Hermeneutiek van de continuïteit
De meeste overzichtswerken over de Duitse geschiedenis leggen het accent op het breukkarakter van het nationale verleden, al dan niet teleologisch (Wehler), possibilistisch (Nipperdey), dan wel narrativistisch (Winkler). Maar valt er niet ook een dóórgaande lijn te ontdekken – in meer positieve zin? Ervaren wij Duitsland en de Duitse geschiedenis ondanks 1933-1945 niet als eenheid? Maar wat zijn die doorgaande ‘continuïteiten’ dan als de natiestaat zelf een complexe categorie geworden is?
In het gepolariseerde debat over de betekenis van het Tweede Vaticaans Concilie muntte de Duitse paus Joseph Ratzinger (1927-2022) het begrip de hermeneutiek van de continuïteit.* In een originele en uitdagende visie stelde hij tegenover de gangbare in zijn ogen negatieve interpretatie van Vaticanum II als een radicale hervormingsbreuk, het beeld van een concilie dat in het licht van eerdere kerkhervormingen juist vanuit de traditie zelf beschouwd moest worden. Die interpretatie moest volgens Ratzinger als paus Benedictus XVI (2005-2013) weer ontdekt en hervonden worden: de hermeneutiek van de continuïteit.
Herwaardering van het keizerrijk

Het Duitse keizerrijk moest in die zin niet negatief gezien worden als een autoritaire staat met louter een parlementaire façade; integendeel, hier begon een echte parlementaire democratie. Richter stelde dat ook de revolutie van 1848 een positieve uitwerking had gehad op de ontwikkeling van het kiesrecht en het denken over democratie. Bepalend was later het algemeen mannenkiesrecht in 1866 in de Noordduitse bond en vanaf 1871 in het Duitse Rijk. Deze herwaardering van het keizerrijk lijkt op de oudere revisie van de Sonderwegthese door de Britse historici David Blackbourn en Geoff Eley.
Blackbourn wees vooral op de moderniteit van het Duitse keizerrijk. De leidende rol van Duitsland in de tweede industriële revolutie van elektriciteit, chemie en techniek had het keizerrijk tot het meest moderne land ter wereld gemaakt. Als economische grootmacht streefde Duitsland na 1890 Groot-Brittannië voorbij terwijl de Verenigde Staten pas opkwamen aan de horizon. Die economische potentie en de centrale geopolitieke positie in Europa zijn constanten gebleven.
Een afwijkende stem in de contemporaine historiografie van de breuk klonk ook in het werk van Henning Köhler. Hij formuleerde een antwoord op de these van August Winklers Derlange Weg nach Westen. In zijn studie van de twintigste-eeuwse Duitse geschiedenis Deutschland auf dem Weg zu sich selbst ziet hij ondanks alles een doorgaande lijn. Hij concludeerde dat Duitsland altijd al bij het Westen had gehoord. Het gaat volgens Köhler uiteindelijk niet om twee tegengestelde ontwikkelingen, namelijk enerzijds een catastrofale, eindigend in wereldoorlogen en Derde Rijk, en anderzijds de positieve ontwikkeling na 1945 tot een stabiele democratie. Nee, volgens Köhler is er ook continuïteit in de geschiedenis van de Duitse natiestaat:
Uiteraard kwam er een polemische reactie van de toen nog onvermijdelijke Hans-Ulrich Wehler. Hij verweet Köhler – onder meer – neorevisionisme. Die normatieve reactie tekent ook de overgevoeligheid voor elke meer uitgesproken positieve benadering van het Duitse verleden en nationalisme. De stelligheid waarmee Angela Merkel ooit op een publiek podium een klungelig omhoog gehouden klein Duits vlaggetje weg ritste uit de handen van CDU-partijsecretaris Hermann Gröhe sprak boekdelen.

Het is ook een paradox: ondanks deze terughoudendheid, ondanks deze ongemakkelijkheid met Duits nationalisme, was de Bondsrepubliek in de 75 jaar van zijn bestaan sinds het opstellen van het Grundgesetz immers een zelfverzekerde staat geworden en bovendien een zelfbewuste economische grootmacht. Anno 2025 zijn er economische schaduwen en geopolitieke donkere wolken aan de horizon. Maar is grote flexibiliteit en het aanpassen aan steeds nieuwe omstandigheden niet een Duits kenmerk?
De snelle aanpassing na de Bondsdagverkiezingen van februari 2025 is daarvan een actueel voorbeeld. Het opheffen van de ‘Schuldenbremse’ voor grote defensieve militaire uitgaven, een mogelijk atomaire samenwerking met Groot-Brittannië en Frankrijk, en een nieuwe rol voor de kanselier illustreren het Duitse aanpassingsvermogen.
Teruggekeerd tot de ‘normaliteit’
Onder Angela Merkel stond de Bondsrepubliek op een bijzonder hoogtepunt van internationale waardering, als economische grootmacht en als toonbeeld van de democratische stabiliteit. Maar juist onder Merkel zette een kentering in. Kritische stemmen leiden veel van de huidige problemen, de Atomausstieg, de afhankelijkheid van Russisch gas (hoewel een erfenis van voorganger Gerhard Schröder), en de vluchtelingencrisis terug tot haar beleid. Toch waren alle problemen waarmee de Ampelkoalition van Olaf Scholz te maken kreeg ook Europese problemen. Duitsland is zijn bijzonderheid kwijt.
Het is onmiskenbaar dat Duitsland is teruggekeerd tot de ‘normaliteit’. Duitsland is een Europees land dat nu de uitdagingen en crises deelt met zijn buurlanden. Kijken naar soortgelijke Europese ontwikkelingen en naar hun historische wortels kan dan niet meer een apologetische, ‘neorevisionistische’ exercitie zijn.
De reconstructie van het Berlijnse Stadtschloss als metafoor
Van de complexe hermeneutiek van de (dis)continuïteit is de reconstructie van het Berlijnse Stadtschloss een metafoor. Midden in het historische hart van Berlijn concentreerden zich de debatten over de positionering van het Duitse verleden. Het stadspaleis van de Pruisische koningen en Duitse keizers lijkt vanuit het niets weer opgebouwd: waar eerst een kale vlakte was, staat nu naast de Pariser Dom en als afsluiting van de allee Unter den Linden het Humboldt Forum.

Het stadspaleis van de Hohenzollern had de bombardementen doorstaan. Het was weliswaar beschadigd, maar anders dan in zoveel gevallen stonden niet alleen nog de contouren, de buitenmuren overeind. Integendeel, grote delen van het sprookjesachtige barokinterieur hadden de bombardementen overleefd. Het paleis werd na de oorlog nog eens beschoten, en verder beschadigd, toen het gebruikt werd als decor voor een Russische propagandafilm, maar in 1947 werden er al weer tentoonstellingen in het gebouw georganiseerd.
In 1950, vlak voor het verwachte bezoek van Stalin aan Oost-Berlijn, gaf DDR-dictator Walter Ulbricht het bevel voor de sloop van het Berlijnse Stadtschloss. Het gehate symbool van Pruisisch militarisme moest verdwijnen en bovendien was er behoefte aan een paradeplaats in het centrum. Wanhopige protesten, internationaal maar juist ook van de erfgoedspecialisten van de DDR, hielpen niets. Een paar uur voor de sloop mochten er nog gipsafdrukken gemaakt worden van de prachtzalen: het stucwerk was nog geheel in tact. Vervolgens werd het slot opgeblazen. Daarmee werd ook een van de mooiste portalen van de late renaissance en vroege barok in Duitsland vernietigd, het interne Schlüterhof.

Van Andreas Schlüter (1659-1714), de architect, had ook een fascinerend trappenhuis in het slot de oorlog overleefd. De door hem ontworpen barnsteenkamer in het stadspaleis was in 1716 aan de Russische Tsaar Peter de Grote geschonken en is tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Na weken van sloopwerkzaamheden werd het puin afgevoerd en de grond geëgaliseerd. Op de plaats van het verwoeste Stadtschloss werd veel later en in een diagonaal scheef op het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan van het stadscentrum een nieuw socialistisch stadspaleis gebouwd: het Palast der Republik, een gebouw geheel in de stijl van de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Het eigenaardige was dat dit verzamelgebouw – parlement, amusement en horeca in een – het tot een zekere populariteit bracht in de DDR.
Na de Duitse hereniging opperde de schrijver en uitgever Wolf Jobst Siedler (1926-2013) als eerste de gedachte van de herbouw van het oude slot. Zijn argumenten waren zorgvuldig gekozen: het ging hem vooral om het stedenbouwkundig herstel van de zichtlijnen van het historische centrum van Berlijn – nu een spookachtige leegte met een DDR-gebouw dat dwars op de oude zichtlijnen stond.

Voordat de discussie kon losbarsten werd er asbest in het Palast der Republik gevonden, waarop met Duitse Gründlichkeit meteen het gehele gebouw tegen de vlakte ging. Uiteindelijk financierde het Duitse parlement de herbouw van het Stadtschloss, daarbij geholpen door een spectaculaire crowdfunding. De architect Franco Stella won de prijsvraag, en de opmerkingen van Jobst Siedler indachtig, werden alleen de zichtlijnen hersteld die relatie hadden met nog bestaande monumenten en architectuur.
De achterzijde van het stadspaleis kreeg een moderne façade. Het resultaat is eclectisch: met herstelde barokke buitenfaçade, een reconstructie van de beroemde renaissancistische Innenhof van Schlüter en geslaagde moderne architectuur (zie openingsbeeld). Ook in de binnenruimten is het resultaat evenwichtig, niet historiserend en vooral modern want de oorspronkelijke barokzalen zijn niet hersteld. Hoe dan ook is de reconstructie geen ‘Disneyficatie’ van het verleden te noemen, het is eerder een postmoderne collage. De façade werd aan de hand van oude ontwerpen en met groot vakmanschap gereconstrueerd. Dat geldt ook voor de vele fragmenten die teruggevonden werden in oude puinbergen buiten Berlijn.
De teruggevonden originele beelden van Schlüter worden in een zijruimte tentoongesteld. Overigens zijn er ook in de DDR-tijd belangrijke bouwwerken van architect en stedenbouwkundige Karl Friedrich Schinkel (1781-1841) herbouwd, met het hetzelfde vakmanschap; in die zin is het ook een voortzetting van een naoorlogse Berlijnse traditie. Critici treuren om de afbraak van het Palast der Republik, wat mag gelden als een voorbeeld van Ostalgie, die merkwaardige Heimweh naar de DDR. Toch is de reconstructie van het Stadtschloss een historische rechtvaardigheid te noemen. De wederopbouw van de Frauenkirche in Dresden was, enkele fragmenten uitgezonderd, een werkelijke reconstructie. Van de verwoeste steden Warschau en Danzig/Gdansk zijn de historische kernen weer opgebouwd.

Ingehouden zijn de verwijzingen in het huidige Humboldtforum naar het Pruisische verleden van het gebouw. Ze zijn tot het minimum beperkt, misschien iets te krampachtig, en voornamelijk in de kelders te vinden, die nog origineel zijn. In de inrichting wordt ook naar het DDR-verleden van het gesloopte Palast de Republik gewezen. Uiteindelijk is het gebouw met zijn nieuwe functie als Humboldt Forum een toonbeeld geworden van integratie van verleden en nieuwe tijd. De reconstructie van het Stadtschloss is herinneringscultuur zonder nationalistisch te zijn, waarmee het het naadloos aansluit bij de gewenste cultuur van de Berlijnse Bondsrepubliek.
* – Voor noten en verwijzingen: zie het boek.
De Weimarrepubliek (1918-1933) – Een mislukt democratisch experiment
(Neue) Ostpolitik – Brandts ontspanningspolitiek
The Stones, de Stasi en stampij
Amerikaanse piloot bezorgde Berlijnse kinderen een zoete kerst