Zweden bekommerde zich in 1941 om lot van Nederlandse Joden in Mauthausen

9 minuten leestijd
Nederlandse Joden uit Buchenwald, gekleed in gevangenisuniformen met een gele ster en de letter "N", voor Nederland, staan ​​in de houding tijdens een appèl in concentratiekamp Mauthausen.
Nederlandse Joden uit Buchenwald, gekleed in gevangenisuniformen met een gele ster en de letter "N", voor Nederland, staan ​​in de houding tijdens een appèl in concentratiekamp Mauthausen.
In de herfst van 1941 komen vanuit Nederland steeds meer berichten binnen over het lot van gearresteerde Joden die naar het nazi-concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk zijn gedeporteerd. Het sterftecijfer blijkt schrikbarend hoog en de verhalen over mishandeling en zware dwangarbeid zorgen voor grote onrust. Zelfs in neutrale landen als Zweden wordt met bezorgdheid gereageerd. In zijn boek Laat varen alle hoop beschrijft historicus Gerben Post de geschiedenis van de bijna tweeduizend Nederlanders die in Mauthausen gevangen zaten – van wie er slechts een enkeling terugkeerde. Op Historiek publiceren we een fragment waarin de internationale reacties op de wrede behandeling in Mauthausen centraal staan.

‘Wat thans geschiedt, is ondraaglijk’

Lodewijk Ernst Visser
Lodewijk Ernst Visser, 1938
In het najaar van 1941 besluit mr. Lodewijk Visser (jurist en voormalig president van de Hoge Raad, die in oorlogstijd opkwam voor de belangen van Joodse Nederlanders, red.) om nog een poging te wagen om de behandeling van de Nederlandse Joden in Mauthausen aan te kaarten bij de Duitse autoriteiten. Nadat het in juni mislukt was rechtstreeks met Rauter in contact te komen, gooit hij het op 14 oktober over een andere boeg.

Ditmaal schrijft hij een brief aan het college van secretarissen-generaal, dat dan wordt voorgezeten door Karel Frederiks van het departement van Binnenlandse Zaken. De aanleiding hiervoor zijn de recente razzia’s van september en oktober. Over die laatste weet mr. Visser te melden dat het aantal gearresteerden nog niet met zekerheid aan te geven is…

…daar een groot getal Joden, hetzij vooraf gewaarschuwd, hetzij op het laatste moment heeft weten te ontkomen. Zij zwerven thans rond, nu hier, dan daar, in gedwongen overtreding van de Anordnung van 15 september jongstleden. (…) Niemand weet echter wanneer en waar de volgende slag zal vallen. Een grote onrust begint dan ook het Joodse volksdeel te bevangen; velen hebben reeds hun woningen verlaten; telkens duiken geruchten over een naderend onheil op, nu hier, dan daar, enige dagen geleden in Den Haag, waar de gevolgen daarvan nog lang niet tot het verleden behoren. Door die geruchten ontstaat telkens een grote schrik onder de Joodse bevolking van de betrokken plaats, die talrijken een goed heenkomen doet zoeken. Kan men dit euvel duiden, waar aanhouding, naar gebleken is, vrijwel gelijk staat met den dood… en met welk een dood?

Mr. Vissers zorgen betreffen niet alleen de razziaslachtoffers en de mannen die nu al enige tijd niet meer thuis durven te zijn. Ook de achtergebleven familieleden en vrienden van de gedeporteerde mannen moeten wat hem betreft ter sprake gebracht worden:

Men ziet de rouw van de achterblijvers. (…) Wat zullen op den duur hiervan de gevolgen zijn? (…) Den doden is niet meer te helpen; gered kan echter worden, wat overgebleven is; gespaard wat niet weggevoerd is, de onophoudelijke overvallen en de daaraan gebonden stijgende onrust kunnen een eind nemen. Wat thans geschiedt, is ondraaglijk.

Een week later stuurt mr. Visser nog een kort bericht naar het college om de secretarissen-generaal ervan op de hoogte te stellen dat volgens de laatste berichten al achttien mannen van de septembergroep overleden zijn. Twee dagen later volgt het bericht dat het aantal is opgelopen tot 37 en nog drie dagen later tot 57. In hetzelfde bericht merkt mr. Visser op dat het toch wel heel erg is dat de mannen die nog steeds niet naar hun woonadres zijn teruggekeerd, nu ook worden gezocht wegens het overtreden van de verordening van 15 september. Waarschijnlijk doelt hij hier op een landelijke verordening die een dag later zal ingaan en stelt dat Joden niet meer zonder vergunning mogen reizen.

Meinoud Rost van Tonningen
Meinoud Rost van Tonningen
Op 1 november bespreekt het college van secretarissen-generaal mr. Vissers brieven. Voorzitter Frederiks is van mening dat het college zich tot rijkscommissaris Seyss-Inquart moet richten. Niet om te protesteren tegen de razzia’s, maar om hem te verzoeken ervoor te zorgen dat de reeds gearresteerden een betere behandeling krijgen. Hierover ontspint zich in het college een fikse discussie. Vanzelfsprekend willen NSB-leden Meinoud Rost van Tonningen, Jaap Schrieke en Tobie Goedewaagen geen akkoord geven aan Frederiks’ voorstel. De meeste andere secretarissen-generaal twijfelen, behalve Van Dam van Onderwijs en voorzitter Frederiks zelf. Zij blijven erop aandringen dat de hoge sterftecijfers onder de Nederlanders in Mauthausen op grond van humanitaire beginselen bij Seyss-Inquart onder de aandacht moeten worden gebracht. Er moet wat hen betreft echter wel een verschil worden gemaakt tussen de Nederlandse en de Duitse Joden onder de gevangenen.

Rost van Tonningen vindt dit onzin:

Joden zijn geen Nederlanders…

…brengt hij in tegen Frederiks’ ideeën. Die laatste is het daar niet mee eens en zelfs al zou dat zo zijn, is zijn antwoord, dan nog ‘leven zij onder Nederlandse rechtsbescherming’. Daarmee hakt Frederiks de knoop door. Namens het college van secretarissen-generaal, met uitzondering van de drie NSB’ers, zal hij proberen met Seyss-Inquart in contact te treden om de kwestie te bespreken.

Een aantal dagen later krijgt mr. Visser het verzoek zich bij Frederiks te melden. Daar krijgt hij een verslag van de vergadering van het college en Frederiks’ poging met Seyss-Inquart te spreken. Dat is nog niet gelukt omdat de rijkscommissaris de stad uit is. Zijn plaatsvervanger, de Generalkommissar für Verwaltung und Justiz Friedrich Wimmer, heeft hem te woord gestaan en gezegd er geen idee van te hebben dat de sterfte onder de ‘gijzelaars’ zo hoog is. De cijfers zijn, zegt hij tegen Frederiks, inderdaad wel verontrustend. Hier moet wat hem betreft vanuit Berlijn dan ook iets aan gedaan worden en hij raadt Frederiks aan hierover met Rauter in gesprek te gaan.

Hanns Albin Rauter
Hanns Albin Rauter
Die blijkt uiteraard wél op de hoogte te zijn. Tijdens deze bespreking verwijt hij Frederiks dat hij hem lastigvalt met Jodenzaken. Frederiks brengt ertegen in dat het hier wél Joodse landgenoten betreft die onder zijn rechtsbescherming vallen. Dit kalmeert Rauter enigszins en hij geeft toe dat de situatie in Mauthausen wel wat bar is. Onder de gevangenen bevinden zich vast ook jongens met een tengere lichaamsbouw en zij zijn nu nét naar het allerzwaarste kamp gestuurd. ‘U bijvoorbeeld,’ zegt Rauter tegen Frederiks…

…zou het er geen halfjaar uithouden, ikzelf misschien anderhalf jaar.

Ten slotte belooft Rauter dat hij iemand naar Berlijn zal sturen met de boodschap dat de Duitse autoriteiten in Nederland niet langer hun verantwoordelijkheid kunnen nemen als men in Mauthausen op dezelfde wijze met de Joden blijft omgaan.

‘Rauters toezegging lijkt een reactie te zijn op de wensen van mr. Visser. Niets is echter minder waar.’

Na Frederiks’ verslag vraagt mr. Visser hem of Rauter nog toezeggingen heeft gedaan over de toekomst. Dat is zo, zegt Frederiks, Rauter heeft toegezegd de komende tijd af te zien van grootschalige gevangennemingen, tenzij er weer sabotageacties plaatshebben. Het stelt mr. Visser niet voldoende gerust om de mannen die nog steeds niet naar huis durven te gaan, aan te sporen dit toch vooral wel te doen. Frederiks geeft hem daarin gelijk.

Deel van concentratiekamp Mauthausen
Deel van concentratiekamp Mauthausen (CC BY 2.5 nl – P.H. Louw – wiki)

Als mr. Visser een aantal weken later weer bij Frederiks langsgaat, meldt die hem met een stralend gezicht dat hij nu goed nieuws heeft. De man die door Rauter naar Berlijn was gestuurd, is teruggekomen met de boodschap dat de Berlijnse autoriteiten hebben toegezegd dat Joden in het vervolg niet langer naar Mauthausen zullen worden gestuurd. ‘Maar,’ voegt Frederiks hieraan toe…

…voor hen die daar reeds zijn, doet u beter alle hoop op te geven. Die weten te veel.

Rauters toezegging om een einde te maken aan de deportaties van Nederlandse Joden naar Mauthausen lijkt een reactie te zijn op de wensen van mr. Visser en een deel van het college van secretarissengeneraal. Niets is echter minder waar. Wat zij niet weten is dat de autoriteiten in Berlijn hierover al eerder een beslissing hebben genomen. Deze is niet gebaseerd op klachten uit Nederland, maar komt voort uit eigenbelang en de bescherming van Duitse staatsburgers die in handen zijn gevallen van vijandige mogendheden.

Zweedse interventie

De berichten over de hoge sterftecijfers onder de Nederlandse Joodse jongemannen in Mauthausen bereiken ook verschillende andere landen. Op 18 november 1941 staat er in The New York Times zelfs een kort artikel met de kop ‘400 of 680 Sent To Camp Dead’. De Verenigde Staten hebben zich op het moment van het verschijnen van het artikel nog niet in de oorlog gemengd. Daarom kunnen de berichten omtrent de vele doodsberichten die in Nederland aankomen, nog gemakkelijk naar Amerika worden gestuurd. Het artikel weet daardoor redelijk accuraat te melden dat nabestaanden vaak niet op de hoogte worden gebracht van doodsoorzaken en ook de as en persoonlijke bezittingen van de slachtoffers niet toegestuurd krijgen. De Nederlandse bron – die anoniem blijft – heeft ook gemeld dat er sterke vermoedens bestaan dat de hoge sterfte vooral komt door zwaar werk, slechte behandeling, onvoldoende voedsel en onhygiënische leefomstandigheden.

Uitputtende en zinloze lichamelijke oefeningen waren een van de methoden om de gevangenen ‘uit te putten’
Uitputtende en zinloze lichamelijke oefeningen waren in Mauthausen een van de methoden om de gevangenen ‘uit te putten’. (CC BY-SA 3.0 de – Bundesarchiv – wiki)

Al in de zomer van 1941 dringen deze berichten ook tot Zweden door. Doordat dit land neutraal is, is het net als naar de Verenigde Staten mogelijk om vanuit Nederland informatie door te sturen. Op 25 juli verzendt de Nederlandse ambassadeur in Stockholm een bericht naar de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, ‘tijdelijk in Londen’, om hem te vertellen dat hij vermoedt dat de Nederlandse Joden op dezelfde wijze behandeld worden als politieke misdadigers en dus niet als gijzelaars. Daarnaast heeft hij uit betrouwbare bron vernomen dat de mannen worden gedwongen zware lichamelijke arbeid te verrichten.

Rond diezelfde periode doet de Zweedse kolonel Erik de Laval een eerste poging om de Zweedse ambassadeur in Berlijn in Mauthausen te laten langsgaan om de situatie van de Nederlandse gevangenen aldaar te bekijken. Zijn poging blijft, net als een tweede verzoek begin september 1941, zonder resultaat. De Laval neemt een advocaat in de arm om te laten uitzoeken of er door Zweedse tussenkomst misschien mogelijkheden bestaan om het lot van de Nederlandse Joden iets te verzachten. Deze wijst de opdracht al snel af omdat hij ervan overtuigd is dat iedereen die zich met deze kwestie bemoeit, zijn eigen veiligheid riskeert. Daarnaast lijkt een positief resultaat volledig uitgesloten.

Nationaal Nederlands monument in het concentratiekamp van Appie Drielsma (CC BY-SA 4.0 – Geak – wiki)

Na de vierde razzia in Nederland doet de Zweedse ambassadeur in Berlijn op 13 oktober 1941 een derde poging om de Nederlandse Joden in Mauthausen te bezoeken. Ditmaal wordt het verzoek gericht aan het hoofd van de juridische afdeling van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken, Erich Albrecht. Die antwoordt hierop dat de Nederlandse Joden in Mauthausen gevangenzitten wegens de onlusten die zich in Amsterdam hebben voorgedaan en dat communistische elementen de drijvende factor zijn geweest. Het Zweedse verzoek wordt wederom niet gehonoreerd en om de Zweedse ambassadeur aan het lijntje te houden stelt Albrecht hem verdere informatie in het vooruitzicht.

De Duitse autoriteiten bevinden zich nu in een lastige situatie. De afwimpeling van het Zweedse verzoek is problematisch. Zweden treedt niet alleen op als beschermende macht voor de inwoners van verschillende, door Duitsland bezette landen, maar ook als belangenbehartiger voor Duitsers die geïnterneerd zijn in landen waarmee Duitsland in oorlog is. Als de Zweedse ambassadeur niet naar Mauthausen mag komen, lopen ze het risico dat Zweden de handen aftrekt van deze Duitse gevangenen en een eventuele uitwisseling van geïnterneerden mag niet in gevaar komen.

Laat varen alle hoop - Gerben Post
 
Op 5 november 1941 komt het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken met een oplossing die ervoor moet zorgen dat Zweden in de toekomst geen invloed meer heeft op de behandeling van gevangenen en tegelijkertijd dat Zweden de Duitse belangen in vijandige landen zal blijven behartigen en zal optreden bij een eventuele uitwisseling. De oplossing die het ministerie voorstaat, is dat personen die in de door Duitsland bezette landen worden gearresteerd, niet langer naar het Duitse Rijk zullen worden overgebracht maar gevangengezet zullen worden in hun eigen land. Op die manier blijven ze buiten de Zweedse invloed. Daarnaast mogen de doodsberichten uit de kampen niet langer de indruk wekken dat het overlijden op een bepaalde datum heeft plaatsgevonden. Een betere spreiding van ‘sterfdata’ is dus wenselijk.

De beslissing om gearresteerden voorlopig in eigen land gevangen te zetten betekent voor Nederland dat er tijdelijk een einde komt aan de deportaties van Joodse mannen naar Mauthausen. De slachtoffers van de oktoberrazzia zijn daarmee voorlopig de laatste Nederlanders die naar dit kamp zijn overgebracht.

×