Het Spaanse mirakel – Otto Holman over democratisch Spanje

4 minuten leestijd
Kamer van Afgevaardigden in Madrid
Kamer van Afgevaardigden in Madrid (CC BY-SA 4.0 - Luis García - wiki)

In zijn boek Het Spaanse Mirakel. Democratisering, modernisering en europeanisering 1975-2025 beschrijft politicoloog Otto Holman de ontwikkeling van Spanje vanaf het einde van de dictatuur tot nu. Het is een opvallend traject: na de Spaanse burgeroorlog (1936–1939) en bijna veertig jaar autoritair bewind onder Franco werd Spanje vanaf 1975 een democratie, die al in 1986 toetrad tot de Europese Gemeenschap (EG). In veel opzichten een wonder.

Holman baseert zijn boek grotendeels op artikelen die hij vanaf halverwege de jaren negentig schreef voor het aan Clingendael verbonden tijdschrift Internationale Spectator (sinds 2017: Clingendael Spectator). Daarbij richt hij zich vooral op de Spaanse politiek nadat de Transitie naar democratie was voltooid.

Dubbel tijdsdocument

Felipe González in 1991
Felipe González in 1991
Spanje werd niet alleen een democratie, maar ook politiek stabiel. Van 1982 tot 1996 was de sociaal-democraat Felipe González premier. De macht en het premierschap wisselden tussen diens PSOE en de rechtse Partido Popular (PP). De regeringen waren centrumlinks of centrumrechts. Alleen halen de twee volkspartijen niet langer absolute meerderheden, ze moeten coalities vormen.

Het boek bundelt de artikelen die Hofman in drie decennia schreef, meestal rondom Spaanse verkiezingen. Voor het boek schreef hij twee hoofdstukken over de periode tot halverwege de jaren negentig. Vanaf hoofdstuk drie worden eerdere artikelen herdrukt, telkens voorafgegaan door 2-3 pagina’s waarin de auteur uitlegt wat van zijn toenmalige prognose wel en niet uitkwam.

Dat maakt het boek een dubbel tijdsdocument: de lezer krijgt naast de gebeurtenissen ook mee hoe op het moment van schrijven tegen de Spaanse politiek werd aangekeken. Om een voorbeeld te noemen: halverwege de jaren negentig hield de Europese Unie (EU, zoals de EG in de jaren negentig ging heten) zich niet alleen bezig met de invoering van de euro per 2002, maar ook met het toelaten van maar liefst tien nieuwe lidstaten, overwegend uit het voormalige communistische Oostblok, in 2004.

Spanje had veel moeite gedaan om in 1986 bij de EG en in 2002 bij de eurolanden te mogen horen. Door de uitbreiding werd de EU minder exclusief, terwijl individuele lidstaten minder te zeggen kregen. In Spanje, dat zich op eigen kracht ontwikkeld had tot een democratische rechtsstaat met een vrije markteconomie, viel het slecht dat de EU de voormalige communistische landen wilde subsidiëren. Had Spanje niet ook geleden onder tientallen jaren fascisme?

Het is een momentopname die hedendaagse auteurs over het hoofd kunnen zien, maar die opgetekend werd in het artikel dat Holman indertijd schreef.

Economisch eens, cultureel verdeeld

Het Verdrag van Maastricht en de daaropvolgende gedeeltelijke overdracht van nationale bevoegdheden aan de Europese Commissie, de uitbreiding van het aantal lidstaten, de invoering van de euro en de mogelijkheid van een federaal Europa had onverwachte gevolgen. Het enthousiasme van de voorstanders leidde in veel lidstaten tot euroscepsis bij het publiek. Maar niet in Spanje, ondanks de hierboven genoemde bedenkingen.

José Maria Aznar
José Maria Aznar in 1996 (Ministerio de la Presidencia. Gobierno de España – wiki)
Om bij de EG te mogen, had de PSOE van González ingezet op een kleine overheid, begrotingsdiscipline en ruimte voor het bedrijfsleven.Daarmee profileerde de partij zich nadrukkelijk als sociaaldemocratisch, niet als klassiek socialistisch. Daarmee liep González ruim tien jaar voor op de ‘Derde Weg’ van de latere premiers Tony Blair (Verenigd Koninkrijk), Wim Kok (Nederland) en Gerhard Schröder (Duitsland) in de jaren negentig.

Beleid dat ook de rechtse PP voorstaat. Dus moeten de twee partijen zich op andere thema’s van elkaar onderscheiden. Toen de PP in 1996 ging regeren, koos premier José Maria Aznar voor een ander buitenlandbeleid. In plaats van een continentale gerichtheid op de EU werd trans-Atlantische toenadering gezocht tot de Engelstalige wereld, vooral de VS. Dat leidde vanaf de aanslagen op de Twin Towers in 2001 tot deelname aan de ‘war on terror’ en steun aan de invasie van Irak in 2003.

Sinds de PSOE in 2004 weer aan de macht kwam, manifesteren de twee partijen zich vooral cultureel. De PSOE maakt zich sterk voor multiculturalisme, emancipatie en inclusie, de PP is traditioneler. De PSOE erkent de rechten van autonome regio’s, zoals Baskenland en Catalonië, terwijl de PP Spanje als eenheidsstaat ziet. De PSOE wil het fascistische verleden onder ogen zien, de PP (die stemmen kreeg van voormalige Franco-aanhangers) laat het liever rusten.

In de jaren tachtig en negentig kon een volkspartij nog meer dan de helft van het aantal parlementszetels krijgen, in het nieuwe millennium is dat niet langer het geval. De PSOE moet wel ruimte geven aan autonome regio’s, omdat het meestal regionalistische partijen zijn die nipt voor een meerderheid zorgen. Sinds 2015 moet ook rekening worden gehouden met het radicaal-linkse Podemos. De PP had vanaf 2015 een kleinere, liberale satelliet in Ciudadanos. Die partij lijkt inmiddels verleden tijd, maar sinds 2019 moet rekening worden gehouden met het radicaal-rechtse Vox.

Stromingen binnen PSOE

Naar verluidt streeft links naar wereldburgerschap, terwijl rechts vooral op het eigen land gericht zou zijn. Dat maakt het opmerkelijk dat het grote linkse dagblad El País (‘Het Land’) heet en het grote rechtse dagblad El Mundo (‘De Wereld’). Dat is opvallend, omdat je eerder het omgekeerde zou verwachten. In Spanje is El País het meest gelezen nieuwsblad en El Mundo het tweede. Vanuit het buitenland wordt El País het meest gelezen, ook door auteur Holman.

Het Spaanse mirakel - Otto Holman
 
Holman gaat regelmatig in op de twee hoofdstromen die sinds twintig jaar bestaan binnen de PSOE. De eerste stroming, waarbinnen oud-premier González een gezaghebbende stem blijft, benadrukt vooral economisch beleid. Hiervoor bepleiten ze zelfs een ‘grote coalitie’ met de centrumrechtse PP, zoals in Duitsland, dat sinds 2005 overwegend grote coalities van christen-democraten en sociaal-democraten had. De tweede stroming vormt liever coalities met kleinere linkse partijen en benadrukt de culturele verschillen met de PP. Deze vleugel wordt aangevoerd door Pedro Sánchez, sinds 2018 premier.

Als centrumlinks dagblad is El País vermoedelijk goed ingevoerd in de verschillen binnen de PSOE. Holman bespreekt nauwelijks ontwikkelingen binnen de PP. Was het boek evenwichtiger geweest als hij ook El Mundo had gelezen?

Vergeleken met de burgeroorlog, de Franco-periode en de transitie krijgt het democratische Spanje weinig aandacht van onderzoekers. Een Nederlandstalig boek over hedendaags Spanje is zeldzaam en daarom voorziet deze titel in een lacune. Ook al wekt de auteur soms de indruk een voorkeur te hebben voor de PSOE.

×