In de chaotische dagen tussen de instorting van het Russische tsarenrijk en de onafhankelijkheid van de republiek Estland was de grensstad Narva kort het centrum van een bolsjewistische parallelstaat. Het verhaal van de échte ‘volksrepubliek Narva’.
De Estlandse Werkliedencommune – Eesti Töörahwa Kommuuna in het Ests, Эстляндская трудовая коммуна in het Russisch – werd uitgeroepen op 29 november 1918, één dag nadat Russische Sovjet-bolsjewistische troepen Narva hadden ingenomen. De Narva-commune, zo genoemd naar de commune van Parijs uit 1871, was een door Sovjet-Rusland erkende en gesteunde ‘tegenregering’ en parallelstaat waarin plaatselijke bolsjewieken hun geprefereerde sociaalpolitieke model al in de praktijk konden brengen in afwachting van de her-inname van heel Estland door de Sovjet-bolsjewistische strijdkrachten en hun lokale handlangers.
Industrieel bolwerk
De episode is ingebed in het grenslandkarakter en de sociale geschiedenis van Narva. In de late tsarentijd was Narva samen met zijn ‘tweelingstad’ Ivangorod net over de Narova-rivier, ingedeeld bij het gouvernement of de provincie Sint-Petersburg, terwijl de rest van het huidige Estland sinds de achttiende eeuw deel uitmaakte van de gouvernementen Estland en Lijfland. In de vroegmoderne tijd waren er al tal van manufacturen. De bouw van een textielfabriek op het riviereland Kreenholm in 1856-1857 bracht evenwel een nieuw industrieel elan dat later onder meer ook machinebouwfabrieken, metaalindustrie en industriële houtzagerijen zou aantrekken. Met de aanleg van de spoorweg tussen Reval – zoals de Estse hoofdstad Tallinn toen heette – en Sint-Petersburg in 1868-1870 werd Narva ook een belangrijk spoorwegknooppunt.

Omstreeks 1860 had Narva volgens sommige bronnen zo’n 5.500 inwoners waarvan de helft orthodoxen – voornamelijk Russen – en een derde lutheranen – voornamelijk Esten – waren. In 1897 telde de stad ongeveer 16.600 inwoners, waarvan Esten en Russen elk zo’n 44 procent uitmaakten. Het overige tiende van de bevolking bestond uit Duitsers, Joden, Letten en Lijflanders, Belarussen, Polen en Finnen.
In 1913 tenslotte bedroeg de bevolking van Narva naar verluidt meer dan 21.000 mensen, waarvan 58 procent Esten en ongeveer een derde Russen. De huidige etnisch-Russische meerderheid in de stad kwam pas tot stand na de Tweede Wereldoorlog.
Traditie van arbeidersmobilisatie
Sommige bevolkingscijfers gaan tot meer dan 30.000 omstreeks 1900. Maar dat omvat wellicht ook de bevolking van Ivangorod en van het ommeland van waaruit naar Narva werd gependeld, alsook tijdelijke inwoners. Ongeveer veertig procent van Estlands industriearbeiders werkte in Narva. De Kreenholm-fabriek werd één van de grootste textielfabrieken in oostelijk Europa. De land- en fabriekseigenaars en de kaderleden waren doorgaans geen mensen van het Estse meerderheidsvolk, maar oude lokale etnisch-Duitse families, Russen, of buitenlanders zoals zogenaamde Rijksduitsers en Britten.
Net als het Oekraïense Donetsbekken werden Narva en het ommeland door de sociale gevolgen van industrialisering en de arbeids- en levensomstandigheden een bolwerk van arbeidersbewegingen en een centrum van sociale onrust. Een eerste grote staking was die van wevers en bouwvakkers op Kreenholm na abrupte werkdagverlenging, gesjoemel met inhoudingen op stuklonen en een uitbraak van cholera in de zomer van 1872. Er volgden nog meer stakingen. Mede door de arbeidersbewegingen op plaatsen als Narva vaardigden de imperiale tsaristische autoriteiten vanaf 1882 een reeks sociale wetten uit omtrent een minimumleeftijd voor fabrieksarbeiders, inperking van nachtwerk voor vrouwen en de lengte van de werkdag.


Ook tijdens het revolutiejaar 1905 lieten de arbeidersbewegingen in Narva zich niet onbetuigd. Al snel trok de stad ook uiteenlopende sociaalrevolutionairen aan, geïnspireerd door verschillende interpretaties van het marxisme. In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam, onder meer als reactie op de tsaristische russificatiepolitiek van de jaren 1880, ook een nieuw elan op gang in Ests nationaal bewustzijn en streven naar autonomie, vooral onder impuls van schrijvers, journalisten en dichters, volkskundigen, geestelijken en leerkrachten. Wat aanvankelijk vooral een elite-gedreven beweging was, vond een wijdere basis onder de Estse bevolking als ze ook ging opkomen voor landhervorming en landbedeling.
Provinciale autonomie

In de maanden van provinciale autonomie onder het voorlopig Russische republikeinse bewind nam ook de politieke en paramilitaire activiteit en de infiltratie van strategische sectoren als transport, communicatie en defensie door de bolsjewieken in Estland snel toe. De bolsjewieken hadden een zekere aanhang in de Russische garnizoenen die zich nog in de provincie bevonden en onder de fabrieksarbeiders in Tallinn, Narva en andere industriecentra. Het was evenwel niet zo dat de aanhang van de bolsjewieken in Estland uitsluitend uit Russen en andere niet-Esten bestond. Een deel van de aanhang en de leiding was etnisch-Ests.

De bolsjewistische-leninistische oktobercoup in Rusland in 1917 en het einde van het voorlopige Russische republikeinse bewind, creëerde in Tallinn een politiek vacuüm waarin lokale bolsjewieken onder leiding van Jaan Anvelt en Viktor Kingissepp gezwind de macht konden overnemen. Bij de verkiezingen voor de nieuwe grondwetgevende vergadering in november 1917 behaalden de bolsjewieken 39 procent van de stemmen. Ze stelden revolutionaire rechtbanken in, arbeiderscomités namen de controle over fabrieken en privébedrijven, spoorwegen en banken over, en privébezit werd afgeschaft. Naar Russisch voorbeeld werden land en boerderijen onteigend en omgevormd tot staatsboerderijen.

‘Proletarisch internationalisme’
Het bolsjewistische bewind in Tallinn werd evenwel niet afgezet door en volkopstand maar wel door een inval van het Duitse keizerlijke leger. In september en oktober 1917 had het Duitse leger aan het oostfront van de Eerste Wereldoorlog al de Estse Oostzee-eilanden Saremaa, Hiumaa en Muhu bezet. Op 18 februari 2018, na het inklappen van het Duits-Sovjet-Russische vredesverdrag van Brest-Litovsk bezette het ook Tallinn en een stuk van het Estse vasteland. De meeste Estlandse bolsjewistische kopstukken en leden van de rode gardes vluchtten naar Rusland.
Zes dagen later riep het Päästekomitee, het Estse Bevrijdings- en Reddingscomité, onder leiding van Konstantin Päts en Jüri Vilms de onafhankelijkheid van de republiek Estland uit. In het najaar van 1918, toen het sterk verzwakte Duitsland ook hier aan zijn aftocht begon, kwamen de Estlandse bolsjewieken terug, deze keer met ruggensteun van detachementen het Zevende Rode Leger. Op 23 november namen ze Narva en omgeving in. Tallinn bleef evenwel buiten hun bereik. Een week later werd in Narva een pro-bolsjewistisch bewind geïnstalleerd geleid door Jaan Aanvelt en andere figuren die een dik half jaar voordien in Tallinn de dienst hadden uitgemaakt: de Estlandse Werkliedencommune.
“Het moment in de internationale proletarische revolutie waarop de arbeiders van Estland het recht op zelfbeschikking in eigen handen nemen is (..opnieuw…) aangebroken!”, verklaarde de commune in haar manifest van 29 november 1918.

Parallelle overheden
Zo raakte Estland opgedeeld in gebieden die elk onder een bestuur stonden met radicaal uiteenlopende maatschappijvisies en interpretaties van wat Estland hoorde te zijn: één in Tallinn onder het nationaal-soevereinistische Bevrijdings- en Reddingscomité, en één in Narva onder de pro-bolsjewistische commune. De Estlandse Werkliedencommune moest de ‘kiem’ zijn van een geplande Sovjetrepubliek Estland. Hoewel de meeste arbeidersorganisaties die actief waren geweest in Narva weinig op hadden met de bolsjewieken, zagen de communards de oude industriestad als ‘proletarisch bolwerk’ en sociaal laboratorium bij uitstek voor de voorziene sovjetisering van Estland.
De commune ging ook volledig op in de lijn van ‘internationale proletarische revolutie’ en ‘revolutie-export’ die het vroege Sovjet-Russische bewind kenmerkten. De muiterijen en de rode novemberopstand in Duitsland eind 1918 en de uitroeping van radenrepublieken in onder meer Kiel en München bevestigden volgens hen dat de bolsjewistische revolutie dra zou overslaan op Centraal-en West-Europa. “Nu het proletariaat van (…) Duitsland (… en andere landen…) zijn eigen sovjets opricht, moet ook het proletariaat van Estland zijn eigen sovjets creëren.” , klonk het in het commune-manifest.
Het Estse proletariaat heeft zich georganiseerd rond de Estse afdeling van de Russische communistische partij en heeft een revolutionair comité opgericht, onder wiens leiding het proletariaat van Estland de strijd is begonnen tegen de bourgeoisie en de overblijfselen van het Duitse imperialisme.


In totaal waren tussen december 1918 en januari 1919 vier van zulke regionale commissies actief in het door de bolsjewieken en de commune gecontroleerde gebied. Naast de aanhangers van de Estse voorlopige regering verklaarden de bolsjewieken op 29 november 1918 alle etnisch-Duitse edellieden en zowel orthodoxe als lutheraanse geestelijken vogelvrij. Volgens historicus Taavi Minnik werden in commune-gebied in december 1918 en januari 1919 zo’n 2500 mensen gearresteerd en 600 à 700 geëxecuteerd. De meerderheid werd terechtgesteld op grond van politieke aanklachten en aantijgingen zoals ‘collaboratie met de Duitse bezetter’, als ‘bloedzuigers van de werkende klasse’ – werkgevers en ondernemers – of als aanhangers van de anticommunistische ‘Witten’ of van de ‘bourgeoisregering’ in Tallinn.
Geen nationale aansluiting
De kopstukken en de leden van de politieke organen van de Werkliedencommune waren voor het merendeel Ests van afkomst maar ideologisch sterker doordrongen van ‘proletarisch internationalisme’ van de bolsjewistische machthebbers in Moskou dan van wat leefde bij de volksbasis in hun land. Bovendien was het commune-bewind volledig aangewezen op het Russische Rode Leger en zaten en in de rode gardes – de communemilities – maar weinig Esten. Ze bestonden vooral uit Russen, Letten en Belarussen. Onder de Estse bevolking in en rond Narva en elders bestond wel degelijk wrok ten opzichte van de oude grootgrondbezitters en van en aantal grote fabriekseigenaars – de stakingen en de opstanden van 1905 hadden duidelijke sociale oorzaken.
Maar dat betekent niet dat de plaatselijke bevolking in de bolsjewieken en hun obsessie met klassenstrijd, internationale proletarische revolutie en rode terreur vertegenwoordigers en behartigers van hun besognes zag. Volgens historicus Karsten Brüggemann slaagde de Estse nationalistische beweging er beter in om een volksbasis uit te bouwen door streven naar nationale soevereiniteit te koppelen aan sociale emancipatie van het Estse volk. Dat deed ze onder meer met een landhervorming waarbij land en infrastructuur van de oude etnisch-Duitse grootgrondbezitters die er eeuwenlang de dienst hadden uitgemaakt werd herverdeeld onder Estse boeren. Ze nationaliseerde met oog op industriële soevereiniteit ook een aantal industrieën zoals de schalieoliewinning in het noordoosten van het land.

“Omdat de Esten nooit echt onderdrukt waren geweest door een eigen (… etnisch-Estse…) hogere klasse, had het in feite geen zin om hier klassenstrijd aan te wakkeren”, lichtte Brüggemann toe.

Na hun verdrijving uit de stad doken haar commissarissen en de restanten van haar aanhang en militie onder of zwierven ze nog enkele maanden rond in het noordwesten van Rusland, tot de ‘Estlandse Werkliedencommune’ op 5 juni 1919 officieel werd opgeheven door het Sovjet-bolsjewistische bewind. Sommige leden van de centrale raad van commissarissen bekleedden nadien nog functies in Sovjet-Rusland. Anderen, zoals Jaan Anvelt, waren in december 1924 betrokken bij de mislukte communistische coup in Tallinn. Maar uiteindelijk vielen bijna alle kopstukken van de commune die in de Sovjet-Unie terecht waren gekomen in 1936-1939 ten prooi aan de stalinistische zuiveringen.
– Karsten Brüggemann, “’Foreign rule’ during the Estonian War of Independence 1918–1920: the Bolshevik experiment of the ‘Estonian Worker’s Commune’”, Journal of Baltic Studies, 37(2), 2006, pp. 210–226.
– —, „Die Revolutionen von 1917 in den russischen Ostseeprovinzen“, In: Joachim Tauber en Alexander Tschubarjan, Zeitenwende: deutsche und russische Erfahrungen 1917–1919 – На рубеже эпох: русский и немецкий опыт 1917–1919 гг., Mitteilungen der Gemeinsamen Kommission für die Erforschung der jüngeren Geschichte der deutsch-russischen Beziehungen – Сообщения Совместной комиссии по изучению новейшей истории российско-германских отношений, 10, 2022, Berliner Wissenschaftsverlag, 10, 2022, pp. 119-130.
– Silvia P. Forgus, “Soviet subversive activities in independent Estonia (1918-1940)”, Journal of Baltic Studies, 23 (1), 1992, pp. 29–46.
– Nobuya Hashimoto en Hiromi Komori, “A border town and migration: the case of Narva and Russian speakers in Estonia”. In: Stefan Berger en Nobuya Hashimoto, Borders in East and West : transnational and comparative perspectives, Berghahn, 2022, pp. 142-167.
– Taavi Minnik, “The cycle of terror in Estonia 1917-1919: on its preconditions and major stages”, Journal of Baltic Studies , 46 (1), 2015, pp. 35–47.
– Maie Pihlamägi, “Estonian industrial workers’ demands in the 1905 revolution”, Acta Historica Tallinnensia, 2008, 12, pp. 3-17.
– Манифест Советского Правительства Эстонии. Всем рабочим и крестьянам Эстляндии. 29 ноября 1918 г. , «Жизнь национальностей» № 7, 22 декабря 1918 г. , Российское историческое общество, Фонд «История Отечества»
Slag om Narva (Estland, 1944)
‘Siberian Exiles’ – Deportaties vanuit de Baltische staten naar Siberië
De Suwalki Gap en Fulda Gap – Twee strategisch zwakke plekken van de NAVO
Volkslied van Estland – Mu isamaa, mu õnn ja rõõm
De Spartakusopstand (1919)
Zimmerwald-conferentie (1915) – Socialisten tegen de Eerste Wereldoorlog
De CPN en de Watersnoodramp van 1953