anders dan buurland India werd Nepal nooit gekoloniseerd. Deze gebouwen behoorden eens toe aan de Nepalese Rana-dynastie, die halverwege de negentiende eeuw de macht had gegrepen en het land daarna bijna honderd jaar regeerde.

Daarmee begon de zegetocht van de Rana-dynastie. Meer dan honderd jaar leunde haar macht op een zeer autoritair bewind, dat zich ook in de architectuur weerspiegelde. Zo staat even buiten het centrum van Kathmandu het Rabi Bhawan-paleis, één van de eerste pronkjuwelen van Jang Bahadur. In 1846 betekende de bouw ervan een ware revolutie op het gebied van de Nepalese architectuur. Het classicistische gebouw was een radicale breuk in vergelijking met wat men er voorheen bouwde. De nieuwe stijl was afkomstig uit Engeland, om precies te zijn uit het door de Britten bestuurde buurland India. Van toen af aan werd de traditionele Nepalese baksteenbouw vervangen door wit-gestukte gevels met ornamenten en zuilen.
Daarnaast deinsde Jang Bahadur er niet voor terug om ook andere eeuwenoude gebruiken terzijde te schuiven. In zijn land, waar men geloofde dat goden het lot bepaalden, waren macht en religie altijd innig met elkaar verknoopt geweest. Het koninklijk paleis van de voorgaande dynastie, dat nog altijd in Kathmandu staat, werd daarom door een tempel beschermd. Aan de oevers van de rivier Bagmati stond dan ook het belangrijkste heiligdom van Nepal: de Pashupatinath-tempel.
De eerste Rana-heerser bekommerde zich daar echter niet om. Een heel stuk verderop aan de rivier liet hij een paleis bouwen dat met zijn gigantische omvang symbool stond voor zijn grenzeloze ambities en de tempel helemaal in de schaduw stelde. Het complex besloeg een oppervlakte van veertigduizend vierkante meter. Een deel ervan is nog altijd in bezit van de nazaten van Jang Bahadur.

Overigens onderging niet alleen de architectuur een Britse invloed, ook de levensstijl van de Rana-familie was ‘very British’. Dat is nog altijd te zien aan het interieur van het paleis met wanden vol boekenkasten en flonkerende kroonluchters, maar ook op de familiefoto’s waarop de Rana-mannen westerse kostuums en uniformen dragen. Het volstond voor Jang Bahadur uiteindelijk niet meer om koloniale gebouwen in India als inspiratiebron te laten dienen. Hij zag een reis naar Londen als absolute noodzaak om zichzelf op de hoogte te kunnen stellen van de laatste ontwikkelingen op het gebied van wetenschap, techniek, cultuur en mode. Bij die gelegenheid lukte het hem zelfs om op audiëntie te gaan bij koningin Victoria (1819-1901).
Regeren was bij de Rana’s een allerminst vredelievende aangelegenheid. Jang Bahadur stierf in 1877 nog een natuurlijke dood, maar daarna raakte zijn familie dusdanig verwikkeld in conflicten dat de Nepalese samenleving daardoor in de feodale Middeleeuwen bleef steken. De staatsgrepen regen zich aaneen en de tirannen wisselden elkaar in hoog tempo af, hoewel ze meestal net lang genoeg aan de macht waren om een protserig bouwwerk na te laten.

Lal Durbar
Het meest verbluffende voorbeeld daarvan is het Lal Durbar-paleis in het centrum van de hoofdstad. Het werd gebouwd in opdracht van Bir Shumsher (1852-1901), een neef van de eerste Rana die Kathmandu sterk liet uitbreiden om dit project te kunnen realiseren. Tegenwoordig is er het Yak & Yeti-hotel in gevestigd. De wanden zijn bedekt met marmer, de kroonluchters bestaan uit Murano-glas en de spiegels en tapijten zijn afkomstig uit België. Het complex bestaat uit meer dan tweehonderd ruimtes, waaronder zalen voor dansbals, muziekuitvoeringen en operavoorstellingen.
Net als zijn voorgangers liet Bir Shumsher zijn volk zwaar zwoegen voor de pracht van zijn paleis. Een schier oneindige stroom kisten werd vanuit Europa naar Calcutta verscheept en dan over het spoor naar de trens met Nepal getransporteerd. Van daar werden ze door Nepalese dragers naar Kathmandu gebracht over slecht begaanbare wegen langs afgronden en door smalle kloven.

Niet ver verwijderd van het hectische verkeer en het drukke marktplein van Kathmandu bevindt zich een oase van rust, die eveneens te danken is aan een Rana: Kaiser Shamshere (1892-1964). Naar het voorbeeld van zijn grootouders leefde hij zich begin twintigste eeuw helemaal uit in zijn passie voor kunst en wetenschap. Na vijftig jaar Rana-dynastie liet hij een tuin in Edwardiaanse stijl aanleggen met fonteinen, paviljoens en balustrades. Deze lusthof kwam bekend te staan als de ‘tuin der dromen’ of de ‘tuin van de zes jaargetijden’.
Hoewel wij in het Westen slechts vier seizoenen kennen zijn het er in Nepal zes. In de tuin waren dan ook oorspronkelijk zes paviljoens te vinden, waarvan er nu nog drie bestaan. De aanleg begon in 1920, nadat Kaiser Shamshere een reis door Europa had gemaakt om inspiratie op te doen. Toen buurland India in 1947 onafhankelijk werd verlieten de Britten de regio. De Rana’s verloren daardoor hun bescherming en daarmee hun macht. De oorspronkelijke dynastie keerde uit ballingschap terug en voerde de parlementaire monarchie in.

De bouwwerken van de Rana’s werden voor het publiek toegankelijk, zodat de gezamenlijke bevolking er van kon profiteren. Vandaag de dag doen de opulente bouwwerken van de Rana’s enigszins excentriek aan. Nepal heeft zich al weer lang geleden voor de wereld opengesteld, die daardoor kennis kan nemen van zijn duizendjarige cultuur en spiritualiteit.
De eerste Nederlanders in Nepal
De geboorte van de Boeddha
Schots en scheef de rivier in: de I-35W Bridge
Trulli: opvallende kegelvormige huisjes in Alberobello
Het Binnenhof is nooit lang met rust gelaten