Volksvijand nummer één: de strijd tegen de naoorlogse woningnood

Gezinnen in bunkers en trams
6 minuten leestijd
Aan de Friesestraatweg 70-106 in Groningen bevindt zich van 1950 tot 1954 het zogeheten Tramdorp: negentien afgedankte tramwagons die dienstdoen als noodwoningen voor gezinnen
Aan de Friesestraatweg 70-106 in Groningen bevindt zich van 1950 tot 1954 het zogeheten Tramdorp: negentien afgedankte tramwagons die dienstdoen als noodwoningen voor gezinnen. Uit: Na de bevrijding
Hoe zag het dagelijks leven eruit in de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog? Achter de bekende beelden van wederopbouw en saamhorigheid ging een harde realiteit schuil van schaarste en onzekerheid. In het boek Na de bevrijding. Wederopbouw, schaarste, zuivering laten auteurs Xia van Beuningen, Charlotte Dommerholt en Lieke Speerstra zien hoe gewone burgers omgingen met de naoorlogse problemen, aan de hand van berichten in regionale en lokale kranten. Die bronnen tonen hoe kwesties als woningnood, schadevergoeding en het tekort aan woonruimte het dagelijks leven beheersten. Op Historiek plaatsen we een fragment uit dit boek over de naoorlogse woningnood, die veel Nederlanders dwong tot improvisatie en wonen op plaatsen die daar eigenlijk niet voor bedoeld waren.

Woningnood

In 1949 houdt minister van Wederopbouw Joris in ’t Veld een toespraak tijdens een bijeenkomst over de uitdagingen van de wederopbouw. Vier jaar na de bevrijding staat het er niet goed voor. Hij sluit af met een krachtige boodschap:

De woningnood is thans over alle linies zo nijpend, dat we deze woningnood als vijand nummer één te lijf gaan.

Ook uit opiniepeilingen blijkt dat het gebrek aan woonruimte tot de grootste zorgen van de bevolking behoort. Dat is niet verwonderlijk: het woningtekort leidt tot tal van schrijnende situaties. Zo publiceert een Twents dagblad in oktober 1946 een foto met het onderschrift: ‘De nijpende woningnood leidt tot vele misstanden. In Friezenveen woont een gezin van zeven personen in een oude carosserie, welke een afmeting heeft van 2×3 meter.’ Op de foto staat een jongetje van een jaar of zes naast een vervallen onderkomen in een oude koets. Een dergelijke woonsituatie is onhoudbaar, zeker voor een groot gezin. Toch blijft dit voor veel Nederlanders de realiteit – zelfs nog tot twintig jaar na de bevrijding.

Foto met bijschrift, Twentsch Dagblad Tubantia, 18-10-1946
Foto met bijschrift, Twentsch Dagblad Tubantia, 18-10-1946. Bron: Delpher

Oorlogsgeweld

De woningnood is bovenal te wijten aan het oorlogsgeweld, waardoor veel huizen zijn verwoest. Aan het einde van de oorlog zijn 14.000 boerderijen volledig verwoest of zwaar beschadigd. Daarnaast zijn meer dan 25.000 andere bedrijven getroffen, 1.500 scholen, 900 kerken, 250 ziekenhuizen en 120.000 woningen, waarvan bijna 90.000 als onherstelbaar worden beschouwd. Nog eens 390.000 woningen liepen lichte schade op. Ook de infrastructuur is zwaar getroffen: meer dan 900 verkeersbruggen zijn vernield en 180 spoorbruggen opgeblazen. Schade werd met de schaarse bouwmaterialen zo goed mogelijk gerepareerd, maar alle bouwprojecten vielen stil door een bouwverbod van de bezetters. Tijdens de oorlog zijn er daardoor nauwelijks huizen gebouwd.

Gebouwen en infrastructuur moeten worden herbouwd, maar Nederland staat er economisch slecht voor en er is een gebrek aan alle benodigdheden: hout, staal, metselstenen, kalk, glas, machines, vrachtauto’s en voor de bouwvakkers kleding, schoenen en gereedschap. In een toespraak in juni 1945 erkondigt premier Schermerhorn nog dat hij vertrouwen heeft dat de woningnood in tien jaar zal kunnen worden opgeheven.

Bevolkingsgroei

Volgens berekeningen uit mei 1945 is er dan al een tekort aan 200.000 huizen, maar de bevolking groeit in de naoorlogse jaren sterk. Er wordt jong getrouwd en echtparen krijgen snel veel kinderen, waardoor de vraag naar woningen groter wordt. Om de woningnood te beperken, moeten jaarlijks gemiddeld 70.000 nieuwe woningen worden gebouwd. Maar Nederland zit financieel in de put en deze woningen kosten miljoenen. In januari 1946 waarschuwt de minister van Binnenlandse Zaken Beel dan ook:

…dat men over de oplossing van den woningnood niet te optimistisch mag denken. Materiaalschaarschte binnenslands en de trage leverancies uit het buitenland maken een snelle oplossing voorloopig onmogelijk.

Hij krijgt gelijk want in 1946 komen naast de noodwoningen slechts 1.600 nieuwe woningen beschikbaar.

Vanwege de grote woningnood na de bevrijding gebruikt een gezin een verlaten bunker als huisvesting, 1945
Vanwege de grote woningnood na de bevrijding gebruikt een gezin een verlaten bunker als huisvesting, 1945. Uit: Na de bevrijding

Het duurt nog tot 1947 voor de wederopbouw echt van de grond komt. De Raad voor Herstel en Wederopbouw, die de wederopbouw vanuit de overheid coördineert, geeft prioriteit aan het herstellen van de 390.000 woningen die licht beschadigd zijn. In de jaren daarna, tot en met de jaren vijftig, komen er in totaal 135.000 woningen beschikbaar.

Een omgebouwde synagoge

Pas in 1963, onder minister Bogaers, slaagt de overheid er in de woningproductie op te voeren tot 100.000 woningen per jaar – eindelijk genoeg om de woningnood te verlichten. Het is voor veel Nederlanders bijna onmogelijk om woonruimte te vinden. Leegstaande gebouwen en zelfs bunkers worden tot provisorische woningen omgebouwd. Zo ook de voormalige synagoge in het Twentse Rijssen, die wordt verbouwd tot een huis met winkel. Veel burgers wonen in kleine ruimtes die daar niet voor zijn gemaakt of in woningen van slechte kwaliteit. De huisvestingssituatie neemt zulke dramatische vormen aan dat artsen in 1948 ongerust aankloppen bij de Eerste en Tweede Kamer. Ze verklaren in een motie:

…dat de heersende woningnood een zeer ernstig gevaar oplevert voor de volksgezondheid, zoals dagelijks blijkt uit de gevolgen die zich o.a. uiten in sterke demoralisatie en vele stoornissen van geestelijk evenwicht, benevens toeneming van geslachtsziekten en tuberculose; dat bij het thans bestaande tempo van de wederopbouw dit leidt tot een catastrophale toestand; dat mede daarom het probleem van de volkshuisvesting een uiterst belangrijk binnenlands vraagstuk is, en dat desnoods met voorbijgaan van andere belangrijke problemen onmiddellijke en radicale behandeling vereist.’

Noodwoningen

Om de woningnood tegen te gaan plaatsen veel gemeenten noodwoningen. Een voorbeeld hiervan zijn de tramwoningen in Groningen, negentien afgedankte en tot noodwoning omgebouwde tramwagons. Ook in Haarlem worden tramwagons gebruikt als woningen; daar verkoopt de gemeente ze aan particulieren. Gemeenten sturen aan op woningsplitsing, zodat een adres wordt opgedeeld in twee of meer woningen, voor meerdere gezinnen. De ene familie woont dan op de benedenverdieping, terwijl de bovenverdieping wordt bewoond door een ander gezin. In enkele gevallen is dat zelfs verplicht. Om burgers te stimuleren vrijwillig hun woningen te delen, komt de overheid eind jaren veertig met een subsidie om dit mogelijk te maken. Er wordt weinig van deze optie gebruikgemaakt.

tramwoning aan Goudenregenlaan
Woonkamer in een Hilversumse tramwoning rond 1965. (Archief Gooi en Vechtstreek)

Woningzoekenden grijpen alles aan om onderdak te vinden. Jonggehuwde stellen trekken bij hun ouders in op zolder, gezinnen delen soms een woning of gaan in op louche advertenties. In maart 1947 arresteert de politie in Bloemendaal een pensionhouder die misbruik maakt van de woningnood:

Aan een gezin van 6 personen had hij één kamer verhuurd en vroeg hiervoor een pensionprijs, die 100 pct. hooger lag dan maximum is toegestaan. Bovendien verstrekte hij hun belangrijk minder voedsel dan waar zij van hun bonnen recht op hadden. De bonnen, die hij op deze manier uitspaarde, ruilde hij gedeeltelijk voor tabak en jenever of verkocht ze.’
De woningnood liep eind jaren veertig al sterk op. Hier is een pasgetrouwd stel te zien dat dringend op zoek is naar een woning in Amsterdam, 23 mei 1949
De woningnood liep eind jaren veertig al sterk op. Hier is een pasgetrouwd stel te zien dat dringend op zoek is naar een woning in Amsterdam, 23 mei 1949 (CC BY-SA 2.0 – IISG – wiki)

Sommige burgers zijn zo wanhopig dat ze zelf een huisje bouwen, soms van ‘asbest en boardkarton, tezamen gehouden door een vlechtwerk van dunne latjes’. De overheid is niet gediend van deze creativiteit. In het Overijsselsch Dagblad waarschuwt de Raad voor Herstel en Wederopbouw voor de overlast die het geeft als de jonge stellen die daar wonen weer wegtrekken.

‘Dan staan die hokjes daar; ten halve uitgewoond zullen zij nog slechts aantrekkingskracht hebben voor a-sociale gezinnen, ’n kankerplek in de maatschappij.’

Na de bevrijding
 
In sommige gemeenten wordt de vrije bouw alsnog gedoogd. Toch geeft de overheid een dringende waarschuwing af om deze zogenoemde ‘wilde bouw’ achterwege te laten.

Een groep die het bijzonder moeilijk heeft, zijn terugkerende Joden. Overlevenden van concentratiekampen en onderduik keren terug naar hun vroegere woonplaatsen in de hoop hun leven weer op te bouwen. Daar aangekomen ontdekken zij dat hun woningen tijdens de bezetting zijn doorverkocht of verhuurd aan nieuwe bewoners. Het terugkrijgen van deze huizen blijkt een langdurig, bureaucratisch en uiterst ingewikkeld proces. Pas tegen het einde van de jaren veertig kunnen velen weer beschikken over hun eigen woning. Vaak krijgen ze dan te maken met onverwachte kosten, waaronder belastingen of erfpacht over de jaren van hun ‘afwezigheid’. Voor sommige Joodse eigenaren betekent dit zelfs dat zij hun woning direct weer moeten verkopen om de kosten te kunnen betalen. Zo raken sommigen van hen na de bevrijding opnieuw hun huis kwijt.

~ Xia van Beuningen, Charlotte Dommerholt en Lieke Speerstra

×