In het boek blikt Krüger terug op zijn jeugd in Eichkamp, een relatief rustige Berlijnse buitenwijk. In onderstaand fragment, dat we publiceren naar aanleiding van een herdruk van het boek bij uitgeverij Rainbow, keert hij per S-Bahn terug naar de wijk van zijn jeugd en schetst hij een beeld van het alledaagse leven onder het nationaalsocialisme.
Eichkamp
Berlijn is een eindeloze huizenzee, waar een stroom vliegtuigen voortdurend in verdrinkt. Het is een grote, grijze steenwoestijn, die me altijd weer opwindt als ik erheen zweef: Maagdenburg, Dessau, Brandenburg, Potsdam, Zoo. Ze leggen er snellere U-Bahntrajecten aan en stadssnelwegen, dokteren geraffineerde Avus-verkeerspleinen uit en gedurfde Fernseh-torens. Dat is allemaal het nieuwe, moderne Berlijn, de technische mallemolen van de eilandstad die draait, aangedreven door de droge, laconieke kwinkslag van de mensen erin en door het kapitaal erbuiten.
Het is mooi en stralend, dit nieuwe Berlijn, maar pas als ik in de S-Bahn zit die nu tamelijk leeg en DDR-sleets door West snelt, voel ik me eindelijk weer thuis. Dit is mijn Berlijn, het daverende, zingende trauma van mijn kinderjaren, mijn achtergebleven ijzeren speelgoed dat altijd nog met zijn hoge, haastig hamerende klanken lijkt te zeggen: je bent er, je bent er echt, zo was het altijd, zo zal het altijd zijn.
Berlijn is een geelglimmende houten bank, hard en blank, een beregende, smerige ruit, een coupé waarin het onbeschrijflijk stinkt naar de Reichsbahn. Het is een mengsel van achtergebleven rook, ijzer en al die arbeiderslichamen die uit Spandau komen, brood met margarine in de maag, op hun veertiende ooit confirmatie gedaan, daarna elke dag de Morgenpost gelezen. Dat alles is Berlijn en ook een automaat op het tochtige perron waar je pepermuntjes kunt trekken, groen-wit, in stug zilverpapier gewikkeld. Het is het dichtslaan van de elektrische deuren en de roep op station Westkreuz: ‘Staan blijven alstublieft!’ Daar schrikt niemand meer van, niemand hoeft hier nog te blijven staan, maar de roep is er nog en ook de man met het spiegelei en dan de schok van de trein die in beweging komt. Berlijn is een kaal geel kaartje voor vijftig pfennig. Voor vijftig pfennig kun je nog steeds van Spandau naar de hoofdstad van de DDR rijden.
Ik zit in de S-Bahn en rijd naar Eichkamp. Ik weet het, Eichkamp is niet wat men tegenwoordig een reportage waard noemt. Artikelen over Berlijn zijn in trek en veelgevraagd: schrijf maar iets over de Muur of de nieuwe Philharmonie, de congreshal of de kerstmarkt daar. Zoiets is altijd gewild.
Maar Eichkamp? Wat is dat helemaal? Wat stelt dat voor? Het staat in geen enkele lijst van Berlijnse bezienswaardigheden, geen zwart stamhoofd, geen Amerikaan die over de oceaan kwam om de Kurfürstendamm schitterend en de Muur afschuwelijk te vinden, wordt naar Eichkamp geloodst. In feite is Eichkamp niets, alleen een onbelangrijk buurtje tussen Neu-Westend en Grunewald, zoals er aan de rafelranden van de grote stad, waar de huizenzee langzaam verbrokkelt in groen en landelijkheid, veel meer van dat soort buurten zijn.
Eichkamp is eigenlijk alleen een herinnering voor me. Het is de plek van mijn kinderjaren. Hier groeide ik op, ik knikkerde en hinkelde op straat en deed tikkertje en verstoppertje, ging naar school en kwam later van de universiteit hierheen terug om te eten en te slapen. Eichkamp is gewoon mijn thuis dat ik – een vreemdeling – na meer dan twintig jaar terug wil zien.
Ik keer terug als bewoner van de Bondsrepubliek. Ik heb mijn beroep en mijn auto, mijn eigen wereld vandaag laten staan en kom alleen terug, en niet omdat ik het aandoenlijk en mooi vind om als volwassen man de sporen van mijn kinderjaren na te sluipen.

Afschuwelijk verlangen van ouder wordende mannen om zich over hun kinderjaren te buigen: aanstootgevend gedrag van bejaarden, die met kloppend hart hurken op speelterreintjes alsof daar geheime paradijzen te vinden waren. Eichkamp was voor mij geen paradijs en mijn kindertijd geen geheime droom. Eichkamp was gewoon mijn jeugd onder Hitler, en ik zou het graag terug willen zien en eindelijk eens willen begrijpen hoe het toen was onder Hitler.
Het is nu al meer dan een generatie geleden. Alles wat toen het Derde Rijk was: de fakkeloptocht op Unter den Linden en het gejubel op de radio en de bedwelming van de vernieuwing, het is voorbij, verdwenen en vergeten. Ook de broodbonnen en de bommen boven Eichkamp, en de Gestapo die soms met zwarte auto’s uit de binnenstad kwam, zijn al lang vergeten. Nu zou je het toch moeten begrijpen, vind ik. Nu ligt er bijna een mensenleven tussen, bedwelming en depressie zijn vervlogen, alles is intussen nieuw en anders. Ik ben een burger van de Bondsrepubliek, ik kom uit het westen, ik kom naar Eichkamp omdat ik gekweld word door de vraag hoe het eigenlijk was, datgene wat we vandaag geen van allen meer kunnen bevatten. Nu zou je het moeten begrijpen, vind ik.
’s Nachts brengen mijn dromen me soms terug naar Eichkamp. Het zijn vermoeiende, angstige dromen. Dromen waar ik ’s ochtends om een uur of zes geradbraakt uit wakker word. Dertig jaar is een lange tijd, de tijd van een generatie, tijd om te vergeten. Waarom kan ik niet vergeten?
Mijn droom: ik kom in Eichkamp, ik sta voor ons huis. Er zitten lange scheuren in de buitenmuren, ons huis is beschadigd door luchtdrukbommen. Een klein rijtjeshuis van twee verdiepingen in de periferie van Berlijn, in de jaren twintig goedkoop uit de grond gestampt. Nu is alles op armzalige wijze weer gerepareerd, de deuren en ramen zijn gammel, binnen kraakt de houten vloer.

Mijn vader zit apathisch achter zijn zwartgelakte bureau. Hij heeft zoals altijd dossiers voor zich liggen, hij krabt zoals altijd aan zijn hoofd, aan zijn ‘wond’: Verdun 1916. Mijn moeder zakt achter de ronde eenpotige tafel weg in een met stof beklede, vlekkerige fauteuil, ‘onze clubfauteuil’ werd die genoemd. Het licht van de lamp valt zacht over het boek. Haar handen zijn smal, haar vingers lang en tenger, ze glijden nerveus langs de regels. Ze heeft katholieke ogen: donker, gelovig, basedow-groot. Haar stem lijkt iets te verkondigen. Ze leest voor uit een boek dat de titel Mein Kampf draagt. Het is 1933, het einde van de zomer.
Nee, mijn ouders zijn nooit nazi’s geweest. Dat is het, dat maakt het geval voor mij zo verdacht. Ze lazen in het boek van de nieuwe rijkskanselier met de grote, verbaasde ogen van kinderen. Ze lazen er angstig en verwachtingsvol in: er moest wel iets kolossaal hoopgevends voor Duitsland in staan. Ze hadden verder geen boeken, alleen het adresboek van Groot-Berlijn, de Bijbel en ongetwijfeld ook een Jetje Gebert. Verder luisterden ze alleen naar Paul Lincke, Frau Luna en zo, op oudejaarsavond naar Die Fledermaus in het Admiralspalast en op de radio soms naar het verzoekplatenprogramma; als het moest de ouverture van Donna Diana.

Mijn ouders waren ‘apolitiek’ op de aandoenlijke manier van bijna alle Eichkampers toen. In de twaalf jaar onder Hitler ben ik in Eichkamp eigenlijk nooit een echte nazi tegengekomen. Dat is het, dat trekt me er nu weer heen. Het waren alleen maar brave, vlijtige burgergezinnen, een beetje bekrompen en kleingeestig, kleinburgers met de schrik van de oorlog en de angst van de inflatie op hun hielen. Nu wilde men rust. Men was eind jaren twintig naar Eichkamp verhuisd, omdat dit het nieuwe groene eiland was. Hier stonden nog pijnbomen en grove dennen in de tuin, het was maar een kwartier naar de Teufelssee. Daar konden de kinderen zwemmen. Men wilde groenten in de tuin verbouwen. In het weekend sproeide men tevreden het gazon. Het rook nog bijna naar het platteland.
In de stad kolkten de gouden, rumoerige jaren twintig, men danste de charleston en het tapdansen kwam al in zwang. Brecht en Eisenstein begonnen er hun zegetocht. De kranten meldden straatgevechten in Wedding en barricadegevechten voor het vakbondshuis. Dat was ver van ons weg, alsof er eeuwen tussen lagen. Afschuwelijke, onbegrijpelijke gevallen van oproer. In Eichkamp leerde ik al vroeg dat een fatsoenlijke Duitser altijd apolitiek is.
Merkwaardig gevoel, nu de S-Bahn station Eichkamp binnenrijdt. Je herinneren, vergeten, je opnieuw herinneren, metamorfose van de tijden: wat is dat? Het is toch niet nieuw wat je hier doet, dat heb je toch al eens meegemaakt, dat was toch altijd al zo: opstaan van de geelglimmende bank, je spullen uit het bagagenet pakken, langs vreemde mensen dringen, de messing deurhendel pakken, met de duim bovenlangs, dan langzaam de hendel naar rechts trekken, openen. Een gevoel van moed. Terwijl de trein nu hard langs de rand van het perron stuift helemaal naar voren stappen, de rijwind blaast je opeens in je gezicht, en dan, terwijl de wagon nu nog maar langzaam uitrolt, de heerlijke verleiding eraf te springen.
Ik weet het, het is verboden, het staat boven de deur, het was toen onder Hitler al verboden, maar nu voel ik de verleiding weer, die mij als vierdeklasser zo tomeloos prikkelde: wie er op het juiste moment af springt en de middelpuntvliedende kracht van het lichaam goed oppikt met zijn voeten, komt met dezelfde vaart in Eichkamp de trap nog op, is als eerste boven bij de controle, als eerste buiten op het groene plein voor het station, als eerste op het pad tussen de tuinen door dat naar de buurt leidt.
Bedaard volgen de Eichkampers je op een afstandje. Een paar heren met aktetassen, inspecteurs, employés, hogere ambtenaren, oudere vrouwen, die in Charlottenburg of bij Zoo inkopen hebben gedaan en nu ietwat afgemat en waggelend in hun gebloemde jurken op een van de kleine huisjes afstevenen, jonge meisjes die hier een tante opzoeken, jonge jochies met voetbalschoenen onder de arm, die meteen naar rechts afslaan, omdat daar de sportterreinen liggen. Vroeger droegen ze soms blauwe hemden. Dat waren de Jodenjongens die hier in Eichkamp naar het sportterrein van de zionisten gingen.
Ja, wat is tijd? Wat is zich herinneren? Hoe is het mogelijk dat je dat nu allemaal weer doet, alsof je veertien was? Vier jaar lagere school in Eichkamp, negen jaar naar het Grunewald Gymnasium, negen jaar elke dag van de S-Bahn afgesprongen en intussen het hakenkruis boven Eichkamp; eerst de scepsis en toen de vrolijke stemming, omdat het nu met ons allemaal toch maar weer bergop ging. De Katzensteins en de Schicks en de Wittkowski’s waren vertrokken. Dat hadden we eigenlijk niet eens echt gemerkt. Het waren onze goede Joden, de slechte woonden rond de Alexanderplatz.
Iedere Eichkamper had minstens één goede Jood. Mijn moeder had een voorkeur voor Joodse artsen. ‘Ze zijn zo sensibel,’ zei ze. Arnold Zweig woonde in Eichkamp. Zijn toen modieuze platte dak was on-Duits en moest na zijn vlucht meteen in een Germaanse puntgevel worden veranderd. Ludwig Marcuse woonde drie huizen verder en was in 1933 ook gevlogen. Dat merkte je allemaal niet. Direct naast ons woonde Elisabeth Langgässer. Ze kwam soms bij ons naar radio Beromünster luisteren. Ze zei altijd dat Hitler in drie of vier maanden ‘afgedaan’ zou hebben. Dat was toch duidelijk. Dat geloofde ze twaalf jaar lang. Ze bleef tot het einde.

En dan later al die zware bommen boven de buurt en ten slotte de Russen, die hier ook schoten en huizen openbraken en zeiden: ‘Vrouw, meekomen!’ Had Eichkamp dat verdiend? Toen kwamen de Engelsen en de hongerjaren, de opgelapte huisjes, de grote bloeitijd van de zwarte markt, de geldzuivering en de blokkade, en hoe het toen langzaam weer de goede kant op ging met de stad.
Vreemd – nu ligt Eichkamp er weer bij als vroeger. Het is of er nauwelijks iets is gebeurd, alsof het allemaal alleen maar een akelige schim is geweest, een nachtmerrie, een vergissing van de geschiedenis.
Beelden van een verwoeste stad | Berlijn, juli 1945
De herbouw van het Stadtschloss in Berlijn als symbool voor de Duitse omgang met het verleden
Tot de laatste man – Doorvechten tot het bittere einde (1945)
Flaktorens van Berlijn
‘Moeder Braun’, Rie Mastenbroek en de Spelen van Hitler
De Sportpalast-rede van Joseph Goebbels (1943)