Het roept associaties op met de vroegere interne buizenpost in kantoorgebouwen, waarbij kleine, ronde containers vacuüm van de ene afdeling naar de andere zoefden. De geniale vondst van de Haarlemse Hermann Carl Anton Liernur was om dat principe toe te passen op de riolering. Zijn systeem heeft gefunctioneerd in delen van Amsterdam, Leiden en Dordrecht.
In de negentiende eeuw leidden menselijke uitwerpselen, die veelal in het oppervlaktewater terecht kwamen, tot allerlei ziekten. Er bestonden al beerputten en tonnenstelsels, maar regelmatig poep door huizen sjouwen werd ‘strijdig geacht met een ons aangeboren aesthetisch beginsel’. Op sommige plaatsen bestond ook een waterspoelstelsel, waarbij afvalresten van mens en huishouden gezamenlijk afgevoerd werden in grachten. Probleem hierbij was het geringe hoogteverschil in Nederland; in Rotterdam werd het water bij binnenlopende vloed soms terug het land ingestuwd.
Het Liernur stelsel ging uit van gescheiden lozing van fecaliën en afvalwater. Liernur beoogde ‘sekreten rein te maken en te houden, zonder het gebruik van ‘water-closets’. Hij kreeg in 1866 octrooi voor dit systeem.
In de huizen kwamen wit geglazuurde, trechtervormige toiletpotten. Onderin zat een klep (met gomelastieken ring) om stank binnenshuis te voorkomen. De pot was verbonden via een ijzeren buizenstelsel onder de straten met verzamelreservoirs. ’s Nachts werden die met een ‘locomobile luchtpomp’ via vacuüm gezogen buizen in een wagen met luchtdichte tank geleegd…
…zonder dat de bewoners zelfs in hunne rust gestoord worden, of de lucht besmet wordt met schadelijke uitwasemingen.
Zo kon een zeventigtal huizen in een halfuur worden ‘gezogen’. Prof.dr. ir. H.W. Lintsen promoveerde op dit onderwerp en vermeldt in Geschiedenis der Techniek, deel 2 dat ‘de ontwikkelde atmospherische drukking gelijk stond aan 20 tot 25 stormwinden’.

‘Reukeloozen afvoer van faecalien’
Liernur (1828-1893) had als kind al aanleg voor wiskunde. Hij ontving huisonderwijs van zijn vader, van een ingehuurde ingenieur en landschapsarchitect Zochers (die o.a. Het Park in Rotterdam ontwierp). Bij de bouw van nieuwe sluizen in Katwijk werd hij onderopzichter en hij werkte mee aan de inpoldering van de Anna Palownapolder. Als achttienjarige vertrok hij naar de Verenigde Staten om landerijen van twee Nederlanders in kaart te brengen, werkte er bij de spoorwegen, bouwde vuurtorens en bewapende de haven van Mobile met torpedo’s. Meestrijdend met Zuiderlingen in de burgeroorlog werd een van zijn voeten afgezet en liep hij een kogel in zijn schouder op. Terug in Europa werkte hij in Londen op de redactie van de Engineer. Intussen bedacht hij zijn ‘toestel voor de dagelijkschen reukeloozen afvoer van faecalien’ en ‘eene pneumatische machine tot het ledigen van privaatputten.’
Liernur was een netwerker avant la lettre en wist zijn systeem op allerlei plaatsen te propageren. In Amsterdam werd al vanaf 1872 een proef gedaan bij de gedempte Looiersgracht (1750 inwoners), later ook rond het Vondelpark (85.000 inwoners). In totaal was er tien kilometer buis aangesloten; de grootste afstand tussen pompstation en huisaansluiting bedroeg in 1893 precies 3872 meter (zo krachtig kon er dus gezogen worden). Bijna 40% van de Amsterdamse bevolking was er toen op aangesloten.
In Dordrecht besloot de raad in 1873 een proef te doen. De latere Delftse hoogleraar J.A. van der Kloes, toen nog directeur Gemeentewerken van Dordrecht, noemde het Liernur-stelsel in 1876 voor ‘voorsteden als Dordrecht eene weldaad’. Liernur kreeg tevens steun van de Vereniging tot Verbetering van de Volksgezondheid van Leiden. In die stad waren vanaf 1872 200 inwoners aangesloten. In Den Haag haalden Liernur’s voorstellen het niet. Ook in Rotterdam werd zijn systeem, ondanks steun van directeur Cramer van de Dienst Gemeentereiniging niet ingevoerd. De Rotterdamse directeur van Gemeentewerken, Van der Tak, herinnerde zich een werkbezoek aan Amsterdam waar het Liernurstelsel werd getoond:
…bij verschillende privaten der huizen zag ik dat de inhoud zich niet van onderen, doch van boven over brillen of zittingen heen ontlastte terwijl op een binnenplaats achter een dier huizen eene aanzienlijke hoeveelheid secreetstof door de grond naar boven kwam.

Mest
Vanuit het buitenland werd eveneens interesse getoond. Dordrecht werd overspoeld met ‘bezoeken en aanvragen om inlichtingen… uit allerlei oorden der wereld.’ Er kwam zelfs een delegatie uit Australië naar Nederland. Liernur had zich in 1872 in Duitsland gevestigd, waar hij het Internationales hygiënisch-technisches Institut für Städte-Entwässerung oprichtte en een tijdschrift, grotendeels gewijd aan zijn vinding. In Praag werd de Frederikskazerne (circa 9.000 soldaten) voorzien van het systeem, in Keulen het Centraal Station en in Frankfurt am Main werd in 1870 een proef gedaan, maar grootschalige toepassingen in het buitenland bleven uit.
Volgens Liernur kon zijn systeem terugverdiend worden door de fecaliën als mest te verkopen. Maar de kwaliteit bleek vaak matig, omdat onder andere afvalwater in de toiletpotten werd gegooid, waardoor het vaak dun en slap alsnog op vuilstort of in oppervlaktewater belandde. Daarbij kwam: hoe hoger het stikstofgehalte in de mest, des te beter. In Leiden viel dat tegen, omdat de nogal arme bevolking er weinig en slecht at. Bovendien werkte in Liernur’s nadeel dat het nut van kunstmest bij landbouwers nog niet erg doorgedrongen was.
Hij zocht diverse oplossingen om zijn mest aan de man te brengen, zoals het opstarten van een gemeentelijk landbouwbedrijf, Gooise heidegrond bemestend verrijken tot landbouwgrond en hij stichtte een poudrette-fabriek, waar mest verdampt werd tot poeder, waarvan ‘100 kilogram eene bemestingswaarde hadden, gelijk aan 55 kilogram guano’. Deze droge substantie was gemakkelijker te bewaren, te vervoeren en de kwaliteit was gemakkelijker te controleren. Maar het vroeg ook extra investeringen. In 1886 werd de fabriek in Amsterdam alweer gesloten omdat hij niet genoeg opleverde.
Verliesgevend
De Opmerker schreef al in 1879, dat het systeem ‘buitengewoon kostbaar is’. In datzelfde jaar maakte B&W van Amsterdam de balans op. Het had de stad tot dan toe 630.000 gulden gekost en 13.000 gulden opgeleverd. Toen Liernur in 1891 voorstelde zijn systeem tot heel Leiden uit te breiden, kreeg hij dan ook nul op het rekest.

In het boek Koninkrijk vol sloppen, achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw schrijft historicus Auke van de Woud:
Het was innovatief en uniek (…) de onderdelen en de randapparatuur waren duur en de techniek was storingsgevoelig (met ondergrondse kleppen die perfect moesten kunnen bewegen).
Het Nederlandsch Biografisch Woordenboek uit die tijd: ‘De grootste fout van het Liernurstelsel is, dat het zich slechts bekreunt om faecalien, terwijl het menagewater, badwater, waschwater, fabriekswater (…), die bijvoorbeeld te Amsterdam te zamen ongeveer 40 maal den inhoud van de faecalien hebben (…) op de oude wijze moeten wegvoeien….’. Volgens Geschiedenis van de Techniek, deel 2 pakte vooral een andere ontwikkeling destijds nadelig uit voor Liernur: ’…de verbetering van de watervoorziening in Nederland. De toename van het aantal waterleidingen, uit hygiënisch oogpunt zeer toe te juichen (…). Waar men over voldoende water beschikte, lag aanleg van een betrekkelijk eenvoudig spoelrioolstelsel meer voor de hand dan een vrij gecompliceerd en op het oog kwetsbaar vacuümsysteem.(…).’
Geobsedeerd door de verborgen werelden onder onze voeten
De geschiedenis van de wc
De doorluchtige daden van Jan Stront (1684)
Stront aan de knikker – Herkomst uitdrukking
De onzinkbare brandkast voor op zee – een mislukte uitvinding
De Aérotrain: het futuristische ‘vliegtuig zonder vleugels’ dat faalde
De Velotype: het Nederlandse toetsenbord dat de wereld had moeten veroveren