Florence – Startpunt van de tweede bloeiperiode

De geniale stad – Koen De Vos
Wat de zeventiende eeuw voor Amsterdam is, is de vijftiende eeuw voor Florence. In minder dan honderd jaar vestigden kunstenaars en denkers als Leonardo da Vinci, Michelangelo, Machiavelli, Rafaël, Botticelli, Brunelleschi, Fra Angelico en Lorenzo de’ Medici de naam van deze kleine stad. Hun werken worden over de hele wereld bewonderd. Deze kunstenaars en geleerden stonden aan de vooravond van de renaissance, een periode die talloze innovaties in de kunst zou introduceren. In zijn recent verschenen boek De geniale stad (Ambo|Anthos) staat wetenschapper Koen De Vos stil bij de geschiedenis van Florence en brengt hij een ode aan de Italiaanse renaissance. Op Historiek publiceren we een fragment uit dit boek, over de tweede bloeiperiode van Florence, die begin vijftiende eeuw begon.

De hefboom van een rijk verleden

Op 1 januari 1400 stonden de Florentijnen aan het begin van een nieuw tijdperk dat men nu de renaissance noemt. Dat suggereert dat de Florentijnse cultuur in de periode voor 1400 op een dood spoor zat en dat ze plots het licht zag en zich in geen tijd ontwikkelde van een achtergestelde middeleeuwse cultuur tot een hoogstaande beschaving. De Florentijnen in die tijd zagen dat echter niet zo. Ze hadden niet de indruk dat ze een periode van verval achter de rug hadden en dat ze aan de vooravond stonden van grootse en roemrijke tijden. Integendeel, bronnen uit die tijd laten een volk zien dat juist heimwee had naar vroeger. Hun gouden tijd, zo dachten ze toen, was voorbij en de komende jaren zou het alleen maar slechter worden.

Dante Alighieri door Sandro Botticelli, met lauwerkrans
Dante Alighieri door Sandro Botticelli, met lauwerkrans
Deze indruk was niet geheel onbegrijpelijk. In het gezegende jaar 1400 kon Florence immers bogen op een bijzonder rijke geschiedenis die van de stad, zowel op economisch als op cultureel vlak, een van de toonaangevende steden van Europa had gemaakt. In de dertiende en de eerste helft van de veertiende eeuw beheersten de Florentijnse banken de Europese financiële markten. De Florentijn Giotto was zowat de beroemdste schilder op aarde. En met Dante en Boccaccio had Florence twee van de grootste namen uit de Italiaanse literatuur voortgebracht.

Het ging de Florentijnen in de eeuwen voor 1400 zelfs zo voor de wind dat je je kunt afvragen of je het startpunt van de Florentijnse bloeiperiode niet eerder moet situeren, rond 1265 of 1266 bijvoorbeeld, de geboortejaren van respectievelijk Dante en Giotto. Daar is zeker wat voor te zeggen, ware er niet die spectaculaire terugval in de veertiende eeuw. De weersomstandigheden begonnen plots te verslechteren, regelmatige hongersnoden ondermijnden het moreel van de boeren, de Honderdjarige Oorlog tussen de Fransen en de Engelsen putte Europa uit, waarna de Florentijnse Bardi en Peruzzi-banken crashten en de Florentijnse economie de afgrond in dreven. En alsof dat nog niet voldoende was, werd het al zo zwaar getroffen Europa in 1347-1348 geconfronteerd met de pest, die maar liefst driekwart van de Florentijnse bevolking de dood in joeg. Deze opeenvolging van calamiteiten had zware gevolgen voor de stad. Zo braken in de tweede helft van de veertiende eeuw burgeropstanden uit in Florence die toen al, driehonderd jaar voor de Franse Revolutie, de arbeiders voor korte tijd aan de macht brachten. Tel daar de meer dan tien jaar durende oorlog met Milaan bij op die de Florentijnen op het punt stonden te verliezen, en het is niet meer dan logisch dat op 1 januari 1400 de Florentijnen veeleer moe dan hoopvol waren. Eerder dan zich op te maken voor een nieuw festijn likten ze hun wonden en keken ze met een nostalgische blik terug op hun voorgeschiedenis en vooral op die fantastische eerste helft van de voorbije veertiende eeuw. In hun ogen liet niets toen uitschijnen dat hun zwaar getroffen stad zo snel het decor zou zijn van een nieuwe, nog stralender bloeitijd.

Sulla of Caesar: Florence is een Romeinse stad

Marmeren buste van Sulla: kopie uit de augusteïsche periode van een origineel uit de 2e eeuw v.Chr.
Marmeren buste van Sulla: kopie uit de augusteïsche periode van een origineel uit de 2e eeuw v.Chr. (Publiek Domein – wiki)
Florence werd voor de eerste keer gesticht door de Etrusken in 200 v.Chr. maar al in 82 v.Chr. met de grond gelijkgemaakt door het Romeinse leger. De aanvoerder van dat leger was generaal Lucius Cornelius Sulla, beter bekend als Sulla. Drieëntwintig jaar later, in 59 v.Chr., werd Florence voor de tweede maal gesticht, ditmaal door Julius Caesar die de stad de naam Florentia (stad der bloemen of bloeiende stad) schonk, misschien uit een soort voorvoelen van al het moois dat de stad zou voortbrengen. Als overtuigde republikeinen konden de Florentijnen het echter maar matig appreciëren dat precies Caesar, de man die de Romeinse Republiek vernietigd had, hun stad gesticht zou hebben. Daarom verdraaiden de Florentijnse spindoctors hun geschiedenis en verkondigden aan iedereen die het wou horen dat hun stad gesticht was door Sulla, de man die hun stad enkele jaren eerder vernietigd had. Net als Caesar was Sulla een dictator, maar Sulla had de Romeinse Republiek niet vernietigd en hij stond alom bekend om zijn uitgesproken republikeinse sympathieën.

Van 59 v.Chr. maken we een sprong naar 300 n.Chr., toen Florentia de hoofdstad werd van de Romeinse provincie Tuscia en nog verder naar 476 n.Chr. toen de stad, net als heel het West-Romeinse Rijk, onder de voet werd gelopen door Germaanse stammen. Eerst kwamen de Goten de Florentijnen regeren, dan de Byzantijnen, de Longobarden en in de achtste eeuw was het de beurt aan Karel de Grote, koning der Franken en keizer van het nieuwe West-Romeinse Rijk.

Goddelijke komedie van burgeroorlogen en vendetta’s

Na het mythische jaar 1000, nog steeds onder controle van de Heilige Roomse keizer, kwam Florence net als vele andere Europese steden in een positieve flow terecht die met pieken en dalen tot begin dertiende eeuw zou aanhouden. Economisch ging het de stad voor de wind en in navolging van andere Italiaanse steden zoals Pisa, Pistoia, Arezzo en Bologna, namen de stadsbewoners het heft in eigen handen en richtten een republiek op. Toch weerhield deze bloei er de inwoners niet van om van tijd tot tijd burgeroorlogen te ontketenen waarvan de eigenlijke oorzaak lag in de massale immigratie van de boeren en de vroegere landadel naar de stad.

Blik op het moderne Florence
Blik op het moderne Florence (CC0 – Pixabay – Walkerssk)

Om de steeds groter wordende Florentijnse bevolking van vlees, groenten en graan te voorzien was de stad afhankelijk van boeren uit het omringende platteland die elke dag naar Florence trokken om hun waren aan de man te brengen. Eén obstakel verstoorde deze voordelige uitwisseling tussen platteland en stad, namelijk de tol die de boeren moesten betalen aan de adellijke landeigenaren, die nog altijd het land en de handelsroutes rondom de stad in handen hadden. Voor de steeds verder uitdijende stad was deze economische afhankelijkheid van de landadel onhoudbaar. Daarom veroverden de Florentijnse stedelingen het platteland rond de stad, brachten de handelsroutes onder hun controle en vernietigden de feodale kastelen van de adel.

Gekortwiekt door het verlies van hun grond en tolroutes verlieten de meeste adellijke landeigenaren hun kastelen en vestigden ze zich, net als vele boeren, in de uit haar voegen barstende stad. Dat veroorzaakte heel wat problemen, want naast hun rijkdom smokkelden de adellijke families ook hun feodale waarden en gewoonten de stad binnen. Ze bouwden woningen die verdacht goed leken op hun oude versterkte kastelen en hun neiging om elk conflict met het zwaard te beslechten konden ze maar moeilijk onderdrukken. Bloedwraak was daarbij hun meest primaire instinct: doe je mijn clan iets aan, dan betaal ik het je dubbel en dik terug. Op het platteland kon je daar nog mee wegkomen, maar niet in een dichtbevolkte stad waar te weinig ruimte is voor zwaardgevechten en de sociale controle veel groter is. Bovendien ben je in een stad, waar je met vele duizenden bij elkaar woont, afhankelijk van de goodwill van je buren om te overleven en fortuin te maken. En ten slotte, de rijke handelaars en feitelijke bestuurders van de stad hielden niet van dat adellijke riddergedoe en het bijhorende geweld, omdat die hun winstgevende handelspraktijken belemmerden. Voor de adellijke immigranten zat er niets anders op: ze moesten zich aanpassen. Aanvankelijk verliep dat aanpassingsproces bijzonder moeizaam en bloederig maar uiteindelijk, na een eeuw van burgeroorlogen, slaagden de ontheemde ridders erin hun feodale gewoonten te temperen en zich de meer diplomatisch getinte levensstijl van de stedelijken eigen te maken.

De eerste van die burgeroorlogen nam een aanvang in 1216. Officieel ging het om een ideologisch conflict tussen de Welfen – supporters van de paus – en de Ghibellijnen – aanhangers van de Roomse keizer. Maar in wezen was het een ordinaire en op bloedwraak gerichte machtsstrijd tussen rivaliserende families met adellijke wortels. Het conflict mondde uit in afrekeningen, brandhaarden en massamoorden, en duurde tientallen jaren voort, tot aan het einde van de dertiende eeuw de Welfen en de Ghibellijnen vrede sloten.

Incipit van de eerste druk van 'De goddelijke komedie' in 1472 door Johann Neumeister, gedrukt in Foligno. - wiki
Incipit van de eerste druk van ‘De goddelijke komedie’ in 1472 door Johann Neumeister, gedrukt in Foligno. – wiki
Lang duurde de vrede niet, want in 1296 stak een nieuwe burgeroorlog de kop op, nu tussen de zwarten – de neo-Welfen of supporters van de paus – en de witten – de neo-Ghibellijnen of supporters van de Roomse keizer. Het bekendste slachtoffer van die oorlog was Dante Alighieri, die voor het leven uit Florence verbannen werd. Ver van zijn geliefde en vaak door hem gehate Florence schreef hij La Divina Commedia (De goddelijke komedie). De zinnenprikkelende evocatie van de hel in dat boek was deels beïnvloed door de burgeroorlogen die Dante in Florence had meegemaakt en deels ook bedoeld om af te rekenen met zijn politieke vijanden die hij een toekomst in de hel voorzag.

Ondanks die burgeroorlogen bleef de Florentijnse economie in de dertiende en de veertiende eeuw op volle toeren draaien met als exponent de al genoemde Bardi en Peruzzi-banken die uitgroeiden tot Europese multinationals avant la lettre. Het was ook een tijd van culturele bloei: Petrarca lanceerde het humanisme, Dante schreef zoals gezegd zijn La Divina Commedia, Boccaccio zijn Decamerone en met Giotto en Cimabue verschenen nieuwe schildervedettes aan het firmament.

De stad werd ook alsmaar groter en annexeerde alle kleinere steden en adellijke burchten uit de buurt, waardoor het stilaan kon concurreren met de andere grootmachten op het Italiaanse schiereiland zoals Milaan, Genua, Venetië, de Pauselijke Staten en het koninkrijk Napels. Verspreid in de invloedssferen van die vijf grootmachten lagen kleinere rijke steden zoals Pisa, Urbino, Mantova, Siena, Lucca, Ferrara, Perugia. Ook de Florentijnse bevolking nam toe: van 20.000 inwoners in het begin van de dertiende eeuw tot 90.000 in het midden van de veertiende eeuw. Dat was de glorieuze toestand waarin de stadstaat Florence zich bevond in de jaren veertig van de veertiende eeuw toen plots de door Dante beschreven hel echt losbarstte: kort na elkaar crashten de grote Florentijnse banken, het economische bestel stortte in elkaar, de pest brak uit en burgeropstanden deden de stad op haar grondvesten schudden.

De nieuwe rijken nemen de macht

Hoewel velen dachten dat de wereld op haar einde liep, slaagde de stad erin de vele rampen te overleven en worstelde ze zich door tientallen jaren van malaise alvorens de vijftiende eeuw binnen te treden. De economie draaide niet schitterend, maar Florence was nog altijd een rijke stad en had nog steeds de reputatie een cultuurcentrum te zijn, niet in het minst door haar opmerkelijke culturele prestaties uit de vorige eeuwen. Het Florence van begin 1400 was echter niet de mooie open harmonieuze renaissancestad waarmee je vandaag bekend bent. Denk eerder aan een typische middeleeuwse stad met nauwe straten, kleine huizen en weinig tuinen, pleinen of open ruimtes.

Qua bevolkingsaantal had Florence zich op 1 januari 1400 al gedeeltelijk hersteld, want de stad telde opnieuw ongeveer 50.000 à 60.000 inwoners. Net als voorheen bestond de bovenlaag van de bevolking uit geslaagde industriëlen, handelaars en landeigenaren met daaronder een redelijk welstellende middenklasse van kleinere handelaars, ambachtslui en ambtenaren. Helemaal onder aan de sociale ladder bevonden zich de armen of de miserabili die volgens de catasto van 1427 (registratie van eigendom) twintig procent van de bevolking uitmaakten.

Een terugkeer naar de toestand van vroeger, zo leek het op het eerste gezicht, maar toch was het sociale weefsel van de stad fundamenteel veranderd. De catastrofes, vooral de pest, hadden verschillende rijke en vooraanstaande families in enkele jaren tijd van de kaart geveegd. Daardoor waren tal van sleutelfiguren uit het politieke en economische bestel weggevallen, en met hen ook hun geld, kennis, ervaring en netwerk. Op korte termijn betekende deze sweep-out van topmensen een zware tegenslag voor het economische leven in Florence, maar deze situatie bood ook kansen aan alerte en ambitieuze nieuwkomers om de vrijgekomen plaatsen aan de top in te nemen. Deze nieuwe rijken modelleerden hun gedrag op dat van de oude families ook al verschilden ze op heel wat vlakken van hun voorgangers. Ze behoorden immers tot een andere generatie, een die was opgegroeid tijdens de recessie en die de pest en de burgeropstanden had meegemaakt. Daarenboven kwamen velen van hen voort uit een andere, vaak lagere sociale klasse. Daardoor hadden ze andere waarden meegekregen, keken ze anders tegen het leven aan en verschilde hun smaak, bijvoorbeeld op het gebied van kunst, van die van de vroegere elite.

De geniale stad - Koen De Vos
De geniale stad – Koen De Vos (€ 29,99)
Deze sociale veranderingen en machtswisselingen zijn cruciaal om te begrijpen waarom Florence opnieuw kon opbloeien in de vijftiende eeuw. Door de dramatische gebeurtenissen van de veertiende eeuw had een groep nieuwe rijken de macht gegrepen ten nadele van de oude aristocratie, die nog geworteld was in de vroegere landadel. Deze nieuwe rijken leunden eerder aan bij de nieuwe ideologie van het humanisme en de vita attiva omdat deze hun manier van leven en zakendoen ondersteunden en ze wilden deze nieuwe humanistische ideologie vertaald zien in de kunst die ze bestelden. De rampspoed van de tweede helft van de veertiende eeuw beëindigde dus Florence’ voorgaande bloeiperiode, maar bevorderde tegelijkertijd de opkomst van een nieuwe elite die, voorzien van een nieuwe ideologie en een andere smaak, de kunstenaars aanzette andere wegen te bewandelen.

En toch, ook al spreken we over een tweede bloeiperiode, de vijftiende-eeuwse Florentijnse kunstenaars bouwden voort op de successen en de gewoonten van hun voorgangers. Ze claimden dan wel een terugkeer naar de klassieke oudheid, hun grote voorbeelden waren niet de kunstenaars uit die oudheid maar de eigen Florentijnse sterren uit vroegere tijden, zoals Giotto, Cimabue, Boccaccio en Dante.

~ Koen De Vos

Boek: De geniale stad – Koen De Vos

Bestel dit boek bij:


Archiefstukken:

Meer tips ➱

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister