Dark
Light

Verlangen naar de natuur

Auteur:
15 minuten leestijd
Natuur bij Fontainebleau
Natuur bij Fontainebleau (CC0 - Pixabay - Gaimard)

Dit artikel begint in het bos van Fontainebleau bij Parijs en eindigt daar ook. Het spreekt van een hartstochtelijk verlangen naar de echte, ongerepte natuur. Met name in de cultuurperiode van de Romantiek (ca. 1790-1850). Een gepassioneerdheid die gepaard ging met een onverbiddelijke inspanning haar te onderzoeken en begrijpen.

Huiver voor wildernis

Ver vóór de komst van de stoomlocomotief, het rijwiel en automobiel werd er wat áf gelopen: naar de kerk, de markt, familie, met de muziek of processie mee. Maar meestal bleef men dichtbij huis en piekerde men er niet over ontoegankelijke gebieden binnen te gaan. Hooguit om aan de rand van het bos hout te sprokkelen of klein wild te vangen. Edelen en regenten op jacht naar groot wild gingen wél diep het bos in, onder de bescherming van een groot gezelschap en honden. Maar de gewone man in bijvoorbeeld Parijs dacht er niet aan om een wandeling in het bos rond Fontainebleau te maken en daar eens heerlijk van de natuur te gaan genieten. Maar dat veranderde.

Een lumineus idee

Nachtwakers, op jacht naar wildstropers, wisten niet wat zij zagen toen zij in het holst van de nacht een man tegenkwamen die daar in dat bos gewoon aan het wandelen was. Ze hielden hem staande. Tot hun stomme verbazing zagen zij dat hij een pot blauwe verf meezeulde. De bewakers vroegen wie hij was en wat hij daar uitspookte.

‘Claude-François Denecourt is mijn naam. Met deze blauwe verf breng ik op bomen en stenen blauwe markeringen aan, bedoeld als wegwijzers. Wie weet zorgen die ervoor dat mensen dieper het bos in durven…’.

Wegwijzer op een van de blauwe paden van het bos van Fontainebleau
Wegwijzer op een van de blauwe paden van het bos van Fontainebleau (CC BY-SA 4.0 – Dr Dobeaucoup – wiki)
De man vertelde dat hij dit werk alleen ’s nachts deed, bang als hij was dat de mensen hem anders voor gek zouden verklaren. Maar hij zette door. In de jaren 1840 gaf hij zijn Kaart met Bezienswaardigheden uit met daarop verschillende wandelroutes, elk met een eigen kleur. De markeringen die hij op de bomen en rotsblokken had aangebracht, maakten de bezoeker wegwijs in dit enorme woud van bijna zeventienduizend hectare. Ze leidden hem naar plaatsen die hij van zijn levensdagen nooit eerder had gezien. Op het vasteland van Europa was dit voor zover bekend de eerste gemarkeerde wandelroute. Later noteerde Denecourt er ook de wandeltijd bij. Mensen kwamen bij drommen op de routes af.

Ook plaatste hij uitkijkposten vanwaar de wandelaars een prachtig uitzicht hadden over de indrukwekkende natuur, oeroude zandsteenplateaus en bizar uitziende rotsen. En over eikenbomen, zo hoog als kathedralen. Die spraken zó tot de verbeelding van de wandelaars dat ze die een eigen naam gaven. Bijvoorbeeld de Jupiter, een eik van minstens driehonderd jaar oud, met een indrukwekkende takstructuur, diepgegroefde schors en een stamomtrek van zo’n zes meter. En niet te vergeten de Bodmer, een heuse woudreus.

Sentier au Georges de la Solle dans la 5e édition de L' Indicateur de Fontainebleau, Denecourt. Office de tourisme Fontainebleau
Sentier au Georges de la Solle dans la 5e édition de L’ Indicateur de Fontainebleau, Denecourt. Office de tourisme Fontainebleau

Zo ontvouwde zich voor de ogen van de wandelaars een totaal andere, duizelingwekkende wereld, tienduizenden jaren oud. En dát op maar zestig kilometer van Parijs. Dankzij het pas in gebruik genomen stoomtreintraject Parijs-Brunoy-Melun-Fontainebleau-Forêt was het woud ook nog eens makkelijk te bereiken. Onder de passagiers bevonden zich ook ook voormalige boerenknechten. Velen van hen waren opgegroeid op het platteland, maar hadden daar geen werk kunnen vinden. Vanaf 1830 vonden ze wel werk in katoen-, staalfabrieken en in de mijnen – Frankrijk industrialiseerde. Voor deze arbeiders was dit een dagje uit, waarbij ze even verlost waren van het moordend tempo waarin zij hun werk moesten doen – verlaagd tot verlengstuk van een machine, los geraakt van de natuur, in een leefomgeving verziekt door het lawaai van stoommachines, verstikkende fabriek uitstoot, verontreinigd water. Daar in het bos van Fontainebleau konden zij op verhaal komen, weer contact met de natuur krijgen, zoals ooit in hun jonge jaren. Onder de treinpassagiers ook schilders en schrijvers, met de gids van Denecourt op zak.

Navolging

Voorbeeld van een wandelboek van Jacobus Craandijk
Voorbeeld van een wandelboek van Jacobus Craandijk (dbnl)
Het idee van Denecourt kreeg navolging. Als eerste in Tsjechië. Rode pijlen wezen bezoekers daar de weg naar de rotsachtige vallei van de Moldau. Een inspiratiebron voor de componist Smetana, het meest gespeelde orkestwerk in de periode van de Romantiek. Of naar de Tatrabergen met hun grillige rotsen en scherpe toppen. In ons land liet de ANWB schildjes plaatsen, wegwijzers naar ‘natuur-beleefpaden’. De organisatie gaf ook een routeboek uit. Een belangrijke bron van inspiratie daarbij was de uitgave van de Wandelgids door de schoone streken van Nederland (1892) van de hand van dominee Jacobus Craandijk. Daarin schrijft hij over Drenthe:

‘Zeg niet dat de heide eentonig is en een togt door haar gebied niet anders dan vervelend kan zijn![…] Daar is in de onmetelijke ruimte, die ons omgeeft, in de ongestoorde stilte, die er heerscht, in de ongerepte reinheid der natuur, die er bewaard bleef, iets aangrijpends en toch iets onuitsprekelijk liefelijks tevens. […] Schilderijen zijn het, waar wij ons wenden’.

Het werden zeven kloeke delen. Zeker bedoeld om Gods schepping met eigen ogen te aanschouwen en te bewonderen, maar ook om de natuur vast te leggen zoals zij nu nog te zien is. Want ook Nederland industrialiseerde. Het land ging op de schop door de bouw van fabrieken, ontginning, stadsuitbreiding, spoorlijnen en wegen. Ten koste van de natuur. Maar Craandijk’s wandelgidsen waren ook bedoeld als aansporing:

‘…het beste van alles is ’t verrukkend en verkwikkend gevoel van vrijheid, van vrijheid om te loopen waar gij wilt, om te rusten waar gij wilt, op u op het mostapijt uit te strekken en te staren naar den hemel tusschen de takken en te luisteren naar het gonzen der insecten, zoolang gij wilt’.

De Romantiek

Uit het voorgaande komt een belangrijk facet van de Romantiek naar voren: daarin wilde men de natuur niet meer aangetast zien door roetuitstoot, aardolie, steenkool, maar ongeschonden kunnen bewonderen. En in plaats van haar als een zielloos object te zien dat men rationeel en met behulp van machinetechniek – de stoommachine – kon beheersen en controleren, verlangde men naar direct gevoelscontact met haar, zoals zij van nature is, authentiek. En haar te leren kennen. Zó gezien was deze cultuurperiode een geestelijke verzetsbeweging. Dit verlangen zette nieuwe ontwikkelingen in gang. Op verschillende terreinen.


Tuinarchitectuur

Het verlangen naar de ongerepte natuur gaf ook in de tuinarchitectuur een nieuwe richting aan. Vóór die tijd wilden architecten de natuur in tuinen beheersen, in toom houden en ondergeschikt maken aan de wensen van de mens. Zij gingen haar te lijf met strakke structuren van symmetrisch op elkaar spiegelende lanen en dwarslanen, met bomen strak in het gelid – in keurslijf – en formele, vlakke bloemperken en symmetrisch aangeplante hagen. Woekering, toeval en wildgroei waren taboe. Alleszins een strakke, geometrische, formele tuinstijl – de Franse tuinarchitectuur. Zie hier een representatief voorbeeld van een in structuur bewaard gebleven zeventiende-eeuwse formele aanleg.

Slot Zeist. Onder dank Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Slot Zeist. Onder dank Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Maar door het verlangen in de Romantiek naar de natuur zoals zij is, raakte deze geometrische tuinstijl – dus logisch-rationele kijk op de natuur – in diskrediet. Velen beschouwden deze vorm van tuinarchitectuur maar een abstracte kunstgreep, een bewijs dat de intuïtieve en gevoelsmatige eenheid van mens en natuur verloren was gegaan. Tuinarchitecten lieten zich bij hun ontwerp meer en meer bepalen door de gevoelsbinding van mens en natuur. Er kwamen tuinen die meer leken op parken met een natuurlijke uitstraling, en organische, ronde vormen en dus geen rechthoekige vlakverdeling, symmetrie en rechte paden. In plaats daarvan ontwierp men slingerpaden, werkte men met hoogteverschillen, glooiende grasvelden, verrassende uitzichten, bosschages langs de randen en kronkelende vijverpartijen die wel rivieren lijken.

Plan der voltooiing van het Vondelpark. Ontwerp voor de aanleg van het zuidwestelijke gedeelte.
Plan der voltooiing van het Vondelpark. Ontwerp voor de aanleg van het zuidwestelijke gedeelte. (Collectie Atlas Kok)

Dit alles om de schijn te wekken van oorspronkelijke natuur – de Engelse landschappelijke stijl. Een lieflijke ‘on-orde’ die laat zien hoe gevarieerd de natuur is, niet in één keer te overzien zoals in de oude mathematische Franse tuinarchitectuur. Het hier afgebeelde ontwerp van het Vondelpark in Amsterdam (1865) is daarvan een voorbeeld.

Maar deze zo natuurlijke, glooiende grasvelden riep de noodzaak om die te maaien. Met de traditionele zeis was dat gewoonweg niet te doen. Edwin Budding, een Engelse ingenieur, vond daar wat op (1830): de grasmaaier. Deze uitvinding kreeg spoedig navolging, ook in Amerika. In dit tijdschrift wordt het nieuwe apparaat aanbevolen:

Artikel over de grasmaaier in geïllustreerd weekblad Harper's Weekly,  juni1872
Artikel over de grasmaaier in geïllustreerd weekblad Harper’s Weekly, juni 1872

Grafcultuur

Een begraafplaats buiten de bebouwde kom was van oudsher vaak niet meer dan een braakliggend stuk grond. Het verlangen in de Romantiek naar alles wat natuurlijk is, naar de sfeervolle natuur en de glans van haar schoonheid, leidde tot het ‘graf-in-de-natuur’ idee, waarin zij – de natúúr – de rouwende dichter bij zijn gevoel kan brengen, hem doet mijmeren over sterfelijkheid en vergankelijkheid: een ‘melancholische tuin’.

Een melancholie die gecultiveerd werd en esthetisch vorm kreeg: een begraafplaats moest idyllisch, rustgevend, stemmingsvol en schilderachtig zijn. En vooral een natuurlijke sfeer uitstralen. Dus met paden die slingeren gelijk de krommingen van het landschap. En met mooie doorkijkjes. Dit alles natuurlijk in de romantische Engelse landschapsstijl. Op grafstenen beeldde men planten en bloemen af, bijvoorbeeld de lelie, die op puurheid duidde. Niet op het pure, gezonde, heldere verstand, niet op de onverbloemde wil die de overledene zozeer kenmerkte, maar op diens zuivere hárt en gevoelsleven. Of men toonde een klimop om te laten zien hoe men aan de overledene gehecht was. Een treurwilg mocht natuurlijk niet ontbreken. Een afgeknotte boomstam wees op een voortijdige dood.

De bekende Engelse chirurg en etser Francis Seymour Haden hield in 1875 in zijn Earth to Earth een pleidooi voor een natuurbegrafenis. De mens keer immers, volgens de bijbel tot ‘de aardbodem weder, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren’. Wat Haden lieten mensen zich begraven in een kist van natuurlijk, licht materiaal, riet bijvoorbeeld. Met daarin wat welriekende kruiden, een bodemlaag van mos en een sprei van varens.

Gezicht op Père Lachaise, Pierre Courvoisier, 1815
Gezicht op Père Lachaise, Pierre Courvoisier, 1815. Bibliothèque des Arts décoratifs, Parijs

Père Lachaise buiten Parijs (1804) was zo’n begraafplaats, in Engelse landschapsstijl. Geheel in harmonie met de geest van de Romantiek, aangelegd in de ongerepte natuur, in een heuvelachtig landschap. Voor al die Parijzenaars die de hectiek van de stad wilden ontvluchten. Het gebied was een ware trekpleister. Een recreatieplaats, wandelpark en ontmoetingsplaats tegelijk. Naar deze romantische vormgeving ontwierp Jan David Zocher jr. begraafplaats Soestbergen in Utrecht (1830). Van meet af aan óók bedoeld als wandelpark. Entree vijfentwintig cent (€ 2,50), dus semiopenbaar.

Zo’n begraafplaats-als-wandelpark – het werden er vele – bracht menig architect op het idee van een voor ieder toegankelijk park binnen de bebouwde kom. Louter en alleen stadspark. Zo werd het landschappelijke Green-Wood cemetery (1838) bij New York een inspiratiebron voor Central Park. En in Amsterdam werden in 1866 alle begraafplaatsen binnen de bebouwde kom gesloten en vaak heringericht als stadspark. Zo deelden in de Romantiek een aantal stadsparken hun geschiedenis met begraafplaatsen.


Wetenschap

Het hartstochtelijk natuurverlangen van de Romantiek bracht ook de wetenschap op ander spoor. Ons bevreemdt dat: gevoel en verstand zien wij als totaal verschillende grootheden. De eerste veronderstelt een receptieve, ontvankelijke, onbevangen houding en een liefdevolle kijk op de natuur. De tweede gaat uit van de intellectuele, actieve houding: op zoek naar nieuwe harde feiten.

De tekst hieronder, over het werk van Alexander von Humboldt en Charles Darwin, maakt echter duidelijk dat die twee bij hen hand in hand gingen. Voor alle duidelijkheid worden eerst twee manieren beschreven waarop men in het verleden naar de natuur kon kijken. Twee contrasterende denkkaders van waaruit men haar kon onderzoeken. De mechanische en de organische natuurbeschouwing.

De mechanische natuurbeschouwing

De mechanische eend van Jacques de Vaucanson
De mechanische eend van Jacques de Vaucanson
Het Paleis van Versailles was in 1744 toneel van een bijzondere gebeurtenis. Vol trots werd daar een mechanische eend gedemonstreerd. Van koper. Koning Lodewijk XV en andere toeschouwers konden hun ogen niet geloven, want alle onderdelen – pomp, balg, molen, flexibele rubberen leidingen – en alle processen daarin zoals kwaken, drinken, eten, inslikken en verteren inclusief werkende sluitspier gingen gewoon hun eigen gang, werkten vanzelf zonder enige invloed van buiten. Voor menigeen was dit niet meer dan een curiositeit. Anderen dachten ‘gelijk deze eend is kennelijk elk levend wezen een mechaniek, een gesloten, autonoom werkend systeem, gaat van zelf, van niets afhankelijk’. Een reconstructie van dit organisme-als-machine verscheen zelfs in het tijdschrift Scientific American van januari 1899.


Organische natuurbeschouwing

In de Romantiek ontstond verzet tegen deze mechanische natuurbeschouwing. De natuur moest volgens sommigen niet beschouwd worden als een verzameling op zichzelf staande, zelfwerkende organismen. Niet als één grote machine. Dit onder meer omdat daarin elk natuurgevoel – ontzag, bewondering, beleving van eenheid, verbondenheid, schoonheid, heiligheid – ontbreekt. De gedachte dat elk levend wezen gelijk is aan een machine of automaat en volstrekt zijn eigen gang gaat, zonder invloed van buiten, klopte dan ook niet. Deze beschouwing gaat tegen de werkelijkheid in: organismen groeien, kunnen zichzelf voortplanten, zijn – hoe anders dan bij een machine – juist gevoelig voor invloeden vanuit de omgeving. Het leven stróómt. De natuur is veeleer en vooral één groot dynamisch organisme, één groot netwerk waarin vormen van leven samenhangen, met elkaar verbonden zijn, op elkaar inwerken, geschiedenis delen. Elk levend wezen daarin kan alleen begrepen worden als een product van interacties met zijn omgeving. In overeenstemming met deze kijk op de natuur onderzochten wetenschappers de natuur. Bijvoorbeeld op het gebied van de ecologie en evolutie.

Ecologie

Alexander von Humboldt, portret door Friedrich Georg Weitsch uit 1806.
Alexander von Humboldt, portret door Friedrich Georg Weitsch uit 1806.
Voor Alexander von Humboldt, Duits natuurvorser en globetrotter, was de gedachte dat je de natuur pas goed kunt begrijpen als je elk apart organisme, elk levend wezen achtereenvolgens aan nader onderzoek onderwerpt (zoals een ingenieur de ene na de andere machine nauwkeurig inspecteert) volstrekt onzinnig.

Als kind van zijn tijd – de Romantiek – zag hij de natuur als één groot levend organisme. En dus gaf hij zijn hoofdwerk de titel Kosmos mee (1845), bepaald geen encyclopedisch werk. In dit werk toont de natuurvorser aan dat verschijnselen binnen een gebied niet toevallig daar aanwezig zijn, maar met elkaar samenhangen. Dat er verband is tussen biodiversiteit, geografie, vochtigheidsgraad en klimaat, tussen de door hem gemeten verschillen in hoogte, luchtdruk, vochtigheid enerzijds en de geografische verspreiding van plantensoorten anderzijds. Ook beschrijft hij hoe het vernietigen van een deel van een ecosysteem – door ontbossing bijvoorbeeld – gevolgen heeft voor de rest van het systeem. En dat verschillende soorten in de natuur zonder elkaar niet kunnen overleven. Als de ene uitsterft, verdwijnt de andere ook. De ontdekking van al die verbanden, interacties en omgevingsinvloeden was voor de Duitse historica Andrea Wolf reden om Humboldt de ‘grondlegger van de ecologie’ te noemen en haar werk over hem de titel De Uitvinder van de natuur mee te geven.

Evolutie

Charles Darwin in 1854, vijf jaar voor de publicatie van 'On the Origin of Species'
Charles Darwin in 1854, vijf jaar voor de publicatie van ‘On the Origin of Species’
Charles Darwin had grote bewondering voor Von Humboldt. Ook hij was een ontdekkingsreiziger. En hij deelde de fascinatie van de Duitser voor de natuur. In zijn boek uit 1862 over orchideeën sprak hij zijn vreugde uit om wat hij daarvan te zien kreeg.

‘De schoonheid van hun aanpassingsvermogen lijkt ongeëvenaard. […] Ik was bijna jaloers op de weelde van de orchideeën. […] Hij (die) zwermen bijen rond de Catasetum heeft zien vliegen, met het stuifmeel op hun rug, moet wel een gelukkig mens zijn! […]. Je hebt geen idee hoeveel genoegen de orchideeën me hebben bezorgd’.

En hoog op een bergtop, blij dat hij daar alleen was, oog in oog met een forse onweersbui, schreef hij:

‘alsof ik een koorstuk uit de Messiah hoorde, met groot orkest. The Voyage of the Beagle p. 307

Hoe anders dan de kille, rationele ingenieursbenadering in de mechanische kijk op de natuur!

“Het wetenschappelijk natuuronderzoek van Von Humboldt en Darwin had raakvlakken met de cultuurbeweging van de Romantiek.”

Net als Humboldt zag Darwin de natuur als één groot organisme. Alles is natuur. De mens staat niet boven en buiten de natuur, hij is één van de organismen daarin. Soorten zijn uit elkaar ontstaan. Soorten die weliswaar op elkaar kunnen lijken maar toch net iets anders worden doordat ze met elkaar in relatie, in een veranderende omgeving staan. Een onvoorspelbaar proces. Hoe anders dan de voorspelbare werking van een machine.

Darwin zag een duidelijk verband tussen enerzijds geografische barrières – een zee, een nieuwe weg of het uiteendrijven van continenten – en anderzijds het ontstaan van nieuwe soorten, op een eiland bijvoorbeeld. Zo ook tussen een veranderende omgeving en de overlevingskansen van soortgenoten. En hij beschreef hoe natuurlijke selectie ervoor zorgt dat bijvoorbeeld de structuur van de monddelen van een insect precies passen bij de structuur van dié bloemen in zijn omgeving waar hij een voorkeur voor heeft. Kortom, het grote biologische verhaal van de evolutie van het leven, van de natuurverbondenheid van alle organismen op aarde.

Conclusie: het wetenschappelijk natuuronderzoek van Von Humboldt en Darwin had raakvlakken met de cultuurbeweging van de Romantiek.


Bergsport

Het verlangen in de Romantiek naar de ziel van de natuur voerde dichter Samuel Taylor Coleridge naar The Lake District in het noordwesten van Engeland. Voor een negendaagse veldtocht en een beklimming van de Scafell Pike, een berg met steile kliffen. Op 9 augustus 1802 keerde hij daarvan terug. Die zelfde avond nog schreef hij Spent the greater part of the next Day mountaineering (Collected Letters, ii 846). Daarmee was hij de eerste die dit woord in een nieuwe betekenis gebruikte: rotsklimmen uit louter plezier, om zich zo één te voelen met de zo verheven, vrije, ongerepte natuur. De eerste plaatsen waar dit zich afspeelde, waren naast dit gebied, ook de Dolomieten in Noord-Italië, Saksisch Zwitserland en de grote rotspartijen rond Fontainebleau. Daar maakte men meerdaagse trektochten met alle ruimte om uitgebreid van de natuur te genieten. Helder gekleurde markeringen, meestal op bomen, wezen de weg.


Schilderkunst

Ten tijde van de Romantiek keerden ook schilders zich tegen de kille rationaliteit, tegen de ‘technologie van de geest’ van de zo dominante industriële werkelijkheid. Dit was immers een realiteit die de mens vervreemdde van de natuurlijke leefwereld. De schilders verlangden naar de niet bezoedelde, authentieke natuur. Die wilden zij ontdekken, beleven, ondergaan. Met haar wilden zij zich verbinden. Ze schilderden haar soms zelfs mooier dan zij is. Vaak riepen zij op hun doeken een oude, lang voorbije wereld op: een vlucht naar de tijden van weleer. Vaak presenteerden ze verheven onderwerpen en hoogstaande ideeën over ‘de nietigheid van de mens in Gods ontzagwekkende natuur, zijn schepping’ – zie het schilderij van Durand.

Kindred  Spirits, Asher Brown Durand, 1849. Crystal Bridges Museum of American Art, Bentonville, Verenigde Staten
Kindred Spirits, Asher Brown Durand, 1849. Crystal Bridges Museum of American Art, Bentonville, Verenigde Staten

Na 1840 zou deze schilderkunst een nieuwe fase in gaan. Men presenteerde nu geen geïdealiseerde landschappen meer, geen vlucht naar vroeger tijden en de hoogstaand ideeën liet men achterwege. De schilderijen waren maar ‘meer van deze wereld’, realistischer, met beide voeten in de klei. De kunstenaars verplaatsten hun ezels dus van het atelier naar de open lucht en schilderden daar de natuur zoals zij die ter plekke zagen en op dat moment beleefden: de subtiliteiten en spelingen van het licht, de veranderende atmosfeer en kleur. Een dynamiek die zij wisten te treffen in streepjes en vlekjes waarmee de toeschouwer – van verre – de vormen zelf opbouwt. Een feest van licht en kleur vanuit de wetenschap dat onze ogen in eerste instantie lichttrillingen opvangen, licht dat van kleur en intensiteit verandert. Dus geen duidelijke omtreklijnen die onderscheid maken tussen wat wel en wat minder belangrijk is, geen details keurig binnen de grenzen, geen gepolijste uitvoering zoals te doen gebruikelijk in de klassieke kunst. Kortom, niet een schildering koel getekend, niet met een gepolijste en glad gehouden voorstelling zoals de academie leert – zie het schilderij van Durand – maar een coloristische.

De kritiek van klassieke geschoolden was niet mals. De beschouwer kreeg geen duidelijke ideeën voorgeschoteld, maar slechts een onduidelijk beeld, ogenschijnlijk onafgewerkt. Volgens deze critici hadden de gepresenteerde beelden niets meer te maken met de werkelijkheid en waren ze dus leugenachtig, zonder enige inhoud, nietszeggend. Deze schilders lieten echter een nieuw beeld van de werkelijkheid zien. Zij waren het die de beschouwer op een andere manier naar de natuur leerde kijken. Eén van hen was Claude Monet. Dankzij de routemarkering van Denecourt kon hij de weg in het de natuur makkelijk vinden. Op locatie schilderde hij in 1865 de Bodmer Eik. Een woudreus in het bos van Fontainebleau.

Le Chêne Bodmer, Forêt de Fontainebleau Claude Monet, 1865
Le Chêne Bodmer, Forêt de Fontainebleau Claude Monet, 1865 (CC0 – wiki)

Bronnen

-Armstrong, Karen, De heilige natuur, Querido, 2022
-Barber, Lynn, The Heyday of Natural History, 1820-1870, Jonathan Cape Ltd., 1984
-Clifford, Derek, A history of Garden Design, 1967
-Doorn, F. van, De eerste wandelaar. In de voetsporen van een wandelende dominee, 2017
-Dulk, Sandra, den, Volkse stadsparken. Cascade bulletin voor tuinhistorie 22 (2013) nr 1, p. 7-28
-Etlin, R.A., The architecture of death, the transformation of the cemetery in 18th century Paris, Cambridge (Mass.), 1987
-Heumakers, E. De esthetische revolutie, Amsterdam, 2015
-Koppen, K. van (red.) Natuur en mens. Visies op natuurbeheer vanuit levensbeschouwing, wetenschap en politiek. Wageningen, 1984
-Mul, Jos de, Het romantisch verlangen in (post) moderne kunst en filosofie, 2007
-Rewald, J., De impressionisten, De Bilt, 1982
-Richards, Robert J., The Romantic Conception of Life: Science and Philosophy in the Age of Goethe, University of Chicago Press, 2002
-Ringelestein, W. van, Beeld en werkelijkheid, Den Haag, 1964
-Schouten, M.G.C., Nieuwe heelmeesters: wetenschap en praktijk van natuurherstel. Inaugurele Rede, Wageningen Universiteit, 2001
-Thomas, Keith, Man and the Natural World. Changing Attitudes in England 1500-1800, Harmondsworth, 1984
-Toman, Rolf (editor), Classicisme en Romantiek, Groningen, 2008
-Verhoog, H., ‘Lezen in het boek der natuur’ in Natuur of milieu, filosofische beschouwingen bij milieu en beleid. Rotterdamse Filosofische Studies. Erasmus Universiteit, 1993
×