Het luxe Nederlandse sportautomerk Spyker wordt weer eens tot leven gewekt. Omdat de vroegste Spyker-geschiedenis (toen nog Spijker) vrijwel nooit uitgebreid wordt verteld onderstaand aandacht voor hoe het in de negentiende eeuw allemaal begon en hoe het de grondleggers verging.
Opvallend nieuws op 9 juni 2026: de Oekraïense ondernemer Volodymyr Nosov (Charkiv, 1989) heeft een ‘aanzienlijk’ aandeel genomen in automerk Spyker, dat wordt ondergebracht in diens W Group. Nosov is actief op het gebied van cryptomunten en ‘fintech’. Tot zijn W Group behoort onder meer het in 2018 opgerichte cryptomuntenplatform WhiteBIT.

Het Vlaamse online autoplatform Autonext zag in het nieuws aanleiding om de kop boven het bericht speels te beginnen met: ‘Het klinkt bijna te Spyker om echt te zijn’. Daarmee wordt verwezen naar het turbulente verleden van het automerk, met evenveel faillissementen als wederopstandingen.

Faillissementen en wederopstandingen
In beschrijvingen van de geschiedenis van het merk wordt over het begin meestal alleen kort gemeld dat de gebroeders Hendrik Jan en Jacobus Spijker in 1880 in Hilversum een rijtuigfabriek stichtten en dat ze de firma in 1886 naar Amsterdam verhuisden. Pas vanaf dat moment worden de verhalen uitgebreider. We komen dan onder meer tegen dat de gebroeders Spijker in 1897/’98 de Gouden Koets ontwierpen en bouwden en vanaf 1900 eigen auto’s produceerden, terwijl in 1903 de merknaam Spijker werd gewijzigd in het internationaal beter bruikbare Spyker.
In het eerste jaar waarin de broers Spijker het bedrijf niet meer leidden, 1908, ging de firma (die toen Industriële Maatschappij Trompenburg heette) voor de eerste keer bankroet. Er kwam een doorstart, maar in juli 1922 was het tweede faillissement een feit van wat inmiddels de Nederlandsche Automobiel- en Vliegtuigfabriek Trompenburg heette. Later dat jaar opnieuw een doorstart, maar in mei 1926 was toch echt het einde daar.

Waartoe het gaat leiden zal moeten blijken. Maar het is in elk geval een goed moment om eens wat nauwkeuriger te kijken naar de oorsprong van het bedrijf en ook naar de stichters en hun achtergrond. Een mooi, nog steeds tastbaar beginpunt daarvoor zijn in Hilversum de zogenoemde Spijkerpandjes (Kerkbrink 17-19). Sinds de restauratie/herbouw in de jaren negentig van de twintigste eeuw bieden ze onderdak aan achtereenvolgende horecazaken. Hier bevinden zich de wortels van de firma Spijker/Spyker.
Van Loosdrecht naar Hilversum
Aardig is om zelfs nóg verder terug te kijken. In 1971 hebben twee Hilversumse historische speurneuzen, P.W. de Lange en H. de Groot, de stamboom van de gebroeders Hendrik Jan en Jacobus Spijker getraceerd tot zo ver mogelijk in het verleden. Ze kwamen tot 1697 en lieten zien: de Spijkers stamden van oorsprong uit Loosdrecht. Zowel in Oud- als Nieuw-Loosdrecht heeft het voorgeslacht van de broers Hendrik Jan en Jacobus Spijker gewoond en gewerkt.
Hun vader, ook een Jacobus, werd in 1814 weliswaar in Amsterdam geboren, maar dat kwam doordat diens vader, afkomstig uit Loosdrecht, daar toen melkverkoper was. Jacobus senior (1814-1889) trouwde in 1842 in Amsterdam met de geboren Hilversumse Jannetje de Groot (1816-1895). Jacobus was toen smidsknecht.
Rond 1845 verhuisden Jacobus en Jannetje van Amsterdam naar Hilversum. Jacobus werd er eigen baas: aan de Neuweg begon hij een smederij. Ergens tussen 1851 en 1855 verkasten echtpaar en bedrijf naar de Kerkbrink. Jacobus stond destijds bij de gemeente te boek als ‘Grof-, Hoef-, Kagchel- en Scherpsmid, Koopman in Steenkolen’. Voor een hoefsmid was de Kerkbrink een prima plek, want hier begonnen en eindigden vaste routes van door paarden getrokken diligences. Ook particuliere rijtuigen kwamen er vaak voorbij over de enige bestrate weg die Hilversum toen kende.
Het echtpaar betrok wat nu het rechter Spijkerpandje is (Kerkbrink 19). Achter de woning kwam de smederij, bereikbaar via een smalle gang. Het pand dateert van rond 1770. Het is dus gebouwd kort nadat een vernietigende brand in 1766 ongeveer een derde van het toenmalige Hilversum in as had gelegd. Pas in 1880 verrees het linker Spijkerpandje (Kerkbrink 17), dat dienst ging doen als smederij.
Het bedrijf draaide kennelijk goed, want vanaf 1856 had Jacobus een smidsknecht in dienst en de archieven vermelden dat hij in elk geval in 1862 ook een smidsleerling begeleidde. In datzelfde jaar had het gezin bovendien een bij hen inwonende dienstbode.

Een eigen rijtuigfabriek
In 1880 begonnen de broers voor zichzelf. Aan het Stationsplein in Hilversum kochten ze grond van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM). In juni 1874 was in Hilversum een treinstation geopend. Het lag aan de nieuwe Oosterspoorweg, die van Amsterdam via Hilversum, Amersfoort en Apeldoorn naar Zutphen liep. Met het oog op de aanleg van het spoor en de bouw van het station had de HIJSM in Hilversum grond verworven. Wat uiteindelijk niet nodig bleek, werd verkocht. Tot de kopers behoorden dus de gebroeders Spijker.
Op de aldus verworven 2.100 vierkante meter grond lieten de broers een gebouw neerzetten waarin ze hun Rijtuigfabriek Gebr. Spijker vestigden. Samen leidden ze het bedrijf, maar er was wel een taakverdeling. Jacobus was technisch goed en nam dat deel voor zijn rekening: de voor die tijd erg moderne constructie van de rijtuigen. Hendrik Jan bestierde de bedrijfsmatige en commerciële kant van de zaak.
Succes in binnen- en buitenland
Al een jaar na de start hadden de broers in 1881 negentien werklieden in dienst. Hun eerste catalogus dateert uit 1885. Klanten konden kiezen uit liefst tweeëndertig rijtuigmodellen: victoria’s, coupés, spyders, breaks, landauers en buggies. Desgewenst kon de klant een monogram of familiewapen op het rijtuig laten aanbrengen. Daarvoor hadden de Spijkers een wapenschilder in dienst genomen.
Dat gefortuneerde Amsterdammers tot hun klandizie behoorden, laat zich raden. Sinds de opening van de Oosterspoorweg (1874) vestigden zich trouwens steeds meer rijke Amsterdammers in het Gooi, niet in de laatste plaats in Hilversum. Per trein konden ze naar hun werk in de hoofdstad. Ook exporteerden de Spijkers nogal wat rijtuigen naar Nederlands-Indië. Handig daarbij was dat ze het station voor de deur hadden. Daar konden rijtuigen op de goederentrein naar Amsterdam worden gezet, vanwaar het per schip verder ging naar Indië. Dat de Spijker-rijtuigen van goede kwaliteit waren, kwam al in 1883 tot uiting. De firma nam toen deel aan de Internationale Koloniale en Algemene Uitvoerhandel Tentoonstelling in Amsterdam. Voor hun Indië-rijtuigen kregen de broers een zilveren medaille.
Het ging zo goed dat de fabriek in Hilversum uit zijn jasje groeide. Daarom verhuisden de broers hun bedrijf in 1886 naar Amsterdam. Hoe het daar verder ging, kan hier onbesproken blijven, want dat is elders al uitgebreid beschreven. Wel verdienen enkele andere zaken nog de aandacht.

De laatste jaren van de gebroeders Spijker
Nadat ze hun nering naar de hoofdstad hadden verhuisd, hielden Hendrik Jan en Jacobus Spijker het pand aan het Hilversumse Stationsplein aanvankelijk nog in eigendom. Ze verhuurden het aan ene J.T. Scholte die er een fabriek voor gaslampen en metaalwaren van maakte. Dat werd geen succes. In 1892 verkochten de Spijker-broers het pand en de grond aan Bastiaan Karsdorp uit Woerden, die de fabriek liet slopen en er een aantal nieuwe panden liet bouwen.
Net als hun bedrijf waren ook de broers Spijker zelf naar Amsterdam verhuisd. Nadat hun vader op 17 november 1889 thuis aan de Hilversumse Kerkbrink was overleden voegde moeder Jannetje zich bij haar zoons. In Amsterdam overleed ze in 1895. De panden aan de Kerkbrink werden verkocht aan smid Pieter van Walbeek, die zijn bedrijf er uitoefende tot ongeveer 1930 of 1934 (de historische literatuur is niet eenduidig). Daarna kwamen de Spijkerpandjes eerst in gebruik bij modeketen Gerzon, vervolgens bij branchegenoot Piet van den Brul. In de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw zagen de oude pandjes er met een soort aangeplakte pui nogal treurig uit. Na de renovatie/herbouw in de jaren negentig is dat ten goede gekeerd. Zoals al vermeld huizen er sindsdien achtereenvolgende horecazaken – tot op de huidige dag.

Dat de Spijker-broers in 1907 de leiding over hun bedrijf uit handen gaven, had een trieste oorzaak. De Europese recessie die in 1906 toesloeg, raakte het bedrijf hard. Na diverse zakelijke reizen naar Indië had de ongehuwde Hendrik Jan zich daar min of meer gevestigd. Gezien de problemen door de recessie riep Jacobus zijn broer terug naar Nederland. Hendrik Jan reisde via Engeland om daar nog wat zakelijke besprekingen te hebben. Daarna stapte hij op het schip SS Berlin van de veerdienst Harwich-Hoek van Holland. In de nacht van 20 op 21 februari 1907 verging het schip in een vliegende storm voor de Nederlandse kust. Van de 144 opvarenden lieten 128 het leven. Een van de slachtoffers was Hendrik Jan Spijker. Zijn lichaam is nooit gevonden.

– Biography. Op: volodymyr-nosov.com.
– The Quail, A Motorsports Gathering. Op: whatsupmonterey.com.
– pebblebeachconcours.net.
– Het klinkt bijna te Spyker om echt te zijn. Maar goed, Spyker is nooit een normaal automerk geweest. Op: autonext.co.
– P.W. de Lange: De Icarusvlucht van twee Hilversummers. In: Tussen Vecht en Eem, jaargang 1, afl. 11, november 1971.
– H. de Groot en P.W. de Lange: Kwartierstaat van de gebroeders Spijker. In: Tussen Vecht en Eem, jaargang 1, afl. 11, november 1971.
– Egbert Pelgrim: De Spijkers in Hilversum. In: Hilversums historisch tijdschrift Eigen Perk 1998/4.
– Spijkerpandjes. Op: tgooi.info.
– Spijker, een autofabrikant overleed op treinstation Baarn. Op: geheugenvanbaarn.nl, 19 augustus 2012.
– Archief Gooi en Vechtstreek: diverse persoonsgegevens.
– Wikipedia: Volodymyr Nosov, Spyker (automerk), Victor Muller en Spyker Cars.
Gedreven verzetsman Hans Katan wilde Anton Mussert liquideren
Tijdschrift sanatorium Zonnestraal en de strijd tegen TBC
Paul Kruger kon in Hilversum op adem komen