Beulswerk: geschiedenis van de doodstraf

Bij Just Publishers is recent Beulswerk. Een geschiedenis van de doodstraf (2015) verschenen. Het boek, geschreven door de Duitse journalist Helmut Ortner, behandelt de geschiedenis van het meest rigoureuze vergeldingsmiddel dat er bestaat: de doodstraf.

In het boek staan, naast de historische aspecten van de doodstraf, twee vragen centraal. Ten eerste hoe de staat de doodstraf legitimeert vanuit wetgeving. En ten tweede de vraag naar het standpunt en de maatschappijopvatting van de voltrekkers van het doodvonnis: hoe kijken rechter en beul tegen hun persoonlijke schuld aan?

Achtereenvolgens komen vijf thema’s aan bod: de rituelen rond de doodstraf, de instrumenten waarmee deze wordt uitgevoerd, de beulen, de executie-industrie (de uitbaters die aan de doodstraf verdienen) en ten slotte de omgang van het (algemene) publiek met de doodstraf.

De Romeinse ‘ongeluksboom’

Het eerste hoofdstuk behandelt in vogelvlucht de rituelen rond allerlei soorten executies, vanuit een historisch perspectief. Ortner brengt hier verscheidene belangwekkende zaken naar voren, bijvoorbeeld over het executiemiddel kruisigen. Oorspronkelijk was dit type doodstraf een mensenoffer, die vermoedelijk gebracht werd aan de weergoden. Misdadigers beschouwde men als personen die de toorn van de goden hadden opgeroepen tegen de hele gemeenschap. En dus moesten ze uit die gemeenschap worden verwijderd:

- advertentie -

“De Assyriërs en de Babyloniërs kenden de kruisigingsstraf al, evenals de Perzen, de Grieken en de Carthagers. Er waren uiteenlopende voorlopers van de kruisiging, zoals vastbinden aan een rots of paal, op ophangen aan een boom. Deze straffen hadden hun oogmerk met elkaar gemeen: de uitlevering van de misdadiger aan de elementen. (…) Overigens duidden de Grieken het kruis altijd aan als stauros, wat niets anders dan ‘paal’ betekent. Bij de Romeinen heette het kruis arbor infelix, ‘de ‘ongeluksboom’. (…) In het Midden-Oosten gebruikte men een houten paal om de misdadiger op te spietsen. Klassieke auteurs noemden deze terechtstellingsmethode ‘op het kruis zetten’. Er werd een paal in de anus van de veroordeelde gedreven. Daarna werd de paal opgericht en in de grond gezet. Aan de ongelooflijke kwelling kwam pas een einde wanneer de ongelukkige was bezweken.” (20,21)

Het kruis stond symbool voor het overleveren van de misdadiger aan de elementen van de natuur. Hij of zij hing letterlijk tussen hemel en aarde. Het was een eerloze en schandelijke dood, bedoeld voor misdadigers en criminelen, zoals dieven en moordenaars.

Vierendeling van koningin Brunhilde

Executie van Brunhilde van Austrasië
Executie van Brunhilde van Austrasië
Naast de kruisiging behandelt Ortner nog strafmethoden als de Spaanse schandstok – het garrote vil, ook wel wurgijzer genoemd -, onthoofding, de galg, verdrinken, levend begraven, radbraken en vierendelen. Vierendelen was bijvoorbeeld een straf bij de Alemannen, die daarvoor een flinke hakbijl gebruikten.

Bekender nog is de methode om de slachtoffers met paarden uiteen te rukken. In zijn hoofdwerk Gesta Francorum (Over de daden van de Franken) beschrijft bisschop Gregorius de Grote (ca.540-594) hoe koningin Brunhilde op deze manier, door haar lichaamsdelen aan paardenstaarten vast te binden, uit elkaar gescheurd werd. Maar ook in latere tijden werd deze wrede straf nog uitgevoerd, met als een van de ongelukkigen in 1757 Robert Damiens, die een mislukte aanslag had gepleegd op de Franse koning Lodewijk XV.

Het galgenmaal

Interessant is Ortners verhandeling over doel en betekenis van het galgenmaal, de laatste maaltijd van een terdoodveroordeelde. In de historiografie zijn aan deze maaltijd verscheidene betekenissen toegekend. Eén daarvan is dat de gevangene nog één keer overdadig mag eten om diens gemoed gunstig te stemmen, zodat hij niet als wrekende geest terugkeert op aarde.

Beul onder Lodewijk XV
Beul onder Lodewijk XV
Een andere archaïsche betekenis van het galgenmaal is om de terdoodveroordeelde gunstig te stemmen om zo de executie soepel te laten verlopen. Via het accepteren van het galgenmaal stemt de misdadiger in met zijn aanstaande dood. Zo gaat Ortner even kort in op een gevangenisdirecteur die een terdoodveroordeelde smeekt om toch maar iets te eten voor zijn dood:

“Op zulke momenten wordt duidelijk dat het ritueel van het galgenmaal ook vandaag de dag geenszins een kort, aangenaam respijt is op weg naar het schavot, maar vooral bedoeld is om een soepele gang van zaken te waarborgen. Want door zijn lievelingsgerechten te bestellen en te verorberen toont de misdadiger zijn instemming met wat gaat komen: in zekere zin speelt hij het spel mee, en tekent zo voor zijn dood.” (47)

De beul: outcast bij uitstek

Beulswerk bevat twee casestudies over het beulenwerk, die inzicht geven in de aard van het werk van beulen en het slechte aanzien dat zij hadden. Beulen – als voorbeeld neemt Ortner onder meer de nazibeul Johann Reichhart – leidden praktisch altijd een geminacht bestaan vanwege het vuile werk dat ze moesten opknappen. Dat is al zo sinds lang vervlogen tijden.

Zo mocht de carnifex, de Romeinse staatsslaaf, niet binnen de stadsmuren wonen en evenmin een tempel betreden. Ook bij de Grieken was het een beul niet toegestaan in de stad te wonen. In het Midden-Oosten daarentegen bekleedde de beul juist een hoogwaardige positie en was hij de vaste begeleider van de heerser, zodat hij onverwijld executies kon uitvoeren als zijn baas daarom vroeg.

Beulswerk – Helmut Ortner
Beulswerk – Helmut Ortner
Welke sociale positie had de beul in het middeleeuwse Europa? Ortner schrijft hierover:

“In Europa gold de beul in de laatmiddeleeuwse steden als een verachtelijke persoon bij uitstek. (…) Hoezeer zijn vaardigheden ook nodig waren, de beul gold als outcast. Op veel plaatsen mocht hij een herberg alleen betreden als geen van de aanwezigen bezwaar maakte. Elke andere broodwinning bleef hem en zij kinderen ontzegd. Zijn zoons konden alleen beul worden, zijn dochters moesten beulen huwen. Als hij vee bezat, mocht het niet samen met andermans dieren grazen, en als een beul eenmaal was gestorven, stak niemand een vinger uit om hem te begraven.” (100)

Toch was er geen gebrek aan beulen. Er ontstonden zelfs hele beulengeslachten, die het beroep van vader op zoon doorgaven. Een van de meest bekende beulenfamilies was de Franse familie Sanson, die liefst zeven generaties het beroep van, zoals dat in Frankrijk heette, monsieur de Paris uitoefenden. De meerderheid van alle beulenfamilies uit de Franse geschiedenis was verwant aan deze Sansons.

~ Enne Koops

Bestel dit boek bij:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Gelijk naar geschiedenisboeken over: