Mensen, mens-dom, monkelende menselijkheid. Zijn leven lang observeerde Jules De Bruycker het menselijk schouwtoneel, La Condition humaine. Met milde ironie tekende, etste en ‘waterverfde’ de Gentse rastekenaar (1870-1945) de krioelende mensenmassa, de tronies en de mombakkes van armoezaaiers, ‘artiesten-rare tisten’ en burgerlui. Een wonderbaarlijke herontdekking van een meesterverteller met een potlood.

Zijn speelse, clowneske geest zet hem tussendoor aan om karikaturen van zichzelf te maken, zelfspot met evenwel diepere betekenislagen: een door het leven getekende, mensenschuwe man treedt naar buiten, een getormenteerde figuur met een neiging tot overdreven zelfrelativering en een voortdurende existentiële angst. Zaaltekst van de tentoonstelling in MSK Gent

Balancerend tussen luim en mistroostigheid schaaft Jules De Bruycker aan zijn prenten. Dense beelden. Details tot in de kleinste hoekjes en kantjes. Met een vergrootglas na te vlooien. Bijna vol vlooien ook. Nietige mensjes in een grote wereld van imposante kerkgebouwen, van een rusteloze stad, van onhygiënische stegen, van vlooienmarkten, toen tweedehandsrommel nog niet ‘vintage’ was, maar een noodzaak om te overleven. Zoemende, openlucht-kleinhandeltjes op de Eiermarkt, de Vrijdagmarkt, rond de Sint Jacobskerk en het Veerleplein oftewel de Place Saint Pharaïlde, zoals hij zelfs schrijft. Jules had zichzelf Frans geleerd, toentertijd een vorm van sociale promotie.

Gentse Kuip
Jules De Bruycker kent ‘zijn’ stad van binnen en van buiten. Een provincienest noemt hij zijn geboorteplek. Het levenslicht ziet hij in de Breidelsteeg (nu Jan Breydelstraat) in de Gentse binnenstad, de zogezegde Gentse Kuip. Met de Franse Revolutie werden de zwarte goederen, het patrimonium van de katholieke kerk verbeurd verklaard en verkocht. Tal van kloosters krijgen een herbestemming als industriepanden, vaak manufacturen van textiel. Gent is een van de eerste geïndustrialiseerde steden op het continent, het Manchester van België. Die nijverheid betekent niet enkel technische vernieuwingen maar ook de lokroep voor goedkope werkhanden, het lompenproletariaat dat samen stouwt in sompige, onhygiënische, promiscue beluiken.
Anderzijds creëert die economische verandering een nieuwe sociale klasse van nieuwe rijken. En die nouveaux riches laten zich ook kennen, zoals in de parade van de burgerwacht, dé Garde Civique.

Die tweespalt in het nieuwe stadsbeeld geeft Jules De Bruycker weergaloos en soms ongenadig weer. Hij kent de maatschappelijke dualiteit vanuit eigen ervaring. Zijn vader was immers behanger-stoffeerder en zijn moeder naaister. Een zeer bescheiden familiebedoening die met een opkomende klasse ‘emplooi’ vindt. Vader De Bruycker is niet ongevoelig voor kunst, voor theater en zelfs voor wetenschap. In het ouderlijke huis zouden prenten van de enigmatische Franse tekenaar JJ. Grandville, van spottekenaars Paul Gavarni, van meesterkarikaturist Honoré Daumier en mogelijks ook van de Zwitserse sociaal bewogen Steinlen hebben gehangen.
Natuurtalent
De kleine Jules wordt naar de Gentse Academie voor Schone Kunsten gestuurd. Niet enkel met oog op esthetische vaardigheden, maar ook met in het achterhoofd het belang voor een ‘decorateur’ om te kunnen tekenen. Dat traditionele kunstonderwijs verveelt de knaap. Hij wil tekenen, tekenen, tekenen… in alle vrijheid. Het straatleven is zijn inktpot.
Zo wordt het verhaal verteld dat hij op zesjarige leeftijd zijn eerste schetsen maakt: de optocht met praalwagens naar aanleiding van de 300ste verjaardag van de Pacificatie van Gent. De tekeningen zouden twee weken te zien geweest zijn op de marmeren tafels van het café/cabaret ‘De Gouden Pluim’ of ‘Au Plumet d’Or’. Zaaltekst uit de tentoonstelling
Het verhaal gaat dat zijn vestzakken uitpuilen van papiertjes met tekeningen die hij onderweg in de stad heeft gekrabbeld en die hij dan thuis uitwerkt. Spontaan, sluiks en treffend geportretteerd.
Maar wanneer zijn vader op zijn veertiende sterft, moet Jules ook de kost verdienen. Als behangersknecht. Dat verveelt hem nog meer. Met Gustave en Léon De Smet, zonen van een decoratiebedrijf en later de spil van de vernieuwende schildersbeweging, de Latemse School, beschildert, beplakt, versiert, bekleedt… Jules tal van café’s, restaurants, burgerhuizen.

gouache (MSK Gent)
Schipbreukleven
Zelf noemt De Bruycker die periode zijn ‘schipbreukleven’, vol artistieke twijfels en geldgebrek. Pas op zijn dertigste waagt hij de sprong naar een voltijds kunstenaarsbestaan.

Het atelier in het Patershol wordt een ontmoetingsplaats voor een gezelschap in een tijd waarin een golf van rebellie doorheen Europa waait. De leden van de kring beschrijven zichzelf als socialisten en zelfs anarchisten. Schrijver Karel Van de Woestijne noteert dat ze “met sombere geestdrift” en “vromere aandacht” anarchistische filosofen lezen (Kropotkin, Grave, Reclus en Hamon) en ze verslinden tijdschriften als “Les Temps Nouveaux”. Het is een periode van vormexperimenten die ook de Gentse kunstenaars boeit. Ronald Soetaert, Prof. Emeritus van de Rijksuniversiteit Gent, probeert al lang het werk en het leven van Jules De Bruycker te doorgronden
In die artistieke smeltkroes van schrijvers, dichters, schilders en denkers vindt De Bruycker zijn inspiratie en zijn modellen; waaronder de pacifistische, linkse tekenaar-schilder-graficus Frans Masereel.

Pikante volksliedjes
In het Gentse uitgaansleven circuleerde ook volkszanger Karel Waeri die hij met zijn kleine gestalte – 1.54 meter – in alle olijke gemoedelijkheid schetst. Waeri (1848-1898) werd met zijn geëngageerde en ‘aangebrande’ liedjes den Gentschen Béranger genoemd, naar de zeer populaire Franse anarchistische zanger Pierre-Jean de Béranger.
‘De Vischmarkt’, liedje gezongen door Karel Waeri op muziek ‘Biribi’ , een aanklacht van de Franse Béranger. In een actuele versie gezongen door Walter De Buck, die ook het huldemomument op de Sint Jacobsmarkt in Gent bedacht.
De politieke en sociale tegendraadse koppigheid van De Bruycker piept – knallend of onderduims – uit zijn vele zwarte-witte of gekleurde prenten. Op de rommelmarkt wordt een beeld van de Franse keizer Napoléon I versjacherd. De postuur is geplaatst naast een… pispot.

Machtsontplooiing of gepoch worden vlijmscherp gehekeld. Het zien en gezien worden van de burgerij op de balkons of in de engelenbak van het theater, – ook daar heeft hij goed naar Toulouse Lautrec gekeken – nemen de uitgaansgeplogenheden – met een binocle! – op de korrel. De wachtzaal voor derde klasse van het Gentse Zuidstation, de opvangtehuizen voor mensen aan de onderkant. Maar evenzo de uitgelaten carnavalsdagen, de bals populaires en zwierende optochten.
Journaille
Maar die volkse vrolijkheid contrasteert met de menselijke eenzaamheid, het alcoholmisbruik, de ouderlingen… waar hij met mededogen en toch een kritische blik naar kijkt. De blinde bedelaar Jacobus Alijn, of wel eens ‘Meneer Slimneus’ genoemd. Ook de verzamelaars dankzij wie hij – min of meer – kan leven, spiest De Bruycker aan zijn argwaan. En dat is zeker zo voor… journalisten die hij niet al te hoog schat. Wanneer hem in 1922 een belangrijke tentoonstelling in de Brusselse topgalerij Giroux wacht, heeft Jules een nachtmerrie dat het gifgroene journaille met hun scherpe pennen in zijn hersenpan steken. De tentoonstelling wordt een succes… maar toch blijft die eeuwige twijfel.

Wroeten en kijken blijft Jules De Bruycker. Observeren als een kroniekschrijver van zijn leefwereld. Kijken ook naar vrouwen want naakten ontbreken niet in zijn oeuvre. Eén van die vrouwen, Raphaëlle De Leyn, vijfentwintig jaar jonger, huwt hij – kort na de Eerste Wereldoorlog – in Londen. De Bruycker is in 1914 over het Kanaal gevlucht. Het frenetieke leven in een wereldstad maar ook de Britse kunstenaars zijn een nieuwe inspiratiebron; zoals de prent van Piccadilly Circus waarvan het jachtige ritme uit de paardenkarrossen klinkt.

Nooit meer oorlog
In 1916 ontstaat in Londen ook de aangrijpende en nekvelpakkende reeks Weer klept de dood over ’t Vlaanderenland, oorlogstekeningen met Pietje de Dood in angstaanjagende verschijningen. Voor die macabere beelden van oorlogswaanzin lijkt De Bruycker goed gekeken te hebben naar de aanklacht La Médaille de Waterloo (het slacht-veld van Waterloo 1815) van de Waalse kunstenaar Félicien Rops. Diableries (duivelsstreken) noemt De Bruycker zijn tekeningen in zwart krijt.
In dezelfde sfeer, iets subtieler maar even goed bijtend, is het etsenalbum uit 1942. Alweer oorlogstijd. Die reeks titelt hij Gens de chez nous, portretten van ‘mensen van bij ons’ en dat als tegenstelling tot de Duitse indringers. Weemoed, spleen… en spot, in betekenislagen is Jules De Bruycker ooit eenduidig en is zijn grafisch werk zowel herkenbaar als veelzijdig. Daarom verdient Jules De Bruycker waardering en aandacht. Al zou hij zelf zeggen:
Il ne faut pas prendre la vie trop au sérieux, qu’un peu de fantaisie n’est pas nécessairement néfaste. (Het leven moet niet al te ernstig genomen worden; een beetje fantasie is niet noodzakelijkerwijs snood.) Geciteerd bij G. Le Roy, 1933
Rood-blauwe stoel van Rietveld – Icoon van De Stijl
Kinderen in de frontlinie: De Russenoorlog op Texel.
Anton Kröller – Leven op krediet
Maqbool Fida Husain, de ‘Picasso van India’