De worsteling met de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog vanaf 1950

Een kwaad geweten – Meindert van der Kaaij
/
7 minuten leestijd
Net in Nederland aangekomen Molukkers. Op 22 maart 1951 kwamen ze met de Kota Inten aan in de haven van Rotterdam.
Net in Nederland aangekomen Molukkers. Op 22 maart 1951 kwamen ze met de Kota Inten aan in de haven van Rotterdam. (Nationaal Archief/Anefo, CC0)

Al ruim zeventig jaar worstelt Nederland met de verwerking van de Indonesië-oorlog (1945-1950). Hoe moeizaam dat verliep, en met horten en stoten, beschrijft Meindert van der Kaaij in het boek Een kwaad geweten.

Het is het vierde boek dat voortkomt uit het grote Indonesië-onderzoek door drie Nederlandse wetenschappelijke instituten, die op onderdelen samenwerkten met Indonesische historici. Volgens Van der Kaaij is de verwerking in Nederland nog altijd niet voltooid. “Het lijkt er, kortom, op dat het boek van deze geschiedenis nog niet is gesloten’’, aldus de allerlaatste zin van zijn slotbeschouwing.

Hij constateert onder meer dat ‘het gesprek met Indonesië over die oorlog nog maar nauwelijks (lijkt) begonnen’. Hoe dat ook zij, op 10 maart 2020 zei koning Willem-Alexander in Jakarta:

“Voor geweldsontsporingen van Nederlandse zijde in die jaren wil ik hier nu, in navolging van eerdere uitspraken van mijn regering mijn spijt uitspreken en excuses aanbieden’’.

Welkom thuis voor een teruggekeerde veteraan. Het is februari 1948.
Welkom thuis voor een teruggekeerde veteraan. Het is februari 1948. (NIMH)
Daarmee brak de koning volgens Van der Kaaij de ban; de auteur noemt het ‘het voorlopige sluitstuk van de verwerking door Nederland van de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog’.

Tegelijk schrijft hij dat het regeringsstandpunt uit 1969 – ‘er hebben van Nederlandse kant wel geweldsexcessen plaatsgevonden, maar de krijgsmacht als geheel heeft zich correct gedragen’ – formeel nog steeds overeind staat. Wat hij bij het schrijven uiteraard nog niet wist, is dat premier Mark Rutte op 17 februari dit jaar, direct na de presentatie van de resultaten van het grote Indonesië-onderzoek, afstand nam van dat regeringsstandpunt uit 1969.

De premier repte in zijn snelle reactie onder meer over ‘stelselmatig en wijdverbreid extreem geweld, tot marteling aan toe’ en constateerde dat dat ‘in de meeste gevallen onbestraft bleef’. Hij bood namens het kabinet excuses aan ‘aan iedereen in ons land die met de gevolgen van de koloniale oorlog in Indonesië heeft moeten leven, vaak tot op de dag van vandaag. En dat omvat alle groepen, inclusief de veteranen die zich destijds als goed militair hebben gedragen’.

Hoe het kabinet hiermee verder omgaat, zal moeten blijken. Maar Rutte heeft met zijn uitspraken nu in elk geval een stap gezet waartoe zijn voorgangers en hijzelf ruim zeventig jaar lang niet bereid waren. Op alle mogelijke manieren – onder meer door een doofpotbeleid – probeerde de Nederlandse overheid sinds 1950 zijn verantwoordelijkheid te ontlopen, zo blijkt glashelder uit het relaas van Van der Kaaij.

Cartoon van Tom Janssen in dagblad Trouw van 13 maart 2020. Met het betuigen van spijt en het aanbieden van excuses in Jakarta heeft koning Willem-Alexander volgens Van der Kaaij ‘de ban gebroken’.
Cartoon van Tom Janssen in dagblad Trouw van 13 maart 2020. Met het betuigen van spijt en het aanbieden van excuses in Jakarta heeft koning Willem-Alexander volgens Van der Kaaij ‘de ban gebroken’. (Trouw/Tom Janssen) – Via AUO

Traag verwerkingsproces

Bij die traag verlopende verwerking speelden naast de regering ook andere instellingen en groepen een rol. Het parlement bijvoorbeeld, naar Nederland gekomen Indische Nederlanders en Molukse KNIL-militairen met hun gezinnen, teruggekeerde veteranen (die vanaf medio jaren tachtig een invloedrijke stem kregen), de media, historici en anderen. Zo hadden kabinetten en vertegenwoordigers van politieke partijen er geen behoefte aan dat hun eigen rol of die van hun voorgangers in de schijnwerpers zou komen te staan. Dat het de laatste jaren wat sneller gaat (overheidssubsidie voor het grote onderzoek en de aangehaalde uitspraken van de koning en de premier bijvoorbeeld) schrijft Van der Kaaij onder meer toe aan het feit dat de organisaties van Indië-veteranen aan invloed hebben ingeboet. Dat laatste is niet zo vreemd: die generatie sterft uit.

Het verwerkingsproces verliep heel lang niet alleen langzaam, maar ook schoksgewijs, zo laat dit boek goed zien doordat het alles nog eens goed op een rijtje zet in drieëntwintig handzame, vrij korte hoofdstukken. Na de aanvankelijke langdurige stilte over wat in de jaren 1945-1950 in Indonesië was gebeurd, onderscheidt de auteur ‘breuklijnen’ in 1969, 1987, 1995, 2005 en 2011.

Oerknal

Na zijn optreden bij de Vara-tv is Joop Hueting later in januari 1969 te gast in politiek café Pieterpoort in Amsterdam. Rechts van hem Joop van Tijn, redacteur bij Vrij Nederland.
Na zijn optreden bij de Vara-tv is Joop Hueting later in januari 1969 te gast in politiek café Pieterpoort in Amsterdam. Rechts van hem Joop van Tijn, redacteur bij Vrij Nederland. (Nationaal Archief/Anefo, CC0)
Het tv-interview voor de Vara waarin veteraan Joop Hueting openlijk sprak over oorlogsmisdaden (1969) noemt Van der Kaaij ‘als het ware de oerknal’. In 1987 ontstond ophef over het concept van een Indië-deel in Loe de Jongs grote seriewerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Onder druk van veteranen zwakte De Jong zijn tekst af – oorlogsmisdrijven werden ‘excessen’.

In 1995 bracht koningin Beatrix een pijnlijk mislukt staatsbezoek aan Indonesië. Onder druk van (opnieuw) veteranen arriveerde ze pas op 21 augustus, niet op 17 augustus, de dag waarop Indonesië het uitroepen van de onafhankelijkheid viert. In 2005 verklaarde minister Ben Bot (Buitenlandse Zaken) dat Nederland tijdens de Indonesië-oorlog ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ stond. En in 2011 stelde de Haagse rechter de Nederlandse staat verantwoordelijk voor het bloedbad in het West-Javaanse dorp Rawagede (9 december 1947). Van verjaring kon volgens de rechter geen sprake zijn.

Strikt genomen bevat dit boek niet zoveel nieuws. Het ontleent zijn waarde er vooral aan dat Van der Kaaij het lange, moeizame verwerkingsproces als geheel overziet en beschrijft. Onwillekeurig blijft het oog natuurlijk wel hangen bij opmerkelijke details. Zo vond ongeveer 60 procent van de Nederlandse bevolking het in 1950 volkomen terecht dat de regering Nederlands Nieuw-Guinea achterhield en niet overdroeg aan Indonesië. Na lang tegenstribbelen liet Nederland het pas begin jaren zestig los, mede onder druk van de Verenigde Staten.

Wat zich in Indonesië heeft afgespeeld illustreert Van der Kaaij treffend door wat hij meldt over Volkskrant-verslaggever Martin Ruyter. Deze interviewde Joop Hueting nog voordat de veteraan in 1969 verscheen op de Vara-televisie. Als student, lezen we, had Ruyter een bijbaantje gehad op de correctie-afdeling van de Telegraaf. Daar werkte een chef die in Indonesië als kanonnier had gediend. Aan Van der Kaaij vertelde Ruyter:

“Als hij (de chef, red.) na het zakken van de krant wat borrels ophad, kon hij triomfantelijk over het geweld vertellen. Zijn groep had bijvoorbeeld eens voor de aardigheid met een kanon een heel dorp in brand geschoten”.

Voor de aardigheid!

Een klein maar pikant nieuwtje is wat er gebeurde toen het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) voor het grote Indonesië-onderzoek de handen ineen sloeg met het NIOD en het Koninklijke Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Het NIMH valt onder het ministerie van Defensie. Van NIMH-directeur Piet Kamphuis vernam Van der Kaaij dat deelname aan het onderzoek het instituut ‘op kritiek vanuit de defensiegemeenschap kwam te staan’. Niet van Indië-veteranen dus, maar van mensen die anno 2016 bij Defensie werkten.

In het presidentieel paleis in Jakarta staat minister Bot op 17 augustus 2005 journalisten te woord. In een toespraak had hij gezegd dat Nederland in de Indonesië-oorlog ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ stond.
In het presidentieel paleis in Jakarta staat minister Bot op 17 augustus 2005 journalisten te woord. In een toespraak had hij gezegd dat Nederland in de Indonesië-oorlog ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ stond. (Reuters/Enny Nutaheni) – Via AUP

PvdA

Uit de PvdA-archieven heeft de auteur opgediept hoe de Tweede Kamerfractie van deze partij door het verschijnen van de ‘Excessennota’ (1969) een opvallende draai maakte. Na het Hueting-interview toonden fractieleden zich vooral bevreesd dat partij-icoon en oud-premier Willem Drees schade zou oplopen als er een onderzoek zou komen naar geweldsmisdrijven in Indonesië. Drees immers had in die jaren politieke verantwoordelijkheid gedragen. De PvdA-fractie wilde de zaak graag zo klein mogelijk houden.

Heel anders stelden de PvdA-Kamerleden zich op nadat in juni 1969 de ‘Excessennota’ was verschenen. Volgens Van der Kaaij sloeg die bij de fractie in als een bom. Fractieleider Joop den Uyl – zelf in de jaren veertig vierkant tegen de Indonesië-oorlog – zag in de verzamelde gewelddadigheden ‘niet een incident, maar een systeem’. Dat was een veel scherpere en juistere conclusie dan het kabinet-De Jong trok. Andere fractieleden probeerden Den Uyl ertoe te bewegen er in de Kamer harder in te gaan dan hij van plan was. Dat konden ze des te makkelijker doen omdat hun vrees niet was uitgekomen dat Drees in de ‘Excessennota’ onder vuur kwam te liggen.

Een kwaad geweten – Meindert van der Kaaij
Een kwaad geweten – Meindert van der Kaaij
Minister Bot was op 17 augustus (onafhankelijkheidsdag) 2005 in Jakarta, waar hij zei dat Nederland in de Indonesië-oorlog ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ had gestaan. Twee dagen eerder zei hij in Den Haag dat zijn aanwezigheid op 17 augustus ‘mag worden gezien als een politieke en morele aanvaarding van die datum’. In zijn in het Engels gehouden speech in Jakarta sprak Bot over de ‘political and moral acceptance of the Proklamasi’ (politieke en morele aanvaarding van de onafhankelijkheidsverklaring, red.). Bot zal zijn woorden in deze politiek gevoelige materie heel zorgvuldig hebben gekozen. Daarom is de kanttekening gepast dat ‘aanvaarding’ (we leggen ons er maar bij neer) nog iets anders is dan het verdergaande ‘erkenning’. Jammer dat Van der Kaaij nalaat daarop te wijzen. Het is echter een kleine aanmerking op een verder prima boek.

~ Ronald Frisart

Boek: Een kwaad geweten – Meindert van der Kaaij

Podcast over de publicatie

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken