Een van de oudste herbergen van Schotland, Crook Inn aan de Tweed in grensgebied de Borders, kreeg in 1604 een vergunning om alcoholische drank te schenken. Het is de vroegste vermelding van de herberg, die dus hoogstwaarschijnlijk nog een stuk ouder is. Gelegen aan de weg tussen Edinburgh en Carlisle in Noord Engeland, van oudsher een veeroute die ongeplaveid de kronkelingen in het heuvellandschap volgde, was Crook Inn een oase in een streek die sinds mensenheugenis bekend stond als sparsely populated and lawless.
Niet zonder risico’s dus, maar Crook Inn beloofde iedere reiziger good accomodation for both man and beast. Ook voor drovers, veedrijvers die met hun vee op weg waren naar de markten in Engeland, was Crook Inn een welkome rustplaats. Zelfs een vluchteling van de Slag van Culloden in noordelijk Schotland vond er onderdak. En een echtgenote.
Populair weekblad
Crook Inn – de naam komt van cruiks, ijzeren haken aan kettingen die in de schoorsteen bevestigd waren, waaraan ketels voedsel hingen – is de locatie van een waargebeurd verhaal genaamd A Story of The Forty-five. Het verscheen in Chambers’s Edinburgh Journal. Dit populaire weekblad werd sinds 1832 uitgegeven door de broers William en Robert Chambers, boekhandelaren uit Edinburgh, en bevatte historische en natuurwetenschappelijke artikelen. De meeste stukken schreef Robert zelf, maar ook veelgelezen auteurs zoals Arthur Conan Doyle, schrijver van de Sherlock Holmes verhalen, droegen hun steentje bij. Robert Chambers is verder de auteur van History of the Rebellion of 1745-6 uit 1827, een wijdverspreid boek over ‘The Forty-five.’

Dat is de naam die in Schotland veelal gebruikt wordt om de Jakobijnse Rebellie van 1745 aan te duiden, zoals ‘veertig-vijfenveertig’ bij ons. Het was de laatste van een serie volksopstanden van Stuart-gezinde Highland clans tegen het Hanoveriaanse bewind in Londen, die rampzalig eindigde met de laatste veldslag op het Britse vasteland, de Slag van Culloden van 16 april 1746.
A Story of The Forty-five beschrijft de lotgevallen van de Jakobijnse officier Captain Donald Mór MacLaren, war chief van Clan MacLaren uit Balquhidder, in de nasleep van de slag. Er bestaan meerdere versies van het verhaal die in detail verschillen, zoals over de wijze van gevangenen-transport en de identiteit van MacLaren’s echtgenote. Chambers beschrijft haar als de dochter van de herbergier. Maar volgens Peggi Rodgers, historica van Clan MacLaren, was Donald Mór gehuwd met Beatrice Stewart van de Stewarts of Appin. De clans hadden een eeuwenoude vriendschapsband, waren beide Jacobites en vochten zij aan zij bij Culloden.
Hoe het ook zij, het is lang geleden en The Battle of Culloden heeft talloze zeer dramatische verhalen voortgebracht. Hoeft de hier beschreven versie dus niet 100% historisch te zijn, het is wel de mooiste. Eerst een relaas van de veldslag zelf.
Deel 1 – De slag van Culloden
Het verloop van de slag volgens Schotse historici
Commandolijnen
Samen met z’n landhuurders rond Balquhidder, in huidig natuurpark The Trossachs, gaf MacLaren gehoor aan een brief van Generaal Lord George Murray, hoofdcommandant van het rebellenleger en een zoon van de Hertog van Atholl. De brief, verstuurd in het begin van 1746, bevatte het dringende verzoek om zich met zoveel mannen als hij tot zijn beschikking had bij de legerschare aan te sluiten.

In het vroege voorjaar van 1746 trok een groot Brits leger langs de Schotse Noordzeekust richting het hoofdkwartier van het rebellenleger, de stad Inverness, hoofdstad van de Highlands. Het werd aangevoerd door de jongste zoon van de Britse koning George II van het Huis van Hannover, William Duke of Cumberland. In het stadje Nairn op zo’n 25 kilometer ten oosten van Inverness sloeg Cumberland z’n kampement op.

De gevolgen hiervan bleken uiteindelijk desastreus. Een verrassingsaanval laat in de avond van 15 april op het Britse kamp bij Nairn, waar de manschappen de zesentwintigste verjaardag van Prince William vierden, liep door eenzijdig genomen beslissingen uit op complete chaos. Toen de clans in de vroege ochtend van de zestiende onverrichter zake terugkeerden naar Inverness en naar de plek gedirigeerd werden die Prince Charles – tegen de zin van Murray – uitgekozen had als het slagveld, waren ze volkomen uitgeput van de nachtelijke mars in wind en regen. Ook de aanvoer vanuit Inverness van voedsel voor de manschappen was slecht geregeld. Velen hadden in twee dagen niets gegeten.
Het Jakobijnse leger stond er al met al beroerd voor. De overwinningsroes die na het eclatante succes in de slag van Prestonpans en de inname van Edinburgh tot de veldtocht naar Londen gevoerd had, was volkomen omgeslagen. Het was een campagne in verval en de geldkoffers waren leeg.
Muren
Uitgeput en hongerig vormde wat nog over was van het clanleger op 16 april de linie op een iets boven de omgeving uit bollende vlakte genaamd Drummossie Muir, vijf kilometer ten oosten van toenmalig Inverness. Het weer verslechterde, de wind trok aan en er viel sneeuw en hagel. Harde windvlagen uit het noordoosten bliezen de mannen recht in het gezicht.
Van noordwestelijke naar zuidoostelijke richting stonden de beide linies – met secundaire linies er achter – tegen het einde van de ochtend tegenover elkaar op de heide, gescheiden door zevenhonderd meter hier en daar drassig land. Zevenduizend redcoats verdeeld over drie linies tegenover 4000 clansmen met slechts één kleine secundaire lijn. De clanlinie stond ingeklemd tussen twee ommuurde parken, Culloden Park in het noordwesten en Culwhiniac Park, grenzend aan de rivier de Nairn, een kilometer naar het zuidoosten. Ze verhinderden iedere poging van de regimenten aan de zijkanten om te manoeuvreren, bijvoorbeeld om aan kanonnenvuur te ontkomen of een omtrekkende beweging te maken. In het midden van de halve kilometer lange noordmuur van Culwhiniac Park was een smalle ingang.

Beide parken, omschreven als a plantation of Scotch firs and forest-trees of considerable extent, waren eigendom van Lord Justice General Duncan Forbes, die Culloden House in het noordwestelijke park bewoonde. Forbes was zijn landhuis eind februari ‘46 bij het innemen van Inverness door de rebellen inderhaast ontvlucht en de Stuartprins had er met zijn staf zijn intrek in genomen.
De parkmuren waren hoger en dikker dan normale akkermuurtjes. Er zijn hier en daar nog steeds overwoekerde restanten van zichtbaar in het landschap, hoewel de parken zelf zo goed als verdwenen zijn. Een keurig aangeharkt restant van Culloden Park omringt tegenwoordig Culloden House Hotel. Wat ooit de grand avenue naar het landhuis was, is nu een overwoekerd fietspad naar het stadje Culloden.
Het verdwenen Culwhiniac Park, dat vanaf z’n noordelijke muur gestaag omlaag naar de rivier liep, speelde een grote rol in het verloop van de slag. Een iets lagere muur van turfblokken rond Leanach Cottage vormde ten oosten van Culwhiniac Park een tweede potentiële hindernis voor de oprukkende Jakobijnse rechterflank. Het huisje staat er nog steeds, vlakbij het Culloden Battlefield Visitor Centre, en diende destijds als Brits veldhospitaaltje.

Bressen
Tijdens het lange wachten op aanvalsorders reed Kolonel John O’Sullivan naar Lord George Murray, die de rechtervleugel van de linie aanvoerde. Daar stonden zowel Murray’s eigen regiment de hertogelijke Atholl Brigade als dat van clanchief Lochiel Cameron en de Stewarts of Appin, die laatste met de aan hen gelieerde MacLarens onder Captain Donald MacLaren onder de gelederen.
O’Sullivan, Charles’ woordvoerder, was één van de Seven Men of Moidart, de zeven Schotse en Ierse vrienden die de Stuartprins op de brig Doutelle vanuit Frankrijk naar Schotland vergezeld hadden. Hij wees naar de muur rechts van hen en benadrukte namens de prins het nut van het bezetten van Culwhiniac Park om de redcoats tijdens een aanval van opzij te kunnen beschieten. Er was haast bij want Cumberland kon hetzelfde doen.
Maar Murray antwoordde niet. Hij staarde zwijgend naar de rode linie, vaag zichtbaar in de verte, een hand boven z’n ogen tegen de neerslag. ‘Lord George answered me no more than if I spoke to a stone…’ verklaarde O’Sullivan later. (The ‘45 – Christopher Duffy, 2003)
Niet veel later gaf Cumberland een groot detachement cavalerie en infanterie, zo’n tweeduizend man, de opdracht om ver uit het zicht van de clans in de oostelijke muur van Culwhiniac Park een bres te slaan. In het park begaf de cavalerie zich onzichtbaar onder de bomen over de lager gelegen helling naar de tegenoverliggende muur, die zich schuin achter de Jakobijnse linies bevond, klaar om ook daar een bres te slaan.
De infanterie, bestaande uit een regiment van de immer koningsgezinde Clan Campbell, aartsvijand van Clan Donald, rende heuvelopwaarts naar de noordelijke muur en legden hun musketten op de rand. Het was precies datgene waar O’Sullivan Murray vergeefs op gewezen had.
Orders
Omstreeks één uur ‘s middags hoorden Cumberland’s mannen in Culwhiniac Park het eerste bulderen van de Britse drieponders als een rimpeling door de linie lopen. De cavalerie bij de westmuur wachtte op orders om de muur te lijf te gaan en posities schuin achter de clanlinies in te nemen.
Ook de clans wachtten op orders. Terwijl Cumberland’s kanonschoten minuten lang daverden en de eerste slachtoffers maakten, snakten ze naar een bloederige fracas. Ze vergaten hun honger en vermoeidheid. Maar Prins Charles, die ver achter zijn linies op een lichte verhoging te paard zat, besloot te wachten tot de tegenstanders in beweging kwamen. De onrust onder de mannen werd heftiger. Ze zagen de slachting die zich links en rechts in de stilstaande linie begon te voltrekken en sloegen met hun zwaarden op hun schilden van woede en frustratie, hun legendarische aanvalsdrift op het punt van ontvlammen. Zijwaarts uitwijken en zodoende de linie oprekken om het vuren van de Britse drieponders te ontgaan werd verhinderd door de beide muren waartussen ze ingeklemd stonden.
Terwijl officieren dringend op hem inspraken, gaf Charlie tenslotte toe. Hij stuurde een aide-de-camp naar voren met de opdracht aan te vallen, maar die werd door een kanonskogel getroffen voor hij de linies bereikte. Lord George bemerkte allengs de opwinding die onder de mannen ontstond en gaf zonder verder overleg met de prins zijn regimenten op de rechterflank het aanvalsbevel.
De harde noordoostenwind blies de Britse cavalerie die in Culwhiniac Park bij de westelijke muur wachtte, verwaaide flarden van een oorlogslied toe, gespeeld door Clan Cameron’s doedelzakspelers en tromslagers:
‘You sons of dogs, of dogs of the breed
O come, come here on flesh to feed…’
Culloden – John Prebble, 1961
Van verder uit het noorden nabij Culloden Park, onzichtbaar in de dichte neerslag, hoorden ze MacDonald’s pipers eveneens hun machtige pibrochs snerpen, vervormd door de wind en het bulderen der kanonnen. En nog verder weg in de hagel en sneeuw hoorden ze hun eigen honderd tromslagers het sein tot de aanval slaan. Het was een kakofonie van dood en verderf onder een loodgrijze hemel. De slag van Culloden was begonnen.
Modder en rook
Aanvankelijk schoot Cumberlands artillerie met ronde kogels. Maar naarmate de linies elkaar naderden en precisie minder belangrijk werd, nam de vuursnelheid enorm toe en gingen de kanonniers over op canister shot, granaten gevuld met los grapeshot, zo genoemd vanwege de gelijkenis met een druiventros, of met scrapshot, spijkers, schroot, scherpe steentjes en glasscherven. En waar de Britse kanonniers vakmensen waren, getraind in efficiënt snelvuur vanuit steeds wisselende posities, werden de Jakobijnse kanonnen bediend door willekeurig aangestelde clansmen, die meer verstand hadden van het uitvoeren van de beruchte downhill charge dan van het bedienen van een kanon.

Terwijl de MacDonalds soms tot hun dijbenen in het water stonden en rook van de Britse kanonnen hen als een dichte mist omgaf, maaide vlijmscherp scrapshot hen neer. Toen een zijwaartse rukwind de rook een moment lang wegblies zagen ze op schootsafstand aan de overkant van de moerassige poelen de rood-witte uniformen staan, de musketten geschouderd, gereed voor executie. Spoedig keerden de eerste MacDonalds om en vluchtten weg. In deze omstandigheden stond verder ploeteren gelijk aan zelfmoord. Ze werden hierin ondersteund door enkele Ierse piquets uit de tweede linie die met een vierponder vanachter de muur van Culloden Park een onafgebroken spervuur op de Britse dragoons afvuurden. Degenen die dankzij de Ieren het leven redden, vluchtten over de weg die van Inverness naar Nairn liep en die het slagveld diagonaal kruiste, westwaarts richting Inverness, weg van de gruwelijke slag. Maar nu ze niet langer gedekt werden door de vierponder in het park, werden ze door hen achtervolgende Britse dragoons te paard, die het geschut gemist had, vlug ingehaald en neergesabeld.
Slachting
Voor de middelste regimenten in de Jakobijnse linie, bestaande uit Clan Chattan, een confederatie van een groot aantal kleinere clans onder leiding van Clan MacIntosh, was het terrein voor hun voeten gunstiger. Oprukkend trokken ze naar rechts, weg van het zompige terrein en de vele honderden vallende en vluchtende MacDonalds. Daar bood de weg naar Nairn steviger ondergrond. Dat versnelde hun aanval en dreef hen in de richting van de rechterflank, waar het door de uitstulpende Leanach turfmuur al een drukte van belang was en waar volgens Robert Chambers…
…the Atholemen, Camerons, Appin Stewarts, Frasers and MacLeans also went on, Lord George Murray heading them with that rash bravery for which he was so remarkable.
Ergens in deze groep bevonden zich ook de MacLarens van Balquhidder onder hun war chief, bijgenaamd Dòmhnull Mòr Dròbhair, Big Donald the Drover.
Toen Clan Chattan in dichte kruitrook op de Britten stuitten – de lange musketlopen met gemonteerde bajonetten het eerste wat ze ervan zagen opdoemen, daarachter onder zwarte tricorne hats de ogen vol racistische minachting – vormden ze met Murray’s regimenten vlak achter hen een apart rechter front, gescheiden van de uiteenvallende linkerflank. Een woeste troep Highlanders, gewapend met broadsword of lange Lochaber axe en een musket of pistool, dat echter in de hitte van de strijd na één keer vuren ongeduldig weggesmeten werd. Ze vertoonden…
…een onnatuurlijke woede die op elk gezicht gloeide en in ieders oog fonkelde. Het was een uiting van grote en angstaanjagende passie, die niemand die het aanschouwde ooit kon vergeten. Robert Chambers
Terwijl ze van rechts beschoten werden door het Campbell-regiment vanachter de parkmuur, ‘a most terrible fire at pistol-shot range’, dromden ze gretig verder op naar voren, naar Leanach Cottage, en barstten ondanks doelgerichte salvo’s grapeshot aan de linkerzijde door de voorste redcoatlinie. Daar wachtte hen Cumberland’s gehaast opgemarcheerde tweede linie, die de voorste regimenten aanvulden.
Staggering through the inferno of thick smoke and the bloody bodies of their comrades lying four deep, the Highlanders were mown down in droves. The few clansmen who got through to the second line were skewered on bayonets. Charles Edward Stuart, a tragedy in many acts – Frank McLynn (1988)
De slachting duurde luttele minuten en kostte zevenhonderd clansmen het leven. Hoewel ook Cumberland’s voorste linie aan de Leanach zijde vele slachtoffers kende, raakte de Schotse aanvalsdrift tenslotte uitgewoed. Net als de MacDonalds op links zagen ze rondom hen hun mannen in drommen vallen en voelden ze weldra het uitzichtloze van hun actie.

Geen kwartier
Het weer klaarde iets op en het werd droog. Terwijl de tweede Jakobijnse linie zag hoe in de verte hun voorste linie in een zee van redcoats oploste, kwam Lord George Murray – in het gewoel van z’n paard gevallen en hoed en pruik kwijtgeraakt – terug hollen om hen bij de strijd te betrekken. Lord Kilmarnock’s Footguards en de Royal Ecossois, een Frans regiment van verbannen Schotse Jakobijnen, volgden de generaal naar voren. Ze konden echter niets meer tegen de grote Britse meerderheid aan de frontlinie uitrichten en trokken zich terug langs de parkmuur, onder een spervuur van de koningsgezinde Campbell Highlanders. Na enige malen schieten en herladen zetten die hun musket tegen de muur, trokken het zwaard en stroomden het park uit via de opening halverwege de noordmuur.
The Campbells swarmed out on them, claymore in hand, and furious swordplay ensued. Frank McLynn
Tijdens dit wapengekletter werd weliswaar hun leider Captain Colin Campbell of Ballimore bij de ingang in de noordmuur gedood, maar ze slaagden er wel in de Footguards en Ecossois verder naar achteren te drijven. En nu ontstond achter hen in de westelijke muur van Culwhiniac Park de bres die vanaf het begin van de slag vast had gestaan. Zo’n zevenhonderd dragoons te paard doken op en vielen de beide regimenten aan. De Campbells die uit het park gekomen waren, haalden hun geweren weer op en begonnen hen van grote afstand te beschieten. Dat richtte op zich weinig schade aan, afgezien van opvallend veel verwondingen aan benen en dijen. Met de algehele vlucht weg van Drummossie Muir kwam de Slag van Culloden na veertig minuten ten einde.
‘All has gone to pot…’ riep O’Sullivan Prince Charles op diens verhoging in wanhoop toe en hij probeerde de prins ervan te overtuigen het rokende inferno de rug toe te keren. Charlie weigerde echter halsstarrig mee te komen. Onder ogen zien hoe de sinds de eerste Jakobijnse rebellie in 1715 gedroomde Restauratie van House of Stuart binnen een half uur als een kaartenhuis instortte was hem teveel. Met geweld aan de teugel meegesleurd door mannen van zijn bodyguard werd hij van een zekere dood gered. Hij vluchtte geëmotioneerd langs de Nairn in zuidwestelijke richting de Highlands in. Binnen enkele dagen had hij het halve Britse leger en de Royal Navy achter zich aan.
Maandenlang wist hij zijn belagers op het vaste land en op de Hebriden uit handen te blijven, vooral door de loyaliteit van Clan MacDonald of Clanranald, die paradoxaal genoeg tot de grootste verliezers van Culloden behoorden. Op 20 september 1746 wist hij aan boord van het fregat l’Heureux het land van zijn voorouders te ontvluchten. Hij voer naar Frankrijk en keerde nooit meer terug. Hij stierf in Rome na een hersenbloeding op 30 januari 1788, 67 jaar oud, uit gedroomd en zwaar aan de drank.

Lord George Murray vluchtte na de slag via Rome naar Nederland en vestigde zich in Medemblik. Hij stierf op 11 oktober 1760, 66 jaar oud en ligt begraven achter de Bonifaciuskerk.
Met alle tegenstand verslagen begonnen de redcoats op het slagveld Cumberland’s laatste order uit te voeren: give no quarter, bied geen kwartier. Met inmiddels bebloede, gebogen en stomp gestoken bajonetten werden de gewonde en wegkruipende Schotten op Drummossie Muir geëxecuteerd. Het leverde Prince William de bijnaam Butcher Cumberland op.

Gevangene 2234
Volgens Peggi Rodgers van www.maclaren-history.org is niet bekend hoe Captain Donald MacLaren het slagveld verliet, hoewel er bronnen bestaan die vermelden dat hij tijdens de slag een verwonding aan het dijbeen opliep. Het ligt voor de hand dat hij door zijn mannen, voor zover ze in leven waren, het veld afgeholpen werd, wat hem ongetwijfeld het leven redde. Hij werd zes dagen later gezien bij Finlarig Castle, gezeten op een paard en begeleid door een groep vluchtelingen,‘as fast as they could’ op weg naar Balquhidder, vijftien kilometer verder naar het zuiden. Hij hield zich schuil in de Braes of Leny, een heuvelachtig gebied ten oosten van Balquhidder.
In juli door de plaatselijke Perthshire-militia ontdekt in een huisje in de Braes en na een hevig vuurgevecht gearresteerd, werd hij opgesloten in Stirling Castle. Daar werd hij tweemaal behandeld voor een wond aan het been. In september werd hij als ‘prisoner number 2234’ geschikt bevonden voor transport by cart naar Carlisle in Noord Engeland, samen met ene James King a rebell private man, om daar, officier zijnde, zonder tussenkomst van een krijgsraad geëxecuteerd te worden.
Deel 2 – A Story of The Forty-five’
Gebaseerd op de populaire vertelling in Chambers’s Journal, met enige correcties van Peggi Rodgers
Angstvallig
Op een mistige morgen in de herfst van 1746 stond de herbergier van Crook Inn, George Black, op z’n gemak langs de weg een pijpje te roken toen hij een troepje soldaten in rode jas en witte kuitbroek uit de mist zag opdoemen. Achter hen verscheen een paard en wagen waarop twee geboeide gevangenen zaten, gekleed in vuile tartan plaids. Hij riep de staljongen en droeg hem op het paard naar de stal te leiden en het te voeren. Daarna spoedde hij zich naar binnen om tafels aaneen te schuiven en riep zijn vrouw Mary toe om brood en worst te snijden. Hij hoorde het gezelschap hun musketten naast de deur tegen de muur zetten. De mannen kwamen de gelagkamer binnen, de twee gevangenen in hun midden. Een kort en nogal arrogant heerschap was duidelijk de officier. Hij stelde zich voor als Luitenant Howison en eiste op hoge toon om in een aparte ruimte gezeten te worden.

Maar de MacLaren zag er niet naar uit het slachtoffer daarvan te zijn. Integendeel, de soldaten deelden stukken brood met worst en bekers ale met hem. Het was haast alsof ze ontzag voor hem hadden. Meer dan voor Luitenant Howison in elk geval, dat was wel duidelijk. Als diens naam viel was het steevast begeleid met gegniffel. Hadden ze de veldslag als soldaat zelf meegemaakt? Hadden ze wellicht van maten die er bij waren geweest gehoord hoe de clans door kanonssalvo’s met resten oud ijzer aan flarden werden gereten? Wie zo’n helse kanonnade overleefde verdiende soldatenrespect.
Nieuwsgierig geworden stelde George zich bij de deur op toen z’n gasten de gelagkamer verlieten om het transport voort te zetten. Hij wisselde een korte blik met de lange Highlander in hun midden en kreeg de schrik van zijn leven. Geen van beide liet echter iets van herkenning blijken. Maar zodra hij de deur gesloten had zette hij zich verslagen aan tafel. En toen zijn vrouw zich verwonderd bij hem voegde, greep hij haar handen beet en zei…
Och, our puir puir dochter, our puir Ailie! Wha’ll happen to her noo? That’s Donald Mór they are brenging to Carlisle Castle for hanging… Big Donald MacLaren, our son in law…
Mary sloeg de handen ineen en haar ogen vulden zich met horror. De rest van de dag werd doorgebracht met vreugdeloze arbeid in en rond de herberg. Beide echtelieden waren vervuld van fatalistische gedachten over de toekomst van hun dochter Ailie, nu ze op zulk een jonge leeftijd al weduwe werd en hoogstwaarschijnlijk uit haar huisje ver weg in Balquhidder gezet zou worden. Want niemand keerde ooit terug uit Carlisle Castle.
Tot hun verwondering arriveerde hun dochter niet veel later zelf. Ze was Donald achterna gereisd om in Carlisle om haar man’s leven te smeken. Haar ouders haalden haar over om een etmaal uit te rusten en brachten haar onder in een van de bijgebouwtjes achter de stal.
Tobbe
De mist trok niet meer op die najaarsdag. De soldaten liepen lusteloos voort over de weg naar het zuiden en het paard slofte lijdzaam mee. Geen van allen leek ook maar een beetje alert te zijn. Het was gewoon een vervelende routineklus. Ze brachten een rebel, een heel geschikte vent, naar Carlisle om opgehangen te worden. Alleen Luitenant Howison leek enigszins op zijn hoede. Maar geen van de mannen besteedde aandacht aan hem. Misschien zouden ze oplettender geweest zijn wanneer ze iets van gevangene nummer 2234’s achtergrond hadden geweten.
Zijn bijnaam bijvoorbeeld. Die luidde in de Trossachs Dòmhnull Mòr Dròbhair, Big Donald the Drover. Voor de burgeroorlog uitbrak was Donald MacLaren een veelgevraagde drover. Hij stond bekend als een ware expert en bezat een enorme kennis van het landschap en de droveroads, de herdersroutes, in het grensgebied. Ook de weg naar Carlisle kende hij als zijn broekzak. Het was op deze weg geweest dat hij tijdens een drove de lieflijke Ailie Black tegen het lijf gelopen was. Na een aantal stops in de Crook Inn had hij George om zijn dochters hand gevraagd. Ze waren getrouwd en hadden zich in Donalds cottage in de Braes of Balquhidder gevestigd.
Leek het dus alsof Big Donald met de handen op de rug gebonden op zijn kar verveeld voor zich uit zat te kijken, inwendig was hij uiterst geconcentreerd. Hij telde iedere stap die hem nog scheidde van de Devil’s Beef Tub, de Bieftobbe van de Duivel. Deze bijna tweehonderd meter diepe kloof, ruwweg geschapen als een badkuip, was een bij drovers bekende plaats waar illegaal verkregen vee enige tijd verborgen werd. Als ervaren drover kende hij het ravijn, waar de weg naar Carlisle vlak langs liep, van binnen en van buiten.

De dood te slim af
Tien mijl voorbij de herberg zag Big Donald de subtiele verandering in de weg die hem zo bekend was. De berm werd gaandeweg smaller en leek op den duur geheel weg te vallen. Het was alsof de weg grensde aan een meer van mist, die vanuit de diepte over de rand rolde. Tegen een van de soldaten die naast de kar mee liepen, mompelde hij iets vaags over een sanitaire stop. Die riep de luitenant iets toe. De kar hield halt en de soldaat ontdeed de gevangene van z’n boeien. Hij hielp hem van de kar en Donald schuifelde naar de rand van de weg en hurkte neer. Hij begon ongeïnteresseerd aan zijn plaid te rukken, waarbij de dikke tartanwol over z’n hoofd gedrapeerd werd. Toen liet hij zich opzij vallen en was in een oogwenk in de mist opgelost.
Als een bal rolde hij over de steile helling omlaag de diepte in. Hij hoorde schoten en geschreeuw, maar die verdwenen vlug en werden vervangen door het luide ruisen en knisperen van heide en varen waarmee de helling van de Beefstand was begroeid en die z’n snelheid gaandeweg enigszins afremde. Stenen had hij er nog nooit zien liggen. Bang was hij dus niet. Ieder lot was beter dan de strop, op het schavot van Carlisle Castle.
Ongedeerd kwam de wollen bal met Donald Mòr erin op de bodem van het Ravijn van de Duivel tot stilstand. Hij wachtte tot de duizeligheid wegtrok. Toen stond hij op, klopte het vuil en de bladeren van z’n plaid, klom aan de andere kant weer omhoog de Beeftub uit en begaf zich door de heuvels terug naar de herberg.
De smoes van het pissen, het beschermen van z’n hoofd met de plaid, de val in het ravijn en de tocht door de heuvels terug naar de Tweed en Crook Inn, alles had vastgelegen vanaf het ogenblik dat de poort van Stirling Castle achter de kar dicht viel en ze door het stadje naar de vlakte van de Forth River afdaalden. Captain MacLaren had het plan voor z’n geestesoog zien opdoemen en het goedgekeurd als de beste wijze om de dood te slim af te zijn. Z’n overlevingskans was bovendien aanzienlijk groter wanneer iedere band tussen hem en de innkeeper verborgen zou blijven. Terugkeer naar de herberg om aldaar onder te duiken werd onmogelijk als George zijn schoonzoon herkende en er ophef over maakte. Ook daarom had hij in de gelagkamer zijn gezicht afgewend gehouden van de anderen.
Act of Grace
Laat op de avond liep George Black met een lantaarn even naar achteren om wat turf te halen voor de volgende dag. Voor de tweede maal die dag kreeg hij de schrik van zijn leven toen een stem vanachter de turfstapel zacht zijn naam uitsprak. ‘Gudesake!’ riep hij geschrokken en hij hief de lantaarn op. Een golf van opluchting sloeg door hem heen toen hij zijn schoonzoon herkende. Hij bracht hem vlug naar het achterste bijgebouwtje waar de diep bedroefde Ailie bij het licht van een kaars het leven als weduwe zat te overdenken. Toen ze de deur zag opengaan, deinsde ze terug in verbijstering. Haar stoel tuimelde achterover. De beide echtelieden gleden in elkaars armen terwijl George Black handenwrijvend terugliep naar de herberg om Mary het goede nieuws te vertellen.
Big Donald werd met behulp van vrienden van George en Mary Black op steeds wisselende plaatsen in de Tweed vallei ondergebracht. Tot op 15 juni 1747 de Act of Indemnity uitgevaardigd werd, ook wel de Act of Grace genoemd, waarbij met één pennenstreek in Westminster, op enkele bekende rebellenleiders na, alle overlevenden van Culloden, inclusief gevangene nummer 2234, hun vrijheid herkregen.
Ailie en Donald keerden terug naar de Braes of Balquhidder. Daar aangekomen troffen ze het huisje verwoest aan, een zwartgeblakerde ruïne zoals met onnoemelijk vele huisjes en dorpen in de nasleep van de veldslag gebeurd was. Butcher Cumberland deed zijn bijnaam alle eer aan en liet zijn leger na de slachting op de heide bij Inverness in de hele Hooglanden een brute wraakcampagne uitvoeren. Dagelijkse moordpartijen en verkrachtingen, brandstichting en het nodeloos slachten van vee, samen met een verbod op het dragen van tartan plaids, het dragen van wapens en het spreken van Gaelic, maakten aan de oeroude Keltische levenswijze in de Highlands and Islands voorgoed een einde. Het pacificeren van de Highlands, aangevangen tijdens het protestante bewind van King William III of Orange, was na vele jaren van tegenstand eindelijk succesvol.
Je zou kunnen zeggen dat The ‘45 het moderne Schotland inluidde, met Drummossie Muir als de bloederige poort naar uiteindelijk democratie, emancipatie en welvarendheid. Maar tot op de dag van vandaag wordt de naam Culloden in de Schotse Highlands met gepaste melancholie uitgesproken.
William Kidd (ca. 1655-1701) – Schotse kaperkapitein
Adam Smith – Econoom, liberaal en Verlichtingsdenker
Stone of Scone – De Schotse ‘Steen van het Lot’
De ‘lasterpraatjes’ over Elizabeth Stuart