Dat Bertrand Russell (1872-1970) een van de bekendste filosofen en wetenschappers van de twintigste eeuw in de westerse wereld werd, heeft hij maar ten dele te danken aan de vele disciplines die hij beoefende. Hij was filosoof, vooraanstaand wiskundige, logicus en historicus. Daarnaast was hij actief als humanist, pacifist, strijder voor sociale rechtvaardigheid en tegen religieuze dogma’s, als moralist en seksueel hervormer. Zijn roem is vooral te danken aan zijn publieksgerichtheid en zijn vaardigheid om ingewikkelde zaken in klare taal te verwoorden.
Vroege jaren

Bertrands puberteitsjaren werden, niet verwonderlijk, geteisterd door ernstige depressies. Zijn liefde voor de natuur en boeken redden hem, zou hij in zijn autobiografie verklaren. Zijn verlangen om meer over wiskunde te leren behoedde hem zelfs voor zelfmoord.
Verdere ontwikkeling
Tijdens zijn adolescentie was Russell een groot bewonderaar van de romantische dichter Percy Bysshe Shelley. Zijn eigen weg zou een geheel andere zijn. Vanaf 1890 studeerde hij aan het Trinity College (Cambridge) wiskunde en filosofie. Tegen het advies van zijn grootmoeder in trouwde hij in 1894 met de Amerikaanse Quaker Alys Pearsall Smith. Zijn wetenschappelijke loopbaan startte in 1896 met een positie aan de London School of Economics. In dit jaar publiceerde hij ook zijn eerste boek, dat handelde over het Duitse socialisme en was geïnspireerd door een bezoek aan Berlijn.

Na stranding van zijn huwelijk met Alys trouwde Bertrand in 1921 met Dora Black, met wie hij twee kinderen kreeg. Ook dit huwelijk eindigde en werd opgevolgd door een huwelijk met Patricia Spence (1936). Na een volgende echtscheiding huwde hij tenslotte met Edith Finch en deze verbintenis hield stand tot Russells dood.
Wiskunde en logica
Russell onderzocht de grondslagen van de wiskunde en publiceerde veel over logica. Een van zijn belangrijkste essays is On denoting (1905), waarin hij betoogde dat verwijzende zinnen logisch kunnen worden geherformuleerd, om verwarringen over de betekenis en onware verwijzingen op te lossen. Het essay zette zich af tegen de ideeën van de Oostenrijkse filosoof Alexius Meinong en Gottlob Frege, een Duitse wiskundige en filosoof. Meinong had onder meer beweerd dat een rond vierkant buiten het ‘zijn’ en ‘niet-zijn’ als intentie bestond.

Met Alfred North Whitehead schreef hij het invloedrijke Principia Mathematica (1910-1913), een poging om het bereik van de wiskunde te reduceren tot logica. In Our Knowledge of the External World (1914) ontwikkelde Russell de theorie van het logisch atomisme, als poging om de werkelijkheid te analyseren in logische termen. Ook schreef hij meer populariserend werk, zoals The Problems of Philosophy (1912) en Introduction to Mathematical Philosophy (1919).
‘Neutral monism’
Sinds ongeveer 1927 propageerde Russell het begrip neutral monism, dat een brug wilde slaan tussen de uitersten van de filosofieën van materialisme en idealisme. Het scherpe onderscheid tussen geest en stof of materie werd hierin geneutraliseerd: de fundamentele aard van de werkelijkheid was fysisch noch geestelijk, maar ‘neutraal’.
Welzijn en vrijheid
Men zag Russell als een van de belangrijkste filosofen van zijn tijd en hij ontving dan ook veel onderscheidingen. Zoals de Faraday Medal (1940) en de Nobelprijs voor Literatuur (1950). Deze laatste eerde zijn bijdrage aan het menselijk welzijn en vrijzinnig denken, en wijst op de omslag die zich in Russells werk af was gaan tekenen: van vooral uiterst diepzinnig grondslagenonderzoek naar popularisering, sociaal-maatschappelijke onderwerpen, godsdienst en moraal.

Een belangrijke impuls voor deze belangstellingssfeer was een ‘soort mystieke verlichting’ die Russell in 1901 onderging, toen hij getuige was geweest van een hartaanval bij Whitehead’s vrouw. Na vijf minuten was hij een geheel ander mens geworden…
…met een verlangen bijna zo diep als dat van de Boeddha om een filosofie te vinden die het menselijk leven draaglijk zou maken.

Pacifisme
Gedurende de Eerste Wereldoorlog was Russell een van de weinigen die pacifistische activiteiten bedreef, hij werd hierom door Trinity College ontslagen na een veroordeling. In 1918 ging hij een half jaar de gevangenis in omdat hij tegen de Amerikaanse deelname aan de oorlog had geageerd. Hij las en schreef er ongehinderd:
Ik vond de gevangenis in veel opzichten aangenaam. Ik had geen verplichtingen, moest geen moeilijke beslissingen nemen, had geen hinder van bezoekers en geen onderbrekingen van mijn werk.
Hij merkte met de hem kenmerkende, licht vileine humor op dat de andere gevangenen moreel weinig onder schenen te doen voor de burgers buiten. Met dien verstande dat ze gemiddeld misschien wat minder intelligent waren, omdat ze waren gepakt.
In latere jaren was Russell weer verschillende malen verbonden aan Trinity College, het laatst als fellow in 1944-1949. Het pacifisme bleef hij levenslang uitdragen, na de Tweede Wereldoorlog als welbespraakt tegenstander van zowel kernbewapening als de oorlog in Vietnam.

Seksualiteit en moraal
Met Marriage and Morals (1929) liep Russell decennia voor op de opvattingen van zijn tijd. Zo vestigde hij de aandacht op het euvel van verkrachting binnen het huwelijk, dat veel voorkwam omdat het huwelijk voor vrouwen de meest voorkomende vorm van levensonderhoud was:
De totale hoeveelheid ongewenste seks die vrouwen moeten verdragen is vermoedelijk groter in het huwelijk dan in prostitutie.
Ook kwam Russell in dit boek op voor zaken als geboortebeperking, legalisering van homoseksualiteit, betere seksuele opvoeding, makkelijker echtscheiding en vrijheid voor vrouwen om hun eigen ontplooiing en loopbaan te bepalen. Zelf had hij tijdens en tussen zijn huwelijken door verschillende verhoudingen, en bepleitte ook seksuele vrijheid.

Grote geesten hebben altijd gewelddadige oppositie ondervonden van middelmatigen.
Eerbetoon
Ondanks alle controverses – hij verzette zich bijvoorbeeld ook tegen de vestiging van de staat Israël – bleven diverse eerbewijzen Russells genie erkennen. In 1949 ontving hij de Order of Merit, een Britse onderscheiding die door het staatshoofd wordt toegekend voor bijzondere verdiensten in leger, wetenschap, kunst, literatuur of cultuur. De al genoemde Nobelprijs ontving hij met name voor Marriage and Morals. In ditzelfde jaar 1950 verschenen zijn Unpopular Essays over filosofie, politiek en cultuur, waarin vaak weer provocerende meningen werden geventileerd.
Russel was intussen aardig op leeftijd, maar schreef en verkondigde onverdroten door. In 1962, hij was toen negentig, verscheen in het Nederlandse literaire tijdschrift Tirade een bijdrage met de titel ‘Ethisch pluralisme’, waarin hij als vanouds van leer trok tegen de talloze regels die religies hun aanhangers opleggen:
Het geloof in het belang van gedragsregels is bijgeloof. Het is alleen van belang dat men zorgt voor een zinvolle levensinhoud. (…) Een zakenman die vriendelijk is voor zijn personeel maar verliefd wordt op zijn secretaresse is slecht, terwijl een ander die zijn personeel afbekt maar zijn vrouw trouw is met respect bejegend wordt. Zo’n wijze van beoordeling is je zuiverste bijgeloof en het is hoog tijd dat we ervan verlost worden.
Over de reikwijdte van de wetenschap meldde Russell:
Het is niet de taak van de wetenschap om uiteen te zetten waarvoor de mens moet leven en hem van de waarde van dit levensdoel te overtuigen. Dat is de taak van de profeet, de kunstenaar en de dichter.
Kwam dit uit dezelfde bron die ook zijn jeugdige liefde voor de dichter Shelley had gevoed?
Laatste decennia

Kritiek
Nog omstreeks 1960 noemde het Vaticaan Russell een van de verderfelijkste schrijvers van de twintigste eeuw. Maar ook uit andere hoek bleef zijn veelzijdige werk uiteraard niet gespeend van kritiek, of het nu zijn grondslagenonderzoek op het gebied van wiskunde en logica betrof of zijn sociale en ideologische kritiek.
Een van zijn critici was de door Russell zeer gesteunde filosoof Ludwig Wittgenstein, die in 1911 voor het eerst zijn kamer binnenstapte. ‘Een onbekende Duitser kwam binnen,’ schreef Russell die dag aan een vriendin, ‘die amper Engels sprak, maar weigerde over te gaan in het Duits. Hij was naar Cambridge gekomen om college bij mij te volgen.’ Deze colleges werden vaak gevolgd door lange monologen over logica van de briljante, maar moeilijke student. ‘Mijn Duitse ingenieur is volgens mij een dwaas,’ schreef Russell in een andere brief.
Hij is ervan overtuigd dat niets empirisch kenbaar is. Ik vroeg hem toe te geven dat er geen neushoorn in de zaal aanwezig was, maar dat weigerde hij.

Russells religiekritiek werd door weer anderen beschouwd als te letterlijk en te rationalistisch. Hoewel hij wel degelijk oog had voor de tragische en verschrikkelijke aspecten van het leven, beschouwden velen zijn optimistisch getinte humanisme als onrealistisch. In het gefilmde interview Message to Future Generations uit 1959 bracht Russell zijn ideeën over moraal en de verhouding tussen gevoel en ratio terug tot deze kern: ‘Liefde is wijs, haat is dwaas.’
Message to Future Generations
– Thijs Lijster en Jan Sietsma, ‘De Grote Ontmoeting tussen Russell en Wittgenstein: ‘Je zal er toch nooit iets van begrijpen’’. Filosofie Magazine 19 maart 2013, URL: https://www.filosofie.nl/je-zal-er-toch-nooit-iets-van-begrijpen-2/
– Caroline Moorhead, Bertrand Russell. A life (London 1992).
– Bertrand Russell, The Autobiography of Bertrand Russell (3 dln., London 1967–1969).
– Bertrand Russell, ‘Ethisch pluralisme’, Tirade 6 (1972) 481-489.
Ludwig Wittgenstein – Beroemd Oostenrijks taalfilosoof
De geest uit de fles – Hoe de moderne mens werd wie hij is
Caernarfon Castle en de verovering van Wales
Volkslied van Wales – Hen Wlad Fy Nhadau
Miljoenen daken werden bedekt met leisteen uit Wales