Parijs, de stad van mythe en mode

6 minuten leestijd
Auguste Renoir, Le Pont-neuf, 1872
Auguste Renoir, Le Pont-neuf, 1872, National Gallery of Art, Washington DC

‘Parijs is het middelpunt van de beschaving’. Dat poneerde Victor Hugo in 1867 parmantig. De Franse schrijver leefde en werkte jaren én jaren in het buitenland, Brussel en de Kanaaleilanden. Parijs toeterde in de tweede helft van de negentiende eeuw wel als een mondaine lokroep. Parijs werd een mythe, niet in het minst dankzij kunstenaars.

Schilder van het moderne leven, zo werd Constantin Guys (1802-1892) gelauwerd door de Franse dichter Charles Baudelaire. Guys had zijn geboorteplek Vlissingen verlaten en trok naar Parijs als oorlogsverslaggever, illustrator voor kranten en chroniqueur van het Franse stadsleven. Als geen ander wist de Nederlander het wervelende leven van de Franse grootstad weer te geven: de revues, de danszalen, de paardenrennen, de bordelen…

In die tweede helft van de negentiende eeuw werd de Franse hoofdstad een synoniem voor plezier en vertier. Een grootschalige stedenbouwkundige ‘poetsbeurt’ droeg daar rijkelijk toe bij. Napoleon III had zichzelf tot keizer van een nieuw rijk gekroond en wou een kapitaalstad naar zijn ‘grandeur’. Napoléon le Petit – zoals Victor Hugo hem smalend noemde – gaf aan prefect Haussmann de opdracht: rechte lanen met platanen, eenvormige appartementsgebouwen met balkons op de piano nobile, parken…

Rue Halévy - Gustave Caillebotte, 1877
Gustave Caillebotte (1848-1894) Rue Halévy, uitzicht vanaf de zesde verdieping, 1878, Museum Barberini, Potsdam

Flaneren op de boulevards werd een activiteit op zich. Zien en gezien worden, het is een menselijke hang waarvoor een stad het gepaste decor schaft. Met de negentiende-eeuwse stedenbouwkundige vernieuwingen en vernielingen werd die kijklens nog uitvergroot. Schilders en fotografen stonden daarbij op de eerste rij. Gustave Caillebotte, wiens vader rijk werd met het verhandelen van dekens voor het leger van Napoleon, schilderde met flair de nieuwe stad met de wandelaars, de zinderende spoorwegen, de appartementsbewoners op hun balkon…

Quai du Louvre 1867 - Claude Monet
Quai du Louvre – Claude Monet, 1867

Stelen met de ogen in het Louvre

Claude Monet, die zelf later naar de groene buitenrand van Parijs verhuist, schildert een impressionistische glimp van dat nieuwe Parijs: Quai du Louvre gezien vanuit vogelperspectief vanop het terras van het Louvre. Het museum bood kunstenaars de gelegenheid werken van beroemde voorgangers te kopiëren. Op voorwaarde dat het doek op hun schildersezel niet dezelfde afmetingen als het oorspronkelijke had. Monet keerde de galerijen de rug toe en keek naar de nieuwe stad.

Eduard Manet, Berthe Morisot, 1872, Van Gogh Museum
Eduard Manet, Berthe Morisot, 1872, Van Gogh Museum
Wie ook ging bijleren in het Louvre, was de jonge Berthe Morisot. Voor meisjes bestond er immers weinig scholing of schilderopleiding. Daar leerde ze Edouard Manet, schilder van het schandaaldoek Déjeuner sur l’herbe, kennen. De impressionist portretteerde haar en er ontstond een artistieke wisselwerking en later huwde Berthe zijn broer die haar toeliet om verder te schilderen. Dat was niet evident want ook al waren de ‘impressionistische’ nieuwelingen de réfusés (geweigerden) van het officiële Kunstsalon, vrouwen waren nog meer persona non grata. Maar zoetjesaan ontluikt de belangstelling – en bewondering – voor de schildertalenten van Berthe, van de Amerikaanse Mary Cassatt, Eva Gonzalès, Marie Braquemond…

Vertier en spleen

De kunstwereld verandert (één van de zovele keren). De meeste kunstenaars balanceerden in die tijd tussen verwonderd gapen naar de veranderde stad, de ontluikende café- en theatergenoegens maar koesterden een mistroostige herinnering aan de oude groezelige wijken die gestaag werden afgebroken en waar ze zelf uit financiële noodzaak woonden en/of hun ateliers hadden.

De dichter Baudelaire, dubbelzinnig als zo vaak, sputtert over de urbanistische en sociale veranderingen. In zijn beruchte bundel Les Fleurs du Mal (de bloemen van het kwaad) staat het gedicht Le Cygne. De Zwaan is de schrijver zelf die zich als een gedesoriënteerde banneling in het nieuwe Parijs voelt.

Het oude Parijs is niet meer.
De vorm van een stad verandert vlugger – helaas! –
dan het hart van een sterveling.
[…]
Parijs verandert! Maar niets in mijn melancholie bewoog!
Nieuwe paleizen, stellingen, blokken,
Oude buitenwijken, alles wordt allegorie voor mij.
En mijn herinneringen wegen zwaarder dan rotsen.
Ook voor dat Louvre is er een beeld dat me bedrukt:
Ik denk aan mijn mooie zwaan, met zijn gekke gebaren,
Zoals vluchtelingen, ridicuul en subliem,
En opgevreten door een onafgebroken verlangen.
Berthe Morisot, Jeanne Fourmanoir sur le lac
Berthe Morisot, Jeanne Fourmanoir sur le lac (Jeanne Fourmanoir op het meer), 1892, olieverf op doek, FAMM Museum, Mougins (The Levett Collection)

Tentoonstellingen van waren

Parijs biedt heel wat verlokkingen: Degas bespiedt de ballerina’s in de opera, Renoir de diensters in het café, of de passanten over de nieuwe bruggen over de Seine. Belangrijke ‘toeristische’ attracties zijn de wereldtentoonstellingen, in feite mercantiele handelsbeurzen. De Exposition Internationale van 1867 showt wat de hoofdstad van het Franse Keizerrijk te bieden heeft:

De wereldtentoonstelling is naast het visitekaartje van Parijs voornamelijk een viering van de industrie. Landen exposeren er hun nieuwste uitvindingen en technische hoogstandjes. De industrialisatie is de katalysator van het nieuwe Parijs. Het is de motor achter de groeiende populatie en de recent vergaarde rijkdom van de bourgeoisie. Deze hogere middenklasse, bestaande uit bankiers, fabriekseigenaars, ingenieurs en beurshandelaars, bezit geen adellijke titel, maar des te meer geld en vrije tijd. Ze zijn een nieuw soort stadsbewoner met nieuwe behoeften. Hun leven draait om consumptie, cultuur in theaters, eten en drinken in restaurants en de nieuwe mode in warenhuizen. Het zijn de eigenaars van Haussmanns Parijs, dat zich grotendeels vormt naar de levensstijl van deze klasse.

Dat alles gaat ten koste van de andere helft of misschien wel de meerderheid van de Parijzenaars: de lagere middenklasse, de arbeider, de immigrant. Hun huizen worden gesloopt, maar de nieuwe woningen zijn onbetaalbaar. De 14.000 mensen op de Île de la Cité moeten noodgedwongen verhuizen.Frouke van Dijke, in de tentoonstellingscatalogus Nieuw Parijs. Van Monet tot Morisot

Claude Monet, Saint Germain l'Auxerrois Paris, 1867
Claude Monet, Saint Germain l’Auxerrois Paris, 1867, Alte Nationalgalerie Berlin

Licht en Duisternis

De Lichtfee Parijs lokt mensen maar stoot ook mensen af. Sociaal verandert de stad: ‘arm’ wordt uit het zicht geweerd. Arbeiders en ambachtslui die zwoegen voor een karig loon, verdwijnen uit het centrum. De woningprijzen van de nieuwe appartementen rijzen immers de pan uit. Nu nog zijn de woonruimtes in Parijs bijzonder krap en dat voor exorbitante prijzen. Toen maakte karikaturist Honoré Daumier er zich al vrolijk over.

Het stadsbeeld wordt ook vrouwelijker. Na decennia onderdrukking worden dames opnieuw actiever.

Ook musea, theaters en warenhuizen vergroten de mobiliteit van vrouwen. In deze semi-openbare plekken ontpoppen ze zich als consument en zo als actieve deelnemers van de samenleving. De Parisienne is niet alleen de mascotte van de mode-industrie, maar ze behoort ook tot de lucratieve nieuwe doelgroep. Dat leidt tot veranderingen in het straatbeeld, zoals de introductie van winkeletalages of de reclamezuil. Vroeger werden met name urinoirs – openbare wc’s uitsluitend voor mannen – met affiches beplakt. In 1868 introduceert de ondernemer en drukker Gabriel Morris de op de ronde toiletten gebaseerde reclamezuil als een hygiënischer en genderneutraler alternatief. Frouke van Dijke, in de tentoonstellingscatalogus Nieuw Parijs. Van Monet tot Morisot

Vrouwen tonen zich. Ze bougeren. Ze eisen een plek op in het openbare leven. Niet verwonderlijk dat ook de kledingstijl van vrouwen daarmee verandert. De hoepelrok, een staketsel van biezen en meters textiel, wordt over de muur gegooid. Met zo’n ronde crinoline kon een vrouw alleen door een dubbele deur, maar nauwelijks door de voordeur naar buiten of in een rijtuig stappen. Rond 1870 verdwijnt die crinoline die vrouwen enkel toeliet zich in een beschutte omgeving – aka de eigen huiselijke kring – te bewegen. 1870 is tevens het jaar van de vernielende Frans-Pruisische oorlog waarbij Napoleon III het onderspit delft. In 1871 wordt Parijs het toneel van de bloederige revolte van de Commune.

Rue Champlain – Charles Marville, ca. 1877, Musée Carnavalet
Rue Champlain – Charles Marville, ca. 1877, Musée Carnavalet

Tournure

Die wijde rok – als een omgekeerd wijnglas (le verre à l’envers) – maakt plaats voor een tournure, een kontkussentje met een sleep. Het waggelt elegant maar er is tenminste meer bewegingsvrijheid. Het levert een beeld van een sierlijk voortschrijdend, wat mysterieus wezen, La Parisienne.

Rond de totstandkoming van de Parisienne als icoon van de stad bestaat een breder verband tussen mode en identiteitsvorming. De 19e eeuw is een tijd van sterk opkomend nationalisme. Een sentiment dat in heel Europa gepaard gaat met de zoektocht (en daarmee de creatie) van de eigen ‘aard’. Mode, met name lokale en nationale klederdracht, speelt hierin een essentiële rol. Ook Parijs grijpt naar de mode om zich een imago aan te meten. Maar de kledingkeuze van de Parijzenaar wordt niet gekarakteriseerd door traditie en conventie: die keuze is juist voortdurend in transitie. Via modetijdschriften verspreiden de laatste trends zich razendsnel en geeft men zich over aan de volgende bevliegingen. […] Mode is Parijs. Parijs is mode.

De preoccupatie met mode kan makkelijk worden weggewuifd als oppervlakkig tijdverdrijf. Niets is minder waar. In het Parijs van de impressionisten staat mode voor vooruitgang net zozeer als de gloeilamp, de stoomtrein en de fotografie. Frouke van Dijke, in de tentoonstellingscatalogus Nieuw Parijs. Van Monet tot Morisot

Jules Séeberger Montmartre
Waterdrager in Montmartre, Parijs – Jules Séeberger legde het alledaagse straatleven vast in 1898

De impressionistische tentoonstelling Nieuw Parijs: van Monet tot Morisot is te zien tot 9 juni 2025 in het Gemeentemuseum in Den Haag. De catalogus is een uitgave van Hannibalbooks.

In Huis Marseille, het fotografie museum in Amsterdam, is verder tot 22 juni 2025 de tentoonstelling Revoir Paris, Parijs door de lens van de gebroeders Séeberger (1900-1907) te zien, met beelden uit de collectie van het Parijse stadsmuseum Carnavalet.

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×