Schrijven over vernietiging: Sem Dresden en de Holocaust

5 minuten leestijd
Sem Dresden
Sem Dresden in 1987 tijdens een prijsuitreiking (CC0 - Nationaal Archief - Rob Croes / Anefo)

De invloed van de Leidse hoogleraar Franse letterkunde Sem Dresden (1914-2002) is op een breed terrein buitengewoon groot geweest. Als hoogleraar in de periode 1947-1975 stond Dresden aan de basis van de Nederlandse belangstelling voor het existentialisme, de Franse literatuur en het biografische genre. Eveneens stond Dresden aan de wieg van het nieuwe vakgebied Algemene Literatuurwetenschap (ALW), waarvan hij van 1975 tot 1981 zelf de leerstoel bekleedde. Ook als essayist was Dresden op een breed terrein zeer actief en ontving in 2002 voor zijn gehele oeuvre de P.C. Hoofdprijs.

Vervolging, vernietiging, literatuur

Het bekendst is Dresden evenwel geworden met zijn academische studie over kampliteratuur Vervolging, vernietiging, literatuur die in 1991 verscheen. In dit boek onderzocht Dresden aan de hand ook van persoonlijke ervaringen de mogelijkheden van literaire taal om het trauma van vervolging en vernietiging uit te drukken. Dresdens studie kunnen we achteraf misschien zien als een weerlegging van de apodictische uitspraak van de filosoof Adorno dat vanwege de ontoereikendheid van de taal na Auschwitz geen poëzie meer mogelijk is en ons alleen zwijgen rest.

Vervolging, vernietiging, literatuur
De studie van Sem Dresden
Naar aanleiding van het symposium ‘Schrijven onder druk’ op 3 mei 2024 verscheen onlangs een essaybundel die de betekenis van deze baanbrekende studie onderzoekt. Bijzonder is dat in de bundel ook Dresdens dagboeknotities zijn opgenomen over zijn deportatie naar kamp Westerbork, zowel de periode direct daarvoor en daarna. Onder andere Paul J. Smith, Annelies Schulte Nordholt, Arnon Grunberg, Sander Bax en Goran Bouaziz pogen ‘vanuit meervoudig perspectief’ antwoord te geven op de vele diepgravende vragen die zijn studie nog steeds oproepen. In hoeverre is de bundel daarin geslaagd?

Dresdens opvolger als hoogleraar Franse letterkunde Paul Smith onderzoekt in een verhelderende bijdrage de grondslagen van Dresdens literatuurbeschouwing. Smith toont dat de hoofdthema’s van de existentiefilosofie – de angst, de dood en het Niets – van grote betekenis zijn geweest voor zijn visie op de taal. Lezen, interpreteren en schrijven bleven door zijn eclectisch-essayistische werkwijze een onvoltooide zoektocht die voortdurende zelfreflectie noodzakelijk maakte.

De bijdrage van de docent Moderne Franse literatuur Schulte Nordholt – die Dresden evenals Smith goed kende – sluit hierop aan. Zij onderzoekt de vraag wat het betekent om getuigenis af te leggen van vernietiging door middel van literatuur en de precaire positie van de lezer daarvan. Precair en fundamenteel dubbelzinnig omdat de lezer – die Dresden in zijn werk consequent typeerde als ‘toerist’ – anders dan de betrokkenen altijd de mogelijkheid heeft de getuigenissen terzijde te leggen. Gevoelens van schuld en schaamte waren in zijn optiek dan ook inherent verbonden aan de essentie van het lezen zelf.

De lezer als toerist

De schrijver Grunberg benoemt in zijn essay de pijnlijk prangende vragen die Dresdens oeuvre oproept in de hedendaagse herinnerings- en consumptiecultuur. In aansluiting op Dresdens typering van de lezer als ‘toerist’ stelt Grunberg zich de vraag hoe je voorkomt dat het verleden uitsluitend een vrijblijvende toeristische functie krijgt. Evenals Dresden is Grunberg van mening dat de schuld van de overlevenden in zekere zin in de vorm van een absurdistische blijmoedigheid zal moeten worden gedragen:

Wie in verwachting is van de doden draagt de belofte van vrolijkheid met zich mee. Al is het vrolijkheid voor een dag.

Alleen op die wijze kan het onverdraaglijke enigszins verdraaglijk worden gemaakt.

Helaas zakt de essaybundel na deze veelbelovende bijdragen nogal in. De hoogleraar Contemporaine Nederlandse literatuur Sander Bax plaatst Judith Koelemeijers biografie over Etty Hillesum tegen de achtergrond van Dresdens inzichten over de theorie van de biografie. Het levert een nogal magere beschouwing op over zijn ‘postkritische’ lezing van Koelemeijers biografische portret. Verwonderlijk is dat hij niet Dresdens kritische opmerkingen over Hillesums werk noemt :

Om op de oorlogsliteratuur over Westerbork terug te komen – wat Etty Hillesum daarover geschreven heeft, dat is het enige mooie, vind ik. Die brieven uit Westerbork zijn prachtig. Voor de rest, dat dagboek, dat vind ik bijna niet te lezen. […] Maar dat dagboek, ik weet niet wat ik daar allemaal tegen heb.1

Was Dresden van mening dat de religieus-mystieke toonzetting van Hillesums dagboek en haar gedweep met de handlezer en spirituele gids Spier nogal eens het zicht op de oorlogsomstandigheden benam? In hoeverre speelde Dresdens existentialistische literatuurbeschouwing bij die beoordeling een rol? Prangende vragen waaraan Bax’ ‘postkritische’ lezing volledig voorbijgaat.

Het 'Kamp der onverzoenlijken', Boven-Digoel, 1929
Het ‘Kamp der onverzoenlijken’, Boven-Digoel, 1929

Koloniaal racisme en de Holocaust

Goran Bouaziz vergelijkt Dresdens beschouwingen over de kampliteratuur van de Holocaust met de koloniale kampliteratuur. In het kielzog van de recente postkoloniale literatuur onderzoekt hij de getuigenisliteratuur uit Boven-Digoel van de Nederlandse strafkolonie in Nieuw-Guinea. Ik kan mij niet geheel aan de indruk onttrekken dat het racisme van het Europese kolonialisme hier toch wat al te gemakkelijk op één lijn wordt gesteld met het nationaal-socialistische racisme. Terecht merkte de historicus Jeroen Koch in zijn essay over die complexe relatie op dat:

… elk racisme was en is verwerpelijk, maar het ene racisme is het andere niet. In nazi-Duitsland kreeg het andere vormen dan in Nederlands-Indië, waar het deel ook weer afweek van het racisme op de Antillen of in Suriname, dat zich op zijn beurt weer onderscheidde van bijvoorbeeld de apartheid in Zuid-Afrika of de segregatie in het Zuiden van de Verenigde Staten.2

Hoewel Bouaziz zelf wat voorzichtige kanttekeningen bij zijn betoog plaatst, gaat dit onderscheid in Bouaziz’s betoog te zeer verloren.

Wat meer moeite had ik nog met Bouazizs interpretatie van Dresdens reisverslag in Israël waar terloops de Palestijnse verdrijving, c.q. Nakba, wordt besproken:

…dikwijls wordt er nog aan toegevoegd, dat de Joden (die toch beter moesten weten) op hun beurt aan “Blut und Boden” zijn gaan doen. Wat dat laatste betreft wil ik kort zijn: wie doet dat eigenlijk niet? En is het zo verkeerd? Ik zal de duitse excessen niet verdedigen, maar wie heeft vaderlandsliefde veroordeeld?

Schrijven over vernietiging - Sem Dresden en de Holocaust vanuit meervoudig perspectief
 
Dresden schreef die pijnlijke passage waarschijnlijk als reactie op de gebeurtenissen in 1964.3 De volledige escalatie van het geweld in het Palestijns-Israëlische conflict heeft hij niet meer kunnen meemaken. De suggestie dat Dresden een pleitbezorger van de Blut-und-Boden-ideologie zou zijn lijkt mij daarom ook achteraf lichtelijk zelfgenoegzaam gratuit.

Evenmin dragen overige bijdragen in de bundel bij tot nieuwe inzichten over Dresdens werk, maar bieden vooral wat obligate persoonlijke reacties op het genocidale geweld in Gaza, de studentenprotesten ertegen en reflecties op de recente omineuze geopolitieke ontwikkelingen.

Kortom een onevenwichtige bundel die weinig nieuwe inzichten oplevert. Dresdens werk blijft evenwel een blijvende inspiratiebron. Zoals de poëzie van Paul Celan het ongelijk van Adorno’s apodictische uitspraak bewees, zo bewees Dresden dat voor de literatuur. De taal is het enige middel waarmee we de stilte van het gitzwarte verleden kunnen doorbreken en – hoe ontoereikend ook – uitdrukking kunnen geven aan het onuitsprekelijke. Dresden besluit niet zonder reden zijn boek over (kamp)literatuur met een kinderlied uit het getto van Krakau:

Van morgen af zal ik treurig zijn, van morgen af! Vandaag zal ik vrolijk zijn. Wat is het nut van treurigheid?

Noten

1 – ‘Behekst – ik geloof dat dat nog het verstandigste woord is’ Vraaggesprek met S. Dresden, In: Raster, # 57 (1992), p. 88.
2 – Jeroen Koch, Germania docet ? Unbewältigte Vergangenheit, koloniaal verleden en de plicht tot herinneren’, In: Nederlandse historici over Duitsland. Actualiteiten (dis)continuïteit (Amsterdam : AUP, 2025), p. 328.
3 – In 1964 werd de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) opgericht met als uitgesproken doel de “bevrijding van Palestina” door middel van gewapende strijd.
×