Een leven vol cijfers: Claes Pietersz

Vergeten prominenten, deel 10
3 minuten leestijd
Claes Pietersz
Claes Pietersz. De gravure is in 1595 gemaakt in Haarlem.

Aan het eind van de zestiende en in de eerste helft van de zeventiende eeuw bevocht de Nederlandse Republiek niet alleen zijn staatkundige onafhankelijkheid, het kleine land sloeg ook zijn vleugels uit als een machtige adelaar. Enige tijd was de Republiek een wereldmacht, zowel politiek als economisch. Voor dat laatste was goed rekenen en boekhouden van groot belang. Precies het terrein waarop Claesz Pietersz (?-1602) zich bijzonder verdienstelijk maakte.

Het geboortejaar van Claes Pietersz is onbekend, maar het moet ergens in het tweede kwart van de zestiende eeuw zijn geweest. Zijn wieg stond in Deventer. Daarom noemde hij zichzelf later plechtig in het Latijn Nicolaus Petri Daventriensis.

Veelzijdig rekenmeester

Drukkersmerk van Harmen Jansz Muller
Drukkersmerk van Harmen Jansz Muller
Al vóór`1567 had hij zich in Amsterdam gevestigd als schoolmeester. Meer in het bijzonder als rekenmeester genoot hij bekendheid. Hij schreef ook een Nederlands rekenboekje dat in 1567 verscheen. Het was het allereerste rekenboek in de volkstaal. In het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (deel I, 1911) wijst Claes Pietersz’ biograaf C.P. Burger jr. nog op de bijzonderheid dat het rekenboek was gezet uit de zogeheten civilité-letter. Die letter, die het cursieve Gothische schrift weergeeft, kreeg bekendheid doordat de Antwerpse drukker Tavernier hem in 1559 had gebruikt voor het boekje La civilité puérile (De wellevendheid van de jeugd) van Erasmus. Aan die boektitel dankt de drukletter zijn naam.

Aan het rekenboek van Pietersz was blijkbaar grote behoefte, want het is diverse malen herdrukt. Misschien daardoor bemoedigd publiceerde hij negen jaar na zijn eersteling een handleiding voor boekhouden. Ook dat boek was – afgezien van een vrij onbekend Vlaams werkje – het eerste in zijn soort in de Nederlanden.

Opvallend is overigens dat dat boekhoudboek in Amsterdam is uitgegeven. De hoofdstad stond in die tijd namelijk aan Spaanse kant en had zich daardoor geïsoleerd van de andere steden, die de zijde van de Opstand hadden gekozen. Dat drukker Harmen Jansz Muller – de enige toen nog actieve drukker in Amsterdam – Pietersz boek toch op de pers mocht leggen, heeft er vast mee te maken dat auteur en drukker met elkaar bevriend waren.

In reactie op de eerste versie van dit verhaal wijst lezer en econoom Anne J. van der Helm erop dat ‘een vrij onbekend Vlaams werkje’ – waarover C.P. Burger jr. in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek schreef dat het aan Claes Pietersz’ boekhoudboek vooraf ging – beslist geen niemendalletje was. Van der Helm bestudeerde jarenlang de geschiedenis van het dubbelboekhouden. Hij wijst erop dat dr. P.G.A. de Waal in Van Paciolo tot Stevin (Roermond 1927) auteur en titel noemt van het door Burger bedoelde boek. Het gaat om Nieuwe Instructie Ende Bewijs der looffelijcker Consten des Rekenboecks ende Rekeninghe te houdene nae die Italiaensche maniere van Jan Ympyn Christoffels, verschenen in Antwerpen in 1543. Van der Helm heeft daarvan tevens een Franse en een Engelse vertaling aangetroffen. Overigens geeft de uitgever van Nieuwe Instructie Ende Bewijs op het titelblad aan dat het geen originele handleiding van Christoffels betreft, maar de door hem gemaakte vertaling/bewerking van een Italiaans werk, zoals ook Christoffels zelf in zijn inleiding noteert.

Primeur

Zowel de reken- als de boekhoudkunst behandelde Pietersz opnieuw in een breder opgezet handboek, dat eveneens op ruimte schaal gebruikers vond: Practicque om te leeren rekenen, cijpheren ende boeckhouwen (1583). In dat boek liet hij ook zijn licht schijnen over meetkunde en algebra. Ook hiermee had Pietersz weer een primeur. Zijn ‘Practicque’ immers was het eerste Nederlandse leerboek over algemene wiskunde.

In 1588 publiceerde hij opnieuw iets bijzonders: de eerste Nederlandse handleiding voor het gebruik van aard- en hemelglobes. Ook dat werk was gewild, want kort daarvoor waren voor het eerst handelsuitvoeringen van zulke aard- en hemelbollen op de markt gekomen. Hun prijs was nog steeds gepeperd, maar toch al veel lager dan de prijs van de unieke exemplaren die tot dan toe voornamelijk voor de wetenschap werden gemaakt.

Grote Kerk in Haarlem
Rond 1700 gemaakte gravure van de Grote Kerk in Haarlem. (Noord-Hollands Archief)

Zoveel succes wekt altijd wel ergens jaloezie en in Pietersz geval kwam die van ene Willem Goudaen uit Haarlem. In 1581 had Goudaen aan de Grote Kerk in Haarlem een meetkundig vraagstuk laten aanplakken. Ingezonden oplossingen van specialisten als Ludolf van Keulen en Claes Pietersz zweeg hij dood. Hij maakte het zelfs nog bonter. Pietersz had Goudaen een ander meetkunde-vraagstuk gestuurd en de Haarlemmer was zo onbeschaamd dat in 1583 als eigen bedenksel te laten aanplakken.

Claes Pietersz overleed in 1602 in Amsterdam. Vrouw en kinderen had hij blijkbaar niet, want zijn zus Neel was zijn enige erfgenaam. Twee jaar na Pietersz’ overlijden kwam rekenmeester Bartjens met zijn rekenleerboek De Cijfferinghe van Mr. Willem Bartjens. Niettemin bleef Bartens’ naam tot ver in de twintigste eeuw bekend, al was het maar door de zegswijze ‘volgens Bartjens’, terwijl Claes Pietersz naam in de vergetelheid verzonk.

Dit artikel maakt deel uit van de reeks Vergeten Prominenten, over historische figuren die grotendeels uit het collectieve geheugen zijn verdwenen.
×