Hij werd in 1968 gebouwd in het provinciale park voor Cultuur en Recreatie, gelegen tussen Chorzów en Katowice in Zuid-Polen: een revolutionaire manier om groente te kweken, namelijk een kas in de vorm van een ronde toren. Het was een stalen constructie met een transparante kunststof gevel, 54 meter hoog en met een diameter van 11 meter. De toren vormde letterlijk en figuurlijk het hoogtepunt op de nationale Tuinbouw Tentoonstelling dat jaar. In bijruimten werd onder andere een laboratorium voor bodemonderzoek ondergebracht, dat samenwerkte met een agrarisch instituut in Skierniewice.
Stanislaw Kulawik, destijds tuinman in het park, en Anna Kraupe, leidinggevende van de toren, vertelden hoe het systeem werkte: in de kas was een inventief paternoster-liftsysteem gebouwd met 285 gootvormige rekken met daarin plantenbakken (totaal grondoppervlak: 1000 m²). Ze rouleerden de hele dag, hangend aan een mechanisme met kettingen en tandraderen. Aan de ene kant werden ze omhoog en langs de andere zijde weer omlaag gestuurd, zodat alle planten gelijkmatig voorzien werden van licht, warmte en onderaan aangekomen bevrucht, bemest en besproeid werden.
De geautomatiseerde installatie was door twee mensen te bedienen. In de zomer werd de ruimte met air conditioning op de juiste temperatuur gehouden, in de winter door middel van een verwarmingssysteem. Volgens de ontwerper van het park, Peter Franta, was het meeste unieke aan de plantentoren, dat er op zo’n klein oppervlak zoveel planten, bloemen, groenten (zoals vroege sla en radijs) gekweekt konden worden. Op een forumpagina herinnert een bewoner van Chorzów zich:
Het was een indrukwekkend bouwwerk, dat boven de overige gebouwen in het provinciale park van cultuur en recreatie uittorende. ’s Nachts was de toren van onder tot helemaal bovenin verlicht…
Hij stond in een ambitieus park, aangelegd vanaf 1951. Het was en is een van de grootste parken van Europa. Er werden onder andere 3,5 miljoen bomen aangeplant. Het park bestond uit twee zones, een voor vermaak met een kermis, het Sandrakom. In het andere gedeelte een kabelbaan (‘Elka’), een groot planetarium, observatorium, stadion, evenementenhal, dierentuin en een beeldenexpositie. Het park wordt doorsneden door een boulevard van twee kilometer lengte met aangrenzend een jachthaven.

In de leunstoel
De torenkas was een idee van de Weense werktuigbouwkundig ingenieur Othmar Ruthner, destijds verbonden aan de Wiener Technischen Hochschule en eigenaar van een staalconstructie- en veredelingsbedrijf waar zo’n duizend mensen werkten. In 1965 schreef Der Spiegel al over en eerdere versie van de plantentoren in het Duitse Leverkussen (Ruhrgebied):
De tuinman zit in zijn leunstoel. Zonder een voet te verzetten mest, wiedt en begiet hij de groente; in een gelijkmatig tempo (1,4 kilometer per minuut) trekken sla of tomatenplanten, paprikascheuten of paddenstoelen aan zijn commandopost voorbij (…) Ontspannen tuinlieden, die geen rugpijn kennen en een mensheid die geen honger lijdt, deze humanitaire wensdromen moet een installatie verwerkelijken, die een Oostenrijkse werktuigbouwkundig ingenieur bedacht heeft.
Het ging toen nog om kleinere versies van de toren die in Polen werd gebouwd (14, 20, 30 en 40 meter hoog), maar al wel met automatische apparatuur om bijvoorbeeld kunstlicht, temperatuur luchttoevoer en -vochtigheid te reguleren.

In de jaren tachtig toonde de NASA nog belangstelling voor Ruthner’s vinding vanwege de voedselvoorziening in bemande ruimtestations, maar dat plan verdween weer in de lade. Uiteindelijk werd de toren in Polen in 1983 weer afgebroken. Voornaamste nadeel bleek dat er geen glazen ruiten waren gebruikt voor de buitenkant, maar transparante kunststof gevelplaten, die door de jaren heen verweerden, waardoor het zonlicht niet goed meer in de torenkas doordrong. Het bouwwerk werd mede gesloopt omdat er gevelplaten naar beneden begonnen te vallen. Gebleken was ook dat de energiekosten erg hoog uitvielen. Op een forum wordt ook gesignaleerd dat bij de bouw onvoldoende rekening was gehouden met het feit dat planten groeien, waardoor er bijvoorbeeld bij snelgroeiende tomaten- en komkommerplanten te weinig ruimte was om uit te dijen.
De tijd vooruit
De torenkas lijkt zijn tijd ver vooruit te zijn geweest. Vooral de afgelopen decennia speelt de discussie over alternatieve, vaak intensievere landbouwmethoden, zoals urban farming en het stapelen binnen de agrarische sector, vooral bij stalruimten voor kippen en varkens. Zo wordt er bijvoorbeeld in Japan, de VS, de Oliestaten en Zweden geïnvesteerd in verticale landbouw. Dr. ir. Sjaak Bakker, Bussiness Unit Manager van Wageningen UR Glastuinbouw (gelieerd aan de universiteit) zei hierover in 2015:
Toch worden delen van Ruthner’s aanpak tegenwoordig wel in praktijk gebracht. Bakker:
In de huidige tuinbouw werkt nog een ander aspect van Ruthner’s torenkas door. Bakker:
Van mechanisering door middel van mobiele teeltgoten, zoals in die toren werd toegepast, is tegenwoordig op grote schaal sprake. Mobiele teeltsystemen zijn niet meer weg te denken uit de tuinbouw: beweegbare goten, tafels en bijvoorbeeld planten die door de kas heen naar een centraal punt worden geleid, waar ze met camerasystemen worden beoordeeld en vervolgens volledig geautomatiseerd worden gesorteerd. De interne logistiek is dus een vergelijkbare kant op gegaan. In die zin was dat idee helemaal niet zo slecht.
De uitvinding van de landbouw: de grootste fout aller tijden?
Natuur verdween uit de landbouw, maar niet uit de boer
De Aérotrain: het futuristische ‘vliegtuig zonder vleugels’ dat faalde
Anti-tankhonden en andere dierenexperimenten in oorlogstijd
De wonderlijke gyrotrein van Louis Brennan, rijdend op één rail