In Parijs koos George Orwell voor de armoede, als persoonlijke boetedoening

Passage Parijs
8 minuten leestijd
Rue Mouffetard, in de periode dat Orwell er ronddwaalde.
Rue Mouffetard, in de periode dat Orwell er ronddwaalde. Uit: Passage Parijs
Bij uitgeverij Pelckmans verscheen Passage Parijs. In het spoor van de schrijvers, een literaire promenade door de Lichtstad. In dertig verhalen vangt Dirk Leyman de sfeer van Parijs en wekt hij plekken tot leven waar Franse en internationale auteurs hun sporen nalieten – van Baudelaire tot Houellebecq, van Françoise Sagan tot James Baldwin. Op Historiek publiceren we een fragment uit het hoofdstuk over George Orwell, die in de jaren twintig de Parijse armoede van dichtbij ervoer én erdoor beïnvloed werd.

Snuffelen aan de armoede

‘Je komt erachter dat verveling onlosmakelijk bij armoede hoort; de perioden dat je niets te doen hebt en omdat je ondervoed bent nergens belangstelling kunt voor opbrengen. De halve dag lig je op bed en je voelt je als de jeune squelette in Baudelaires gedicht. Alleen eten zou je in actie kunnen laten komen’
George Orwell, in: Aan de grond in Londen en Parijs, vertaling Arie Storm, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2019, p. 21)

George Orwell
George Orwell op latere leeftijd, 1943
Een nog anonieme schrijver, balancerend aan de zelfkant, in een stad die hem nagenoeg onbekend was. Een ‘revolutionaire snob’ die zich proefondervindelijk voelde aangetrokken door de havelozen, de immigrés en de zwerfkeien. Stond het in de sterren geschreven dat George Orwell (pseudoniem van Eric Arthur Blair, 1903-1950) zich in ‘de [Parijse] buitenwijken van de armoede’ zou begeven?

‘Wat ik in die tijd werkelijk wilde, was een manier vinden om helemaal uit de respectabele maatschappij te verdwijnen’, zo schreef hij zijn intentie later neer in The Road to Wigan Pier (1937). Coûte que coûte wou de Brit in contact komen met ‘de laagsten van de laagsten’. Om er van nabij over te getuigen en zich aan de kant van de verdrukten te scharen, aangestoken door een heftig rechtvaardigheidsgevoel. Een drijfveer waaraan Orwell gedurende zijn korte schrijversleven hondstrouw zou blijven.

Het Parijse avontuur van Orwell – dat zich afspeelde tussen de lente van 1928 en december 1929 – was ontdaan van ieder toefje glitter en glamour. Je kunt hem niet betrappen op enige vorm van extravagant vertier. Tenzij je een luidruchtig bacchanaal in een volkse bistro of een smoezelige cave daartoe rekent. Het stond in schril contrast met zoveel pas gearriveerde expatschrijvers, grote sier makend op de terrassen van Le Dôme of La Closerie des Lilas. Ook het bruisende intellectuele leven in Parijs ging aan de toen 25-jarige Orwell voorbij; tot literaire coterietjes behoorde de slungel van 1,88 meter bijlange niet. Toch had hij daar weleens hardop van gedroomd, zo liet hij bij monde van een personage in Burmese Days (1934) noteren:

Parijs – het is een wirwar van beelden in mijn hoofd; cafés en boulevards, en ateliers en Villon en Baudelaire en Maupassant, alles door elkaar heen. U hebt geen idee hoe de namen van al die Europese steden ons hier in de oren klinken. (…) In cafés gezeten met buitenlandse kunststudenten, en gepraat over Marcel Proust bij een glas witte wijn?’

Eerste editie van Down and out in Paris and London - George Orwell
Eerste editie van Down and out in Paris and London – George Orwell
De schoonheid van de stad ontlokte einzelgänger Orwell slechts sporadisch impressies, zo kun je afleiden uit Down and Out in Paris and London (1933), zijn eerste gepubliceerde boek. Het zijn een soort memoires, waarin hij zijn Parijse en Londense, door (bewust nagestreefde) armoede getekende jaren comprimeert én ook vertekent. ‘As for the truth of my story, I think I can say that I have exaggerated nothing except in so far as all writers exaggerate by selecting,’ aldus Orwell in het voorwoord bij de Franse versie uit 1935, La Vache Enragée. Toch leest het fenomenale boek als een ontluisterende maar nauwkeurige registratie van Orwells overlevingskunsten als tramp in beide hoofdsteden, een ‘levendige schildering van een krankzinnige wereld’, zoals een van de eerste kritieken in de Times Literary Supplement luidde. Al had T.S. Eliot, die naast schrijver ook uitgever was, ooit een eerdere versie afgewezen omdat er nauwelijks samenhang bestond tussen de Parijse en Londense passages. Een opmerking die Orwell ter harte nam.

Groezelige hotels en liters afwaswater

Orwells Parijse ervaringen zijn allerminst wuft. Ze staan stijf van de bedompte restaurantluchtjes, van door kakkerlakken en wandluizen vergeven, groezelige hotels, van muf ruikende kledij en van de bedaagde atmosfeer van pandjeshuizen. En van afwaswater, hectoliters afwaswater. Want zijn voornaamste wapenfeiten in die Franse periode voltrokken zich niet noodzakelijk op papier. Wél in ondergrondse keukens of souterrains, aan de pompbakken van een Parijs luxehotel. Daar ontpopte de bedeesde jongeman – met weliswaar een diploma van de Britse eliteschool Eton op zak – zich in moorddadig hete kelders tot een dienstbaar manusje-van-alles. Hij werd een plongeur. Het was een keiharde stiel. Of noem het eerder een luizenbaan. Je moest duizend ballen in de lucht houden én je kwam subito presto op de laagste trap van de hotelhiërarchie te staan. Gedegradeerd tot voetveeg, zeg maar, ‘in het afvoerputje’ van de maatschappij, waar scheldtirades je dagelijkse deel waren.

‘Uit nieuwsgierigheid hield ik het aantal keren bij dat ik maquereau [makreel] werd genoemd in de loop van de dag, dat was negenendertig keer.’

Maar Orwell hield tijdens die wekelijkse 78 uren slavenarbeid zijn ogen wagenwijd open. Hij verfijnde er zijn al haarscherp afgestelde radar voor onrecht. Zijn sympathie voor de onderklasse was authentiek, al kwam hij dan zelf uit de ‘lower upper middle class’, met een autoritaire koloniaal als vader. Kort daarvoor had Orwell adieu gezegd tegen een functie als politieman en assistentdistrictshoofd bij de Imperial Police in India en Birma. Een helse beproeving:

‘Vijf jaar lang was ik onderdeel geweest van een onderdrukkingssysteem en daar had ik een kwaad geweten aan overgehouden. Ik had een enorm schuldbesef en daar wilde ik voor boeten.’

Wou hij zijn klassenprivilege en Eton-verleden als het ware wegschrobben door aan de onderzijde van de samenleving te pleisteren? Daar, in Parijs, verdiende de in India geboren Orwell zijn aflaat.

‘Je hebt vaak over armoede nagedacht – je hele leven heb je er vrees voor gehad, je wist dat je er vroeg of laat in zou belanden; en het is allemaal zo volstrekt en op een prozaïsche manier anders. Je dacht dat het vrij eenvoudig zou zijn; het is buitengewoon ingewikkeld. Je dacht dat het verschrikkelijk zou zijn; het is voornamelijk smerig en vervelend. Het is het bijzonder gênante van armoede waar je het eerste achter komt; dat je voortdurend ergens anders heen moet, de onaanzienlijkheid ervan, wat er opeens door aan het licht komt.’

‘A simple and solitary life’

Nineteen eighty-fout - George Orwell
Nineteen eighty-four – George Orwell
Toen de later zo beroemde auteur van Animal Farm (1945) en Nineteen EightyFour (1949) in de lente van 1928 in Parijs aanmeerde, was hij literair nog een nobody. Je kon Eric Arthur Blair niet eens een schrijver noemen. Wel was hij uiterst vastbesloten er een te worden, tot afgrijzen van zijn familie. In Why I Write (1947) herinnert hij zich hoe stellig hij zijn voornemen al op heel jonge leeftijd had verkondigd– ‘ik was misschien vijf of zes jaar.’ En:

‘Toen ik om en nabij de zestien was, ontdekte ik plotseling de vreugde van pure woorden, dat wil zeggen de klanken en associaties van woorden.’

Ook zijn journalistieke ambities bleken steil. Terug in Londen groeide zijn fascinatie voor de verschoppelingen en zijn respect voor de ‘common decency’ van de arbeidersklasse. Orwell meldde zich vrijwillig aan in een nachtasiel en banjerde in zwerversplunje door de East End, bij wijze van embedded writing avant la lettre. Het was gewaagde inleefjournalistiek, alsof hij Günter Walraff (Ik, Ali, 1985) voorafspiegelde. Charles Dickens en Émile Zola, en misschien ook Maxim Gorki en Jack London (met zijn boeken over zwerven door Londen en de East End, The People of the Abyss, 1903 en The Road, 1907) waren hierbij zijn literaire leidsmannen. Het mondde uit in The Spike, Orwells eerste Engelstalige gepubliceerde reportage in 1931.

Paspoortfoto van George Orwell uit de jaren 1920
Paspoortfoto van George Orwell uit de jaren 1920
In de lente van 1928 trok Orwell resoluut naar Parijs. Ooit, tijdens zijn terugreis naar Londen vanuit Birma, maakte hij er na aankomst in Marseille vermoedelijk een tussenstop. In Parijs hoopte hij op meer artistieke vrijheid, het bijspijkeren van zijn (redelijke) Frans én verreikender publicatiemogelijkheden. Voeg daaraan toe dat een pond sterling op dat moment 120 francs waard was, waardoor je in de Franse hoofdstad veel verder kon springen met je geldbuidel dan in Londen.

In de praktijk viel dat nogal tegen. Hij kende in Parijs nagenoeg niemand. Behalve zijn tante Nellie Limouzin, een creatuur met bohemientrekjes, die hem af en toe wat grijpstuivers toestak maar waar hij liever geen direct beroep op deed. In de Franse hoofdstad probeerde Orwell zijn prille maar gedreven schrijfsels te slijten. Ook dat lukte amper, al zal hij – nog als E.A. Blair – op 6 oktober 1928 bijvoorbeeld in het magazine Monde van Henri Barbusse het stuk ‘La Censure en Angleterre’ geplaatst zien, zijn allereerste publicatie. Hij schreef in Parijs zelfs twee romans en talloze niet-gepubliceerde verhalen. Het merendeel vernietigde hij nadat uitgevers hem wandelen hadden gestuurd.

Is het waar – zoals zijn biograaf Bernard Crick schreef – dat Orwell in Parijs ‘a very quiet, simple and solitary life’ leed? Onopvallend misschien wel. Maar kalm en rimpelloos? Dat allerminst. Toch zijn de sporen van Orwell in Parijs moeizaam te achterhalen. Zelfs naar een schamel gedenkplaatje zul je vergeefs zoeken. Ook Crick en andere vooraanstaande Orwell-biografen als Michael Shelden bleven opgescheept zitten met veel losse puzzelstukjes en hiaten over zijn Parijse esbattementen. ‘Paris just did not remember Orwell’, noteert Darcy Moore, die zich specifiek in zijn Parijse periode verdiepte. Maar in zijn boek Het spoor van Orwell (2011) deed de Nederlandse biograaf en essayist Marco Daane wel zijn uiterste best om de tegels te lichten van Orwells gangen.

‘Gestold in een toestand van algehele ineenstorting’

Wandelend door de smalle rue du Pot de Fer, in de hoger gelegen regionen van het Quartier Latin in het cinquième arrondissement, benader je wellicht het dichtst de Parijse schim van Orwell. Het wemelt er meestal van de luidruchtige passanten, opeengepakte restaurantjes en ietwat jolige toeristenbarretjes. In Down and Out in Paris and London doopte Orwell de straat om tot de fictieve rue du Coq d’Or en werd er heftig geruzied, gegild en gedonderjaagd.

Rue du Pot de Fer, Parijs in 2011
Rue du Pot de Fer, Parijs in 2011 (CC BY-SA 3.0 – Britchi Mirela – wiki)
Het was een erg smalle straat – een gleuf van hoge geschubde huizen, in vreemde houdingen naar elkaar overhellend, alsof ze gestold waren in een toestand van algehele ineenstorting. Alle huizen waren hotels en tot aan de dakpannen volgestouwd met huurders, voornamelijk Polen, Arabieren en Italianen. Op de begane grond van de hotels bevonden zich bistro’s waar je voor het equivalent van een shilling dronken kon worden.’

Daar, in die lang uitlopende zijstraat van de uiterst levendige rue Mouffetard – waar in de jaren twintig van de vorige eeuw de schapenhoeders nog hun kuddes doorheen dreven – en vlak bij de place de la Contrescarpe, sloeg Orwell zijn tenten op. Hij vond een onderkomen in een van die vele lousy hotels waar je toen voor vijftig francs per week kon logeren.

Passage Parijs - Dirk Leyman
 
Houd even halt aan nummer 6, nu een van de zovele inwisselbare bars waar de waterpijp van hand tot hand gaat terwijl de smartphones driftig worden betokkeld. ‘Mijn hotel heette het Hôtel des Trois Moineaux (De Drie Mussen)’, schreef Orwell. In werkelijkheid droeg het de naam Hôtel des Bons Amis.

‘Het was een donkere, krakkemikkige opeenstapeling van vijf verdiepingen, door houten wandjes in veertig kamers gesplitst. De kamers waren klein en vies zonder dat er wat aan werd gedaan, want er was geen kamermeisje, en mevrouw F., de patronne, had geen tijd om er af en toe een bezem doorheen te halen.’

In die tijd was de buurt nog ongegeneerd volks. Schoenlappers, metselaars, steenhouwers, grondwerkers, studenten, prostituees, voddenrapers: het wemelde er allemaal door elkaar, in krappe behuizingen. ‘Een verzamelplaats van excentrieke mensen – mensen die tot eenzaamheid zijn vervallen, die door de gekte van het leven zijn meegesleept en het hebben opgegeven zich normaal of behoorlijk te gedragen’, aldus Orwell.

Het vervolg van dit hoofdstuk is te vinden in Passage Parijs

×