Week van de koloniale geschiedenis

Oorlogsmoeheid: Brits-Franse problemen aan het eind van de Eerste Wereldoorlog

HMS Queen Mary explodeert op 31 mei 1916, tijdens de Slag bij Jutland
HMS Queen Mary explodeert op 31 mei 1916, tijdens de Slag bij Jutland

De democratie in Groot Brittannië liep eigenlijk gedurende de gehele oorlog gevaar maar de problemen met de militaire top werden midden 1917 acuut. Het begon er mee dat de minister van marine, Carson, weigerde admiraal Jellicoe te ontslaan. Dat ontslag werd door Lloyd George noodzakelijk geacht omdat hij vond dat van Jellicoe, na de slag bij Jutland, onvoldoende gezag uitging en de sfeer in de Britse marine defaitistisch was geworden. Ook diens maatregelen tegen de verschrikkelijke verliezen bij de Britse koopvaardij als gevolg van de Duitse duikbootactiviteiten achtte Lloyd George volstrekt onvoldoende.

Carson weigerde echter aan dit ontslag mee te werken en daagde daarmee het gezag van de Britse minister-president openlijk uit. Deze besloot daarop zowel Carson als Jellicoe van hun functie te ontheffen hetgeen tot enorme opschudding in de Britse pers leidde en het voortbestaan van de regering hing geruime tijd aan een zijden draadje. Eind 1917 werd de situatie wederom kritiek.

Douglas Haig, de Britse opperbevelhebber aan het westelijk front
Douglas Haig, de Britse opperbevelhebber aan het westelijk front
Lloyd George raakte er van overtuigd dat de Chief Imperial Staff, generaal Robertson, generaal Haig en enkele andere hoge militairen openlijk en in het verborgene oppositie tegen hem en zijn regering aan het voeren waren met als doel de regering omver te werpen. De Britse minister-president zag zich genoodzaakt in te grijpen en hij besloot Robertson en Haig te verwijderen. (17)

Dat was natuurlijk een ingreep met uitermate verstrekkende gevolgen en hij stuitte dan ook op enorme weerstanden. Uiteindelijk lukte het hem pas na zeer veel moeite en met groot gevaar voor het voortbestaan van zijn kabinet, zich van Robertson te ontdoen maar Haig ontsprong de dans door zijn “kameraden in het kwaad” te verloochenen en eieren voor zijn geld te kiezen. (18)

Lloyd George schreef later in zijn memoires:

“we were about to witness a very determined effort- not the first nor the last- made by this party to form a cabal which would overthrow the existing War Cabinet and especially its Chief, and enthrone a Government which would be practically the nominee and menial of the military party”. (19)

Bij zijn besluit om deze topmilitairen van hun functie te ontheffen kreeg hij zeer weinig medewerking van de Britse koning. Die stond openlijk achter de generaals. Hij vond dat de regering zich te veel met de militairen en hun operaties bemoeide en dat Lloyd George de oorlogvoering aan de militairen moest overlaten. Hij gaf dan ook pas zijn goedkeuring aan de ontslagen nadat Lloyd George met aftreden had gedreigd. (20)

We mogen stellen dat het aan de moed, durf en daadkracht van de Britse premier te danken is geweest dat in Groot-Brittannië niet een zelfde situatie ontstond als in Duitsland waar de politici niet de kracht konden opbrengen om de legerleiding onder controle te houden met als gevolg dat daar de generaals het in grote lijnen voor het zeggen kregen.

Uit dit alles blijkt wel dat zowel de politieke, sociale en militaire situatie ook in Groot-Brittannië, met name ook in het laatste oorlogsjaar, verre van bevredigend was en dat ook hier de democratie voortdurend gevaar liep, de militairen ook hier meer macht wilden en het voor de Britse regering ook om die redenen belangrijk was, snel een eind te maken aan de oorlog vóórdat de omstandigheden zich tegen haar zouden keren of, een mogelijkheid waarmee Lloyd George terdege rekening hield, vóórdat de positie van de Amerikanen in de oorlogvoering zo overheersend zou worden dat zij- en niet de geallieerden, de komende wapenstilstands- en vredeseisen zouden kunnen bepalen. Dat die vrees niet irreëel was bleek wel uit opmerking die de Amerikaanse president in de zomer van 1917 tegen kolonel House maakte toen hij zei:

“Engeland and France have not the same views with regard to peace that we have… but after the war, we can force them to our way of thinking because by that time they will be financial in our hands.” (21)

Een Britse vredespoging

Generaal Erich Ludendorff
Generaal Erich Ludendorff
Gezien het voorgaande kan moeilijk ontkend worden dat generaal Ludendorff’s plan om te proberen nog korte tijd door te vechten om zo betere wapenstilstandseisen te realiseren niet zo irreëel was als wel vaak is voorgesteld.

Ook de vraag of Duitsland inderdaad nog korte tijd had kunnen doorvechten kan niet zonder meer als “onmogelijk” van de hand worden gedaan en we weten dat de geallieerden daar zelf terdege rekening mee hielden. Het feit dat de Duitsers eind 1918 nog een reservemacht van 600.000 á 700.000 man op de been konden brengen en de lichting 1901 spoedig onder de wapenen zou komen, maakte de vrees aan geallieerde zijde dat de Duitsers de strijd nog zouden kunnen doorzetten ook niet zo onlogisch. Het is dan ook tekenend voor de situatie dat de Britten nu voor het eerst voelhorens uitstaken om tot vrede te komen. Een verklaring van de Britse minister Balfour (16 mei 1918) dat Engeland mogelijk bereid was vrede te sluiten op redelijke voorwaarden werd door Ludendorff echter arrogant van de hand gewezen. Een nieuwe Britse poging om tot vredesbesprekingen te komen werd gedaan tijdens een conferentie in Den Haag over de uitwisseling van krijgsgevangenen. In eerste instantie leek deze meer kans van slagen te hebben. Van Duitse zijde werd prins Hatzfeldt Wildenburg afgevaardigd. Hij voerde besprekingen met Sir George Cave over een zogenaamde “compromis vrede” (22) Ook deze poging mislukte echter omdat de verantwoordelijke Duitse minister Kuhlmann, die in de Rijksdag al openlijk verklaard had dat Duitsland de oorlog niet meer met de wapenen kon winnen en zeker positief zou hebben gestaan tegenover deze Britse poging, door het ingrijpen van Hindenburg en Ludendorff, gedwongen werd in juli af te treden.

Een en ander geeft echter wel aan dat nog slechts enkele weken vóór de fatale 8ste augustus (de zwarte dag voor de Duitse strijdkrachten) de Britten, door de militaire en politieke situatie gedwongen, nu toch ook serieus aan vredesonderhandelingen dachten. Helaas werden die wederom geblokkeerd door de Duitse legerleiding.

Toch was de politiek van Lloyd George in de laatste oorlogsmaanden gericht op het bereiken van een spoedige vrede. Tot vlak voor de wapenstilstand van 11 november en vooral ook na de bespreking tussen de regering en generaal Haig van 19 oktober was de algemene mening bij de Britten, dat als de oorlog nog lang zou moeten voortduren, een “soft peace” wellicht geaccepteerd zou moeten worden. (23) Lloyd George deed ook tijdens de besprekingen te Versailles nog moeite om Clemenceau en Foch te overtuigen dat te zware wapenstilstandseisen mogelijk niet door de Duitsers zouden worden geaccepteerd, met alle gevolgen van dien, overigens zonder succes.

Ferdinand Foch
Ferdinand Foch
Het voorgaande geeft toch wel aan dat het Ludendorff-plan zeker kans van slagen zou hebben gehad. Of het Duitse leger nu wel of niet meer de kracht zou hebben gehad om nog enige tijd door te vechten was eigenlijk niet meer zo relevant. Wel relevant en zelfs bepalend was, hoe de geallieerden- en met name de Britten, die kracht inschatten en in hoeverre ze daar hun beslissingen door lieten beïnvloeden.

Hindsight vertelt ons nu dat ze natuurlijk veel te pessimistisch waren en bij hun inschatting van de situatie de plank hopeloos missloegen. Maar juist dat element en eigenlijk alleen dat element was bepalend voor de geallieerde meningsvorming over het al dan niet voortzetten van de strijd en uit de besprekingen te Londen op 19 en 25 oktober, weten we dat men er van overtuigd was geraakt dat de Duitsers nog niet waren verslagen en dat de strijd nog lang zou kunnen duren.

Ik herhaal nog maar eens de woorden van Lloyd George, die opmerkte dat als de Duitsers nog in staat waren om zich achter de Rijn terug te trekken en het tot de winter zouden kunnen uithouden, voortzetting van de oorlog waarschijnlijk geen zin meer had en dat hij vreesde dat het Franse en Britse volk zulk een voortzetting ook niet meer zouden toestaan. Lloyd George zei dit, nadat hij van zijn bevelhebbers had vernomen dat zij dachten dat de Duitsers inderdaad nog konden doorvechten en dat de strijd dus zeker nog na de winter zou moeten worden voortgezet. Zijn opmerking was in dit verband derhalve van eminent belang en toonde aan dat hij er serieus over dacht snel een eind aan de strijd te maken. De enige manier waarop dit kon worden bereikt was door Duitsland redelijke wapenstilstandseisen te bieden.

Er zijn historici die vinden dat de mening van Groot-Brittannië en een eventuele beslissing om een vroegtijdige (aparte) vrede te sluiten, niet van doorslaggevend belang zou zijn geweest. Zij stellen dat Frankrijk en Amerika de strijd dan zeker hadden willen voortzetten. Dat is echter toch zeer de vraag. Als Groot-Brittannië de strijd zou hebben gestaakt, dan was het zeer onzeker geworden of de Verenigde Staten nog wel alleen met Frankrijk hadden willen door gaan en niet een afzonderlijke vrede met Duitsland zouden hebben gesloten. President Wilson was niet zo overtuigd van de Franse motieven. Toen hij vernam dat de geallieerden al bezig waren met het formuleren van wapenstilstandseisen zonder hem daarin te kennen was hij razend. Toen hij ook nog hoorde dat de Franse eisen uitermate zwaar waren, ontbood hij de Franse ambassadeur in Washington en deelde hem mee geschokt te zijn. “Als het Amerikaanse volk te weten komt hoe ver jullie willen gaan” zo beet hij de ambassadeur toe, “dan zal het mij dwingen de Amerikaanse troepen uit Europa terug te trekken”. (24) Op 15 oktober 1918 stuurde de Britse ambassadeur nog een telegram aan zijn regering waarin hij schreef:

““that the president was outstandingly fearful that the Allied naval and military authorities might urge an armistice so humiliating, (en dat was duidelijk wel het plan van de Fransen, HA) that Germany could not accept it. His mind appeared to be set upon the kind of armistice which would leave no rancour and demonstrate the high plane on which the Allies stood”. “

Overigens, na de wapenstilstand zou de houding van de Amerikaanse president ingrijpend veranderen en zou hij zijn edele motieven volledig prijsgeven. Ik kom daarop nog nader terug.

Waren de Britten er dus nog niet zo zeker van dat ze de oorlog na het invallen van de winter nog zouden kunnen continueren, er zijn critici die wijzende op de veel positievere meningen van de Amerikaanse opperbevelhebber Pershing en maarschalk Pétain die zich wel onomwonden zouden hebben uitgesproken voor voortzetting van de oorlog met alle middelen.

Als dat al het geval is geweest, dan moet men toch goed in het oog houden op welk moment deze generaals hun mening ter zake kenbaar maakten (en dat was veelal in hun memoires nadat de oorlog was beëindigd) en of men niet te veel waarde heeft gehecht aan de mening van deze militairen. Het waren toch de politici en niet de militairen die uiteindelijk uitmaakten hoe de vredesvoorwaarden zouden gaan luiden en of de oorlog wel of niet spoedig moest worden beëindigd.

Generaal John Pershing in 1918
Generaal John Pershing in 1918
In het geval van Pershing werd dat wel heel duidelijk. Op 26 oktober 1918 zond president Wilson hem een telegram waarin hij om zijn mening vroeg over het Franse plan Duitsland in te trekken en daar bruggenhoofden te bezetten na de wapenstilstand. Wilson zelf was daar tegen en vond dat dit plan praktisch overeenkwam met een invasie op Duits grondgebied. Hij was bevreesd dat Duitsland daardoor mogelijk de wapenstilstandseisen zou weigeren. Pershing antwoordde dat hij zijn mening hieromtrent al (op eigen initiatief) aan de Opperste Oorlogsraad (Suprême War Council) had doen toekomen en dat hij daarin had gewezen op de zijns inziens schitterende mogelijkheden om Duitsland tot een “unconditional surrender” te dwingen.

De president was razend. Hier maakte een ordinaire generaal zijn mening, die grote politieke consequenties had, zonder toestemming of medeweten van zijn politieke superieuren, openbaar. Pershing werd beschuldigd “Glory mad” te zijn en tevens verantwoordelijk voor de grote verliezen onder de Amerikaanse troepen.

Op de 27e kwam er ten overvloede nog een rapport van de persoonlijke vertegenwoordiger van Wilson in Frankrijk, kolonel House, binnen waarin die mededeelde dat Foch en Clemenceau beiden van mening waren dat Pershing een slecht generaal was en dat zijn verliezen veel groter waren dan noodzakelijk. Inmiddels deden geruchten de ronde dat Pershing er op uit was zich verkiesbaar te laten stellen voor het Amerikaanse presidentschap en dat deed de deur natuurlijk helemaal dicht. (25)

De beweringen dat Frankrijk en Amerika de oorlog zeker hadden willen voortzetten en er absoluut niets voor voelden om Duitsland gunstige voorwaarden toe te staan zijn voornamelijk gebaseerd op de uitlatingen van de Franse en Amerikaanse generaals.

In werkelijkheid zaten president Wilson en Lloyd George, die steeds bevreesd waren dat te zware eisen door Duitsland zouden worden geweigerd, veel meer op één lijn, zeker in de periode dat de wapenstilstand nog gesloten moest worden, en was het voornamelijk Clemenceau die er een andere mening op na hield.

De eenheid tussen de geallieerde leiders zou pas worden hersteld toen Duitsland in 1919 tenslotte het vredesverdrag van Versailles onder protest had getekend. Tot dat moment bleven de geallieerden onzeker over de uiteindelijke houding van Duitsland. Zij waren niet alleen nog steeds onzeker maar zelfs bevreesd dat Duitsland op het allerlaatste toch nog verzet zou gaan bieden en zelfs de strijd weer zou hervatten. De reden daarvoor was dat na de wapenstilstand de geallieerde strijdmacht snel aan het inkrimpen was. In november 1918 hadden de Fransen 198 divisies aan het front staan, in juni 1919 waren dat er nog maar 39 en men was er niet zeker van dat die troepen in geval van een Duitse weigering het vredesverdrag te ondertekenen, nog tot vechten bereid zouden zijn. (26) Natuurlijk, het Duitse leger was verslagen, maar haar commandostructuur tezamen met honderdduizenden getrainde manschappen waren nog steeds beschikbaar. Dat bleek nog eens duidelijk toen Duitse troepen, direct na de wapenstilstand in de Pathische Staten opnieuw- en nu met stilzwijgende goedkeuring van de geallieerden- in de aanval gingen, nu om de Duitse Oostgrens te verdedigen tegen het opdringende Rode Leger, en daar verrassende resultaten behaalden. Begin mei 1919 veroverden ze zelfs de stad Riga. (27) De oorlog ging daar dus eigenlijk nog gewoon door!

Woodrow Wilson
Woodrow Wilson
Het was ook toen dat de geallieerden openlijk moesten toegeven niet meer de militaire macht te hebben daar iets aan te doen en men begon zich nu ook grote zorgen te maken over deze ontwikkelingen. De Duitsers traden zo zelfverzekerd op dat toen de geallieerden militaire waarnemers naar dat gebied wilden sturen, die bij het Duitse opperbevel een visum moesten aanvragen alvorens ze toestemming kregen om het gebied binnen te gaan. Pas toen de geallieerde wapenstilstandscommissie de Duitse regering dreigde de wapenstilstand niet te zullen verlengen als die niet onmiddellijk bevel gaf de strijd te staken en Riga te ontruimen, lukte het om de Duitsers aldaar te stoppen. (28)

Men realiseerde zich plotseling ook dat ondanks dat Duitsland de oorlog verloren had, er nog steeds zo’n 75 miljoen Duitsers en slechts 40 miljoen Fransen waren en dat een hernieuwing van de strijd toch mogelijk nog wel eens problematisch zou kunnen worden.

Ook hieruit blijkt wel dat de geallieerden, ondanks hun overwinningsroes, toch tot op het allerlaatst de adem inhielden en er niet zeker van waren dat ze Duitsland definitief onder de knie hadden gekregen. De eerder genoemde verklaring van Foch in juni 1919, dat hij voor een invasie van Duitsland te weinig troepen tot zijn beschikking had, spreekt in dit verband boekdelen.

Een zelfde situatie deed zich ook vóór en tijdens de besprekingen over de wapenstilstand in november 1918 voor. Ondanks alle beweringen van het tegendeel, waren de geallieerden toen werkelijk aan het absolute eind van hun militaire en vooral logistieke mogelijkheden gekomen.
Niemand, maar dan ook niemand, bevroedde ook maar een moment dat de Duitsers toen inderdaad al aan opgeven dachten en de Britse admiraal Fisher sloeg de spijker op z’n kop toen hij verklaarde dat…

“…de door Duitsland aangevraagde wapenstilstand ’n “mirakel was geweest dat precies op tijd was gekomen omdat de geallieerden aan het eind van hun krachten waren”

Het was tenslotte de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Lansing, die na de oorlog schreef dat men dit nu wel kon ontkennen en kon beweren dat Duitsland in november reeds op het slagveld verslagen was, maar dat de geallieerden er toen juist van overtuigd waren geweest dat Duitsland de strijd nog kon voortzetten en nog lang niet was verslagen en dat daarom de onzekerheid over het vaststellen van de wapenstilstandseisen volkomen begrijpelijk was geweest.

Te zware eisen zouden voor Duitsland immers rede kunnen zijn de strijd nog voort te zetten en daar zat zo langzamerhand niemand meer op te wachten, integendeel. Er waren ook nogal wat tegenstellingen ontstaan tussen de geallieerden! We lezen:

“Ludendorff could count on diverging basic interests between the Anglo Saxon and the French Allies. While France intended to guarantee her future security by a complete and decisive victory over Germany, Gr.Brittain and the USA were not interested in a dominant or even hegemonic French position in Europe after the elimination of Russia and Germany as leading Powers.”

Ook hieruit blijkt wel dat als Groot-Brittannië de oorlog snel had kunnen beëindigen door Duitsland redelijke vredesvoorwaarden aan te bieden, ze daarmee in de kaart zou hebben gespeeld van president Wilson, (wiens 14 punten programma immers bol stond van redelijkheid) en daarmee was de kans voor Frankrijk om nog alleen haar doel te bereiken dan tot nul gereduceerd. Pas toen in Duitsland de revolutie uitbrak, verviel voor Groot-Brittannië de noodzaak om te kiezen tussen doorvechten of het bieden van gunstige voorwaarden en daarmee ook de kans op een rechtvaardige vrede voor Duitsland. Niet vergeten mag worden dat de wapenstilstandseisen van de geallieerden pas definitief werden vastgesteld op 4 november 1918, (29) dus nadat bekend werd dat er in Duitsland een revolutie was uitgebroken. Het werd toen duidelijk dat men nu kon eisen wat men wilde omdat de Duitsers nu totaal geen weerstand meer konden bieden. Tot die tijd had met name Groot-Brittannië maar ook de Amerikaanse president, zich verzet tegen te zware eisen omdat men bevreesd was dat die dan mogelijk door de Duitsers zouden worden afgewezen.

~ Hans Andriessen

Boeken van Hans Andriessen

Noten

  1. Lloyd George, War Memoirs, Vol.2, p.1970-1971.
  2. Callwell, C.E.Maj.Gen.Sir., Field marshal Sir Henry Wilson, Vol.2, p.161.
  3. Watt,R.M., The Kings Depart, p.493.
  4. Lloyd George, War Memoirs, Vol.2, p.1971.
  5. Ibid, p.1882.
  6. Lloyd George, War Memoirs, Vol.2, p.1971.
  7. Walworth,A., America’s Moment 1918. p.37n
  8. ibid, p.44.
  9. Walworth,A., America’s Moment. P.2
  10. Lloyd George, War Memoirs. Vol. 2,p.1148-1164.
  11. Ibid.p.1153
  12. Churchill,W., The World Crisis, Vol 5, p.61.e.v
  13. Ibid, p.62.
  14. Beaverbrook, Men and Power, p.55.
  15. Ibid, p.56.
  16. Ibid,
  17. Ibid, p 167.
  18. Ibid, p.53 e.v.
  19. Lloyd Georg, War memoirs, Vol 2, p.1669
  20. Beaverbrook, Men and Power, p.205.
  21. – Zieger, H., America’s Great War, p.163, quotes Knock, To end all Wars. P.138.
    – Horn,M., Britain,France, and the Financing of the First World War, p.117 e.v, waarin duidelijk wordt dat Frankrijk op 24 augustus 1916 bij de “bespreking van Calais” formeel financieel geheel afhankelijk werd van Gr.Brittannie. Aan het eind van de oorlog had Frankrijk bij Engeland een schuld van 417 miljard pond Sterling. Engeland zelf stond er financieel zo slecht voor dat ze gedwongen was de goudstandaard los te laten.(p.183)

  22. – Guinn, British Strategy and Politics, p.308.
    – Brugmans,H., Geschiedenis van den Wereldoorlog, p.172,173.

  23. Brugmans,H., p.319.
  24. Walworth,A., America’s Moment, p.24. Jusserand to Diplomatie,Paris, Oct.9.1018
  25. Ibid, p.44. Edith Benham, diary letter, Dec.5.1018.
  26. MacMillan,M., Peacemakers,p.1`68.
  27. Watt,R.M., The kings Depart, p.385, 386
  28. Ibid, p.385 e.v.
  29. Callwell,C.E.Maj.Gen.Sir., Field Marshal Sir Henry Wilson, Vol.2, p.147.

Pages: 1 2 3

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

1001 vrouwen in de 20ste eeuw - Els Kloek Napoleon - De man achter de mythe (Adam Zamoyski) De rechtvaardigen - Hoe een Nederlandse consul duizenden Joden redde (Jan Brokken) Reconquista - Miquel Bulnes Leonardo da Vinci - Sprekende gezichten De bokser - 
Het leven van Max Moszkowicz (Biografie) 80 jaar oorlog - Gijs van der Ham / NTR Het goede leven - Annegreet van Bergen Hitlers Derde Rijk in 100 voorwerpen - Roger Moorhouse De Zonnekoning - Glorie en schaduw van Lodewijk XIV (Johan Op de Beeck)
Gelijk naar geschiedenisboeken over: